RvS-16283
🏛️ Raad van State
📅 2025-05-13
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
12 januari 2007, 15 december 1980, 21 november 2017, 29 juli 1991, 30 november 2006
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.283 van 13 mei 2025
in de zaak A. 244.232/VII-42.808
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Jonathan Waldmann
kantoor houdend te 4000 Luik
Rue Paul Devaux 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 19 februari 2025, strekt tot de
cassatie van arrest nr. 320.147 van 16 januari 2025 van de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 28 februari 2025 aangekomen ter
griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit
van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, noch artikel 62 van de wet van
15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en
de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), noch de
materiëlemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.283 VII-42.808-1/6
behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden
arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan.
2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door
artikel 39/65 van de vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een
uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk
en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om
te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in
rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde
gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de
voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte
maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een
motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of
weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of
afzonderlijke weerlegging vormt.
Artikel 57/6, § 3, 6°, van de vreemdelingenwet luidt:
“De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan een verzoek
om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaren wanneer:
[...]
6° de minderjarige vreemdeling geen eigen feiten aanhaalt die een apart verzoek
rechtvaardigen, nadat er eerder namens hem een verzoek om internationale
bescherming werd ingediend overeenkomstig artikel 57/1, § 1, eerste lid, waarover een
definitieve beslissing werd genomen. In het andere geval neemt de Commissaris-
generaal een beslissing waarbij tot de ontvankelijkheid van het verzoek wordt
besloten.”
In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid
tot de wet van 21 november 2017 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980
betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen, en van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers
en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen’, waarmee artikel 57/6, § 3, 6°, van
de vreemdelingenwet werd ingevoerd, wordt met betrekking tot deze bepaling het volgende
gesteld:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.283 VII-42.808-2/6
“De bepaling in paragraaf 3, 6° laat toe de procedure van de volgende verzoeken
eveneens toe te passen op de minderjarige vreemdeling die geen eigen feiten aanhaalt
die een apart verzoek rechtvaardigen, nadat zijn eerdere verzoek om internationale
bescherming namens hem werd ingediend door de persoon die over hem het ouderlijk
gezag of de voogdij uitoefent. Het dient benadrukt te worden dat het criterium ruimer
is dan alleen geen eigen feiten aanhalen. Het gaat om de afwezigheid van eigen feiten
die een apart verzoek rechtvaardigen.”
3. Met betrekking tot het feit dat verzoekers aanvraag om machtiging
tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet ontvankelijk werd verklaard,
overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoekers medische problemen en
ernstige handicap niet ter discussie staan, doch dat verzoeker voor zijn medische
problematiek gebruik dient te maken van de in die bepaling voorziene procedure.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen motiveert omstandig en
concreet omtrent verzoekers medische toestand, met onder meer de vraag of er sprake is van
een intentioneel en gericht ontzeggen van gezondheidszorg, van discriminatie van personen
met een handicap of van een gebrek aan toegang tot medische zorg omwille van een
gewapend conflict. Na deze overwegingen met betrekking tot de vraag of verzoeker als
minderjarige eigen feiten aanhaalt die van aard zijn dat zij een apart verzoek rechtvaardigen
na een eerder door verzoekers moeder mede namens verzoeker ingediend verzoek om
internationale bescherming, besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen:
“Uit het voorgaande blijkt dat verzoeker geen andere feiten aanbrengen dan diegene
die reeds namens hem door zijn moeder in het kader van haar verzoek om
internationale bescherming werd ingeroepen, dat niet kan blijken dat verzoeker in zijn
individuele omstandigheden in het verleden op intentionele en gerichte wijze toegang
tot medische behandeling zou zijn geweigerd of ontzegd in de stad […] in het
departement […], noch dat dit het geval zal zijn in geval van terugkeer naar
verzoekers regio van herkomst en dat in de bestreden beslissing terecht wordt
gemotiveerd dat om te leiden tot vervolging, de discriminatie en beroving van rechten
van die aard moeten zijn dat de gevreesde problemen zodanig systematische en
overweldigend moeten zijn dat de basisrechten van de mens worden aangetast, wat in
casu niet het geval is. Verzoekers overigens niet gestaafde betoog dat de commissaris-
generaal moeilijk kan voorhouden dat verzoeker zal kunnen genieten van een
doeltreffende bescherming in de zin van artikel 48/5 van de Vreemdelingenwet bij
terugkeer is bijgevolg niet dienstig.
Gelet op het voorgaande wordt in de bestreden beslissing terecht besloten dat
verzoeker geen eigen feiten hebben aangehaald in de zin van artikel 57/6, § 3, eerste
lid, 6° van de Vreemdelingenwet die een afzonderlijk verzoek rechtvaardigen.
Bijgevolg heeft de commissaris-generaal terecht besloten tot de niet-ontvankelijkheid
van het verzoek om internationale bescherming van de minderjarige verzoeker en
dient het beroep te worden verworpen.”
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.283 VII-42.808-3/6
Uit het bestreden arrest blijkt aldus duidelijk waarom de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat het feit dat verzoekers aanvraag op grond van
artikel 9ter van de vreemdelingenwet ontvankelijk is verklaard, geen afzonderlijk verzoek
om internationale bescherming op grond van artikel 57/6, § 3, 6°, van de vreemdelingenwet
rechtvaardigt. Verzoeker toont geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en
artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
4. Verzoeker licht de voorgehouden schending van artikel 57/6, § 3, 6°,
van de vreemdelingenwet verder toe met de kritiek dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen “ten onrechte [heeft] geoordeeld dat verzoekers situatie identiek
was aan die door de moeder werd ingediend”, dat “de recente medische documentatie van
verzoeker en de bijhorende risico’s onvoldoende [werden] geanalyseerd”, dat verzoeker
“nieuw bewijs van discriminatie en beperkte toegang tot gezondheidszorg” heeft ingediend,
dat “nieuwe aangebrachte feiten […] aan[tonen] dat verzoeker een verhoogd risico loopt op
ernstige schade bij terugkeer naar Colombia, geen toegang zal hebben tot
levensnoodzakelijke medische zorg als gevolg van de structurele tekortkomingen van het
Colombiaanse systeem en systematisch zal worden uitgesloten en gediscrimineerd worden
wegens zijn handicap” en dat verzoekers ontvankelijk bevonden aanvraag op grond van
artikel 9ter van de vreemdelingenwet “een nieuwe en zelfstandige grond [vormt] die de
noodzaak van internationale bescherming bevestigt, des te meer aangezien verzoeker een
link aantoont tussen zijn asielmotieven en zijn medische toestand”.
Met deze kritiek vraagt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling
van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.283 VII-42.808-4/6
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.283 VII-42.808-5/6
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien mei
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.283 VII-42.808-6/6