RvS-16292
šļø Raad van State
š
2025-05-20
š FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
strafrecht
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
29 juli 1991, 30 november 2006, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.292 van 20 mei 2025
in de zaak A. 244.473/VII-42.836
In zake : XXXXX
wonende te XXXXX
XXXXX
alwaar keuze van woonst wordt gedaan
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Malu Mutombo
kantoor houdend te 3500 Hasselt
Koningin Astridlaan 46
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door
de minister van Asiel en Migratie
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 24 maart 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 321.893 van 18 februari 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 25 april 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoƶrdineerde
wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit
van 30 november 2006 ātot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van Stateā.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoƶrdineerd op
12 januari 1973.
Eerste middel
1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ābetreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingenā zijn als dusdanig niet van toepassing
op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker kan dan ook geen
schending van deze bepalingen inroepen omdat het bestreden arrest geen voldoende
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.292 VII-42.836-1/4
motivering zou bevatten. Verder heeft kritiek op de motieven van de voor de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissingen van de verwerende partij geen
betrekking op het bestreden arrest.
2. In de mate dat verzoeker de juridische juistheid van de motivering
van het bestreden arrest betwist, dient te worden opgemerkt dat de juistheid van de gegeven
motieven geen verband houdt met de jurisdictionele motiveringsplicht. Verzoeker geeft niet
aan welke bepaling of welk beginsel zou zijn geschonden door een voorgehouden onjuiste
motivering.
3. Verder acht verzoeker het vermoeden van onschuld geschonden
omdat ā[m]en verwijst naar een strafrechtelijk verleden van verzoeker, hij werd namelijk
beschuldigd van een seksueel misdrijf. Echter is het belangrijk hier te vermelden dat hij tot
op heden [niet] veroordeeld is voor deze misdrijvenā. Verzoeker verwijst wat dit betreft naar
artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de
Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig gesteld dat geschillen betreffende de toegang tot, het
verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6 van
het EVRM vallen (zie EHRM (GK) 5 oktober 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK)
4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008,
Hussain/Roemeniƫ; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/Belgiƫ). Met de voor de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen bestreden beslissingen (hierna: aanvankelijk bestreden
beslissingen) spreekt de verwerende partij zich immers uit noch over burgerlijke rechten,
noch over de gegrondheid van enige strafvervolging. Een schending van voormelde
verdragsbepaling kan derhalve niet op ontvankelijke wijze worden opgeworpen tegen het
bestreden arrest.
Waar verzoeker nog stelt dat de aanvankelijk bestreden beslissingen
āgeen valabele rechtsgrond heeft, nu geen enkele wetsbepaling voorziet dat de gemachtigde
de aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie weigert in
overweging te nemen, of dat de gemachtigde weigert om uitspraak te doen over de aanvraag
omwille van het enkele motief dat verzoeker onderhevig is aan een lopend strafonderzoekā,
gaat hij overigens voorbij aan volgende overwegingen uit het bestreden arrest:
āVerzoeker kan aldus niet worden gevolgd in zijn standpunt dat zijn 21ste aanvraag
onterecht niet is beoordeeld. Nu hij niet betwist dat hij ter ondersteuning van deze
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.292 VII-42.836-2/4
aanvraag geen werkelijk nieuwe elementen aanbracht die alsnog vermogen aan te
tonen dat hij voldoet aan de wettelijke voorwaarden, kon verweerder volstaan met de
verwijzing naar de eerdere weigeringsbeslissingen en de vaststelling dat er sprake is
van ernstig proceduremisbruik. Er was eenvoudigweg niets meer dat diende te worden
beoordeeld, waar alles reeds was onderzocht in het kader van de maar liefst
20 voorgaande aanvragen. Indien hij niet akkoord was met deze beoordelingen had hij
trouwens de mogelijkheid hiertegen in beroep te gaan bij de Raad.
In zoverre verzoeker betoogt dat in de Vreemdelingenwet geen enkele bepaling is
opgenomen die toelaat om een aanvraag niet te behandelen wegens misbruik van
procedure en verweerder alleszins niet verwijst naar een wettelijke bepaling of naar
rechtspraak die zulks toelaat, gaat hij voorbij aan het gegeven dat de beslissing
verwijst naar artikel 40ter van de Vreemdelingenwet en naar de maar liefst 20
beslissingen inzake zijn voorgaande aanvragen in functie van zijn Belgische moeder
waarin reeds werd vastgesteld dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor de
gezinshereniging op basis van dit wetsartikel. Aldus blijkt wel degelijk een correcte
wettelijke basis om ook de 21ste aanvraag te weigeren, met name het niet voldaan zijn
aan de voorwaarden voor de gezinshereniging op grond van artikel 40ter van de
Vreemdelingenwet. Verweerder heeft enkel geoordeeld dat een hernieuwd onderzoek
zich niet opdringt, omdat er sprake is van ernstig proceduremisbruik waarbij verzoeker
een nieuwe aanvraag indient louter voor het verkrijgen van een tijdelijke verblijfstitel
maar zonder dat hij nog wezenlijke nieuwe elementen kan aanbrengen die een nieuwe
beoordeling behoeven. Zoals reeds werd vastgesteld, doet verzoeker zelfs geen enkele
poging of moeite om dit te betwisten, laat staan te weerleggen.ā
4. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
Tweede middel
5. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van
toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoekers kritiek dat
de verwerende partij in haar beslissing de zorgvuldigheidsplicht wel degelijk zou hebben
geschonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit had moeten vaststellen,
heeft hetzij geen betrekking op het bestreden arrest, hetzij betrekking op de beoordeling van
de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter echter niet bevoegd is.
6. Het tweede middel is kennelijk niet ontvankelijk.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.292 VII-42.836-3/4
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig mei
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.292 VII-42.836-4/4