RvS-16290
🏛️ Raad van State
📅 2025-05-16
🌐 FR
Beschikking
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
30 november 2006, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID
VAN EEN CASSATIEBEROEP
nr. 16.290 van 16 mei 2025
in de zaak G/A 244.431/IX-10.641
In zake : D.O.
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Selin Gostek
kantoor houdend te 3000 Leuven
Diestsevest 47 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 maart 2025, strekt tot de
nietigverklaring van arrest nr. RSTVB-2425-0571 van de Raad voor betwistingen
inzake studievoortgangsbeslissingen van 14 februari 2025.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is onderworpen aan de procedure tot
toelating, bedoeld bij artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973, en bij de artikelen 7 tot en met 11 van het
koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de
cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Het dossier van de zaak is door de griffie ontvangen op 22 april
2025.
IX-10.641-1/4
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.290
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. De toelaatbaarheid
3. Verzoekster krijgt als gevolg van een maatregel van
studievoortgangsbewaking een weigering tot herinschrijving. De interne
beroepsinstantie van de verwerende partij verklaart het beroep dat verzoekster
hiertegen heeft ingesteld op 15 oktober 2024 ongegrond.
Met het thans bestreden arrest nr. RSTVB-2425-0571 van 14
februari 2025 verwerpt de Raad voor betwistingen inzake
studievoortgangsbeslissingen het beroep van verzoekster tegen de laatstgenoemde
beslissing.
4. In het verzoekschrift tot cassatie van het voormelde arrest voert
verzoekster een enig middel aan, geput uit de schending “van de algemene
rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het
zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en van de motiveringsplicht.
doordat in de bestreden beslissing d.d. 14 februari 2025 het beroep van
verzoekster verworpen is, terwijl de beslissing zorgvuldig diende te worden
genomen, het redelijkheidsbeginsel gerespecteerd diende te worden en op
afdoende wijze gemotiveerd diende te zijn”.
Het middel wordt toegelicht in een drietal bladzijden, waarin
verzoekster uiteenzet waarom de (interne beroepsinstantie van de) universiteit
onredelijk en onzorgvuldig heeft gehandeld en zij haar beslissing onvoldoende
grondig heeft gemotiveerd en fouten maakt in haar beoordeling. Het is volgens
haar dan ook onterecht dat de Raad voor betwistingen inzake
studievoortgangsbeslissingen die redenering overneemt. Verzoekster schetst in
dat verband ook omstandig haar persoonlijke situatie en haar gezinssituatie, die
volgens haar door de beroepsinstantie verkeerd werden ingeschat.
IX-10.641-2/4
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.290
5. Verzoekster heeft haar verzoekschrift opgevat als een hoger
beroep tegen de beslissing van de interne beroepsinstantie van de verwerende
partij.
Als cassatierechter beoordeelt de Raad van State evenwel niet
ten tweede male de beslissing van de administratieve overheid, maar beoordeelt
hij de beslissing van de Raad voor betwistingen inzake
studievoortgangsbeslissingen als administratief rechtscollege. Luidens artikel 14,
§ 2, RvS-Wet doet de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak, bij wijze van
arresten, over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve
rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens
overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van
nietigheid voorgeschreven vormen. Zij treedt daarbij niet in de beoordeling van
de zaken zelf.
Het enige middel, dat niet het arrest van de Raad voor
betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen viseert, maar wel uitnodigt tot
een herbeoordeling van de beslissing van de beroepsinstantie, is kennelijk
onontvankelijk.
6. Ten overvloede merkt de Raad nog op dat de Raad voor
betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen als administratief rechtscollege
zelf niet onderworpen is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een
middel dat ervan uitgaat dat de Raad voor betwistingen inzake
studievoortgangsbeslissingen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
dient na te leven bij het onderzoek van het voor hem gebrachte beroep, is
kennelijk niet ontvankelijk.
Als cassatierechter kan de Raad van State wel onderzoeken of
de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de draagwijdte
van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden bij de
beoordeling of de aanvankelijk bestreden beslissing dat beginsel schendt, zonder
dat de Raad van State zich daarbij in de plaats van de annulatierechter mag stellen
om zelf, in tweede instantie, te oordelen of dat beginsel geschonden is.
IX-10.641-3/4
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.290
Het middel is evenwel niet in die bewoordingen aan de Raad
van State voorgelegd, noch toegelicht.
7. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dat het niet
voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2,
van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
B E S L I S S I N G:
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het
cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Aldus te Brussel verleend, op zestien mei tweeduizend vijfentwintig, door:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-10.641-4/4
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.290