RvS-16289
🏛️ Raad van State
📅 2025-05-15
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet, Wib
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.289 van 15 mei 2025
in de zaak A. 244.165/VII-42.800
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Tristan Wibault
kantoor houdend te 1060 Brussel
Henri Jasparlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 14 februari 2025, strekt tot de
cassatie van arrest nr. 319.901 van 13 januari 2025 van de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 28 februari 2025 aangekomen ter
griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit
van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste middelonderdeel
1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door
artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied,
het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet)
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.289 VII-42.800-1/4
aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht
heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de
voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen
uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de
jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist
zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals
tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen.
De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of
weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of
afzonderlijke weerlegging vormt.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat de door
verzoeker bijgebrachte getuigenverklaringen “geenszins afbreuk kunnen doen aan de
omstandige correcte weigeringsmotieven in de [aanvankelijk] bestreden beslissing omtrent
verzoekers vermeende werkzaamheden en zijn weinig eenduidige, gebrekkige en
tegenstrijdige verklaringen die geenszins verschoond kunnen worden met deze stukken”. Hij
wijst op het gesolliciteerde karakter van de getuigenverklaringen en merkt op concreet
gemotiveerde wijze op “dat de neergelegde getuigenverklaringen geenszins overeenkomen
met de verklaringen van verzoeker over zijn vermeende (ex-)collega’s”. Slechts daarnaast
wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop dat fotokopieën gemakkelijk met
allerhande knip-en plakwerk kunnen worden gefabriceerd of gemanipuleerd en dat corruptie
en documentenfraude wijd verspreid zijn in Afghanistan.
Met de voormelde motivering wordt duidelijk en concreet
aangegeven waarom de kwestieuze door verzoeker bijgebrachte stukken geen afbreuk
kunnen doen aan de overige vaststellingen in het bestreden arrest en de aanvankelijk
bestreden beslissing, op grond waarvan verzoekers asielrelaas ongeloofwaardig wordt
bevonden. Verzoeker toont geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet en artikel
39/65 van de vreemdelingenwet.
Verder behoort de beoordeling van de bewijswaarde van stukken tot
de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te
dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid heeft gedaan. De Raad van State treedt als
cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.289 VII-42.800-2/4
Tweede middelonderdeel
2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt als feitenrechter
soeverein of hij kan komen tot een bevestiging of een hervorming van de aanvankelijk
bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. De Raad
van State vermag die beoordeling niet over te doen vermits hij niet in de beoordeling van de
zaak treedt.
Waar verzoeker meent dat een bijkomend onderzoek wel
noodzakelijk is, kan hij dan ook geen schending aantonen van artikel 39/1, § 1, 2° of
artikel 39/76 van de vreemdelingenwet, noch van artikel 47 van het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie.
Conclusie
3. Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover
ontvankelijk, kennelijk ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.289 VII-42.800-3/4
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien mei
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.289 VII-42.800-4/4