Naar hoofdinhoud

RvS-16293

đŸ›ïž Raad van State 📅 2025-05-20 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet, gw

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.293 van 20 mei 2025 in de zaak A. 244.245/VII-42.810 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benoit Dhondt kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 februari 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 320.084 van 15 januari 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 februari 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste onderdeel van het enige middel 1. Verzoeker richt zich in essentie tegen de motivering in het bestreden arrest als antwoord op zijn kritiek betreffende de gebruikte landeninformatie en de situatie voor personen die uit het Westen terugkeren naar Afghanistan. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-1/15 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet in punt 2.1. van het bestreden arrest verzoekers standpunt uiteen, waarbij hij onder meer wijst op het aangevoerde “gebrek aan algemene, betrouwbare informatie over de mensenrechtensituatie in Afghanistan”, “het gebrek aan informatie om in te kunnen schatten welke behandeling terugkeerders uit het Westen riskeren”, de door verzoeker geuite “kritiek op de inschatting en de bronnen waar de commissaris-generaal zich op baseert om het risico op vervolging voor terugkeerders uit het Westen te beoordelen” en de “indicaties dat terugkeerders uit het Westen riskeren aan vervolging of ernstige schade te worden blootgesteld”, die verzoeker naar voren schuift. In punt 2.2. van het bestreden arrest verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar het verzoekschrift tot cassatie en verzoekers nota’s met de daarbij gevoegde stukken (landeninformatie). In punt 2.3.1. van het bestreden arrest benadrukt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de devolutieve kracht van de beroepen tegen de beslissingen van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waardoor hij niet noodzakelijk gebonden is door de motieven waarop de bestreden beslissing steunt, noch door verzoekers kritiek daarop en evenmin dient in te gaan op ieder aangevoerd argument. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt in het bestreden arrest immers een volledig nieuwe en eigen beoordeling van verzoekers beschermingsverzoek. 4. Wat de beschikbare objectieve landeninformatie betreft, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-2/15 “De Raad wijst er vooreerst op dat de verwerende partij bij aanvullende nota van 15 december 2024 de beschikbare objectieve landeninformatie heeft geactualiseerd en aangevuld. Voorts betwist de Raad niet dat de machtsovername door de taliban een impact heeft gehad op de aanwezigheid van bronnen in het land en op de mogelijkheid om verslag uit te brengen. Zo blijkt er dat, in vergelijking met de periode vóór de machtsovername waarin bijzonder veel bronnen en organisaties in Afghanistan actief waren en over de veiligheidssituatie rapporteerden, heden minder gedetailleerde en betrouwbare informatie over de situatie in het land voorhanden is. Ook de rapporten van de EUAA erkennen dat ze sinds de machtsovername door de taliban met verschillende uitdagingen worden geconfronteerd in het verzamelen en controleren van informatie over Afghanistan. Doch blijkt duidelijk dat de berichtgeving uit en over Afghanistan niet is gestopt, dat tal van bronnen nog steeds beschikbaar zijn en dat nieuwe bronnen zijn verschenen, zoals wordt geattesteerd door de voorgelegde landeninformatie. Bij het opstellen van de rapporten heeft de EUAA daarenboven zowel gebruik gemaakt van informatie afkomstig van gouvernementele als niet- gouvernementele (internationale) organisaties. Bovendien zijn verschillende gezaghebbende experten, analisten en (internationale) instellingen de situatie in het land blijven opvolgen en rapporteren zij over gebeurtenissen en incidenten. Er kan dan ook worden besloten dat er in deze stand van zaken voldoende informatie voorhanden is over de actuele situatie in Afghanistan om over te gaan tot een beoordeling van Afghaanse beschermingsverzoeken. Aldus is de huidige situatie niet vergelijkbaar is met de situatie eind 2021 en begin 2022, die het uitgangspunt vormde voor de UNHCR Guidance note van februari 2022. Dat het UNHCR in het kader van een intervisie van NANSEN heeft verklaard vast te houden aan zijn standpunt van februari 2022 omdat er te weinig informatie voorhanden zou zijn om een duidelijk beeld te krijgen van de situatie in Afghanistan, neemt niet weg dat de Raad in zijn beoordeling rekening houdt met de uitdagingen waarmee verschillende organisaties worden geconfronteerd in hun bronnenonderzoek, zoals hierna zal blijken. Het volstaat echter niet dat verzoeker deze pijnpunten nogmaals benadrukt, zonder in concreto aan te tonen dat de gehanteerde landeninformatie niet zou toelaten om over te gaan tot de beoordeling van beschermingsverzoeken van Afghaanse onderdanen. De Raad herinnert er verder aan dat zowel de richtlijnen van het UNHCR als de gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren van de EUAA niet bindend zijn. Artikel 11, lid 3, van de Verordening 2021/2303/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2021 inzake het Asielagentschap van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening nr. 439/2010/EU houdt wel volgende verplichting in: ‘Bij de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming houden de lidstaten rekening met de gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren, onverminderd hun bevoegdheid om te besluiten op individuele verzoeken om internationale bescherming.’ Ten slotte merkt de Raad op dat de richtlijnen van het UNHCR en de gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren van de EUAA de asielinstanties niet ontslaan van hun verplichting om, conform artikel 46, § 3, van de richtlijn 2013/32/EU, over te gaan tot een volledig en ex nunc-onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden. De Raad zal zich laten leiden door de meest recente landeninformatie, in casu bestaande uit diverse bronnen, die zich in het rechtsplegingsdossier bevindt en die hem door beide partijen wordt aangereikt. Het verzoek van verzoeker wordt daarbij afzonderlijk en op individuele wijze onderzocht en beoordeeld, rekening houdend met de concrete situatie in het land van herkomst, alsook met de individuele elementen zoals aangebracht door verzoeker zelf. Bovendien betreft het de beoordeling van de situatie in het land van herkomst van verzoeker zoals deze bestaat op het ogenblik van het vellen van het onderhavige arrest. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-3/15 De appreciatie van de feiten in het licht van de bestaande situatie in het land van herkomst gebeurt namelijk in elk stadium van het verzoek om internationale bescherming. In casu dient te worden vastgesteld dat zowel verzoeker als de verwerende partij een veelheid aan recente, uitgebreide en gedetailleerde landenrapporten, informatie en persartikels aanleveren die afkomstig zijn van een breed scala aan bronnen. In tegenstelling tot wat verzoeker doorheen zijn kritiek in zijn verzoekschrift en zijn eerste aanvullende nota tracht te laten uitschijnen, oordeelt de Raad dat er te dezen en op heden wel degelijk actuele, betrouwbare, eensluidende en omvattende informatie voorhanden is die toelaat om een gedegen inschatting te maken van de situatie in verzoekers land en regio van herkomst en om tot een oordeel te komen omtrent de door verzoeker voorgehouden nood aan internationale bescherming, in het licht van deze situatie, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet.” Met deze motivering oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat hij wel degelijk op de hoogte is van de aanwezige uitdagingen bij het verzamelen en onderzoeken van bronnen, doch dat het niet volstaat voor verzoeker deze pijnpunten opnieuw te benadrukken zonder concreet aan te tonen dat de gehanteerde landeninformatie niet zou toelaten om over te gaan tot de beoordeling van beschermingsverzoeken van Afghaanse onderdanen. Hij besluit tot het voorhanden zijn van voldoende actuele, betrouwbare, eensluidende en omvattende informatie op basis waarvan een gedegen inschatting kan worden gemaakt van de situatie in verzoekers land en regio van herkomst, zodanig dat ook verzoekers nood aan internationale bescherming in het licht van die situatie kan worden beoordeeld. Uit de voorgaande motivering blijkt bovendien dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet uitsluitend heeft gebaseerd op de door verzoeker bekritiseerde bronnen om tot zijn oordeel te komen. Verzoeker gaat met zijn kritiek voorbij aan deze beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. In punt 2.3.9.2.2. van het bestreden arrest maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een analyse van de algemene context in Afghanistan “[o]p basis van de objectieve landeninformatie in het rechtsplegingsdossier” en hij verwijst verder in het bestreden arrest onder meer naar “de bijgebrachte landeninformatie”, “de thans beschikbare informatie” en “alle objectieve landeninformatie die ter beschikking wordt gesteld door beide partijen”. De beoordeling of de bijgebrachte bronnen voldoende objectief en betrouwbaar zijn om de huidige situatie in Afghanistan te beoordelen, komt overigens uitsluitend toe aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-4/15 5. Aangaande de situatie voor (verwesterde of als dusdanig gepercipieerde) terugkeerders naar Afghanistan overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer: “Wat betreft personen die Afghanistan verlieten, bestaat er een negatief beeld onder talibansympathisanten en sommige talibansegmenten. Mensen die vertrekken worden gezien als mensen zonder islamitische waarden of op de vlucht voor zaken die zij hebben gedaan. De opperste leider van de taliban, Haibatullah Akhundzada, benadrukte het belang om Afghanen in Afghanistan te houden, waarbij hij aangeeft dat de ‘geloofsethiek en denkwijze’ van Afghanen die Afghanistan verlaten in gevaar werden gebracht en dat zij worden gedwongen om schandalen tegen de islam en het islamitische systeem te verzinnen om asiel te krijgen (voetnoot 476, TOLOnews, ‘Fears, Needs of Fleeing Afghans Must Be Addressed: Akhundzada’, 8 december 2021 in EUAA ‘Afghanistan targeting of individuals’, augustus 2022, p. 51). Er is evenwel sprake van een ambigue houding van de taliban tegenover terugkeerders. Zo lijken zij wel begrip op te brengen voor personen die Afghanistan om economische redenen verlieten, zoals de oude traditie van mannen van Pashtou-origine die gedurende een bepaalde periode in het buitenland werken. De taliban kijken echter anders naar leden van de elite – zoals voormalige overheidsmedewerkers, maar ook activisten, journalisten, intellectuelen, enzovoort – die worden beschouwd als corrupt of besmet en van wie wordt gesteld dat zij wortels in Afghanistan missen. Deze negatieve attitude strekt zich ook uit tot de algemene bevolking, die de voormalige overheid en elite corruptie verwijt. In het bijzonder in rurale Pashtou-gebieden wordt met argwaan gekeken naar personen die Afghanistan verlieten en naar de Verenigde Staten of Europa zijn gegaan (EUAA ‘Afghanistan targeting of individuals’, augustus 2022, p. 50-51). Desalniettemin hebben taliban-functionarissen herhaaldelijk Afghanen opgeroepen om naar Afghanistan terug te keren, onder wie voormalige politici, militaire en civiele leiders, universiteitsdocenten, zakenlieden en investeerders. Hoge talibanfunctionarissen riepen voorts de duizenden Afghanen, die na de overname waren gevlucht, op om terug te keren, alsook alle Afghanen die in het buitenland wonen en voormalige tegenstanders van de taliban. Uit de bijgebrachte landeninformatie blijkt dat voorts voornamelijk personen die in Iran, Pakistan en Turkije verbleven al dan niet vrijwillig zijn teruggekeerd naar Afghanistan en dat honderdduizenden Afghanen zijn gerepatrieerd vanuit Iran en Pakistan in 2024, waarbij zij materiĂ«le ondersteuning kregen om terug te keren naar hun regio van oorsprong. De bronnen geven aan dat heden nog niet veel personen uit het Westen zijn teruggekeerd en de informatie hierover blijft beperkt en anekdotisch. Volgens persberichten stuurde Frankrijk in maart 2023 één Afghaanse man en Duitsland in maart 2024 28 Afghanen gedwongen terug. Het ging telkens om personen die criminele feiten hadden gepleegd. Volgens Der Spiegel werden deze personen opgesloten bij terugkeer maar na een week weer vrijgelaten, terwijl een aantal onder een vorm van huisarrest geplaatst en ondervraagd werd. Een prominent activist voor het recht op onderwijs voor meisjes werd begin 2023 gearresteerd na een bezoek aan Brussel waar hij diplomaten en EU-ambtenaren had ontmoet en werd vervolgens zeven maanden opgesloten (EUAA, ‘Afghanistan – Country Focus’, november 2024, p. 44- 45). Volgens sommige (deels anonieme) bronnen zijn controles op de luchthaven van Kabul zeer grondig en hebben de-factoimmigratieambtenaren lijsten van gezochte personen, waaronder voormalige medewerkers van de ANDSF. Een andere, anonieme, bron stelt dat de taliban weinig informatie hebben over teruggekeerde personen en dat terugkeerders misschien de les gespeld krijgen door een mullah over de gevaren van emigratie. Volgens een mensenrechtenactiviste die ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-5/15 buiten Afghanistan actief is, zou terugkeer voor personen die geen problemen hebben met de-factoautoriteiten mogelijk zijn, maar zou dit wel het geval kunnen zijn voor personen met een hoog profiel (EUAA, ‘Afghanistan - Country Focus’, november 2024, p. 45, wat in de lijn ligt van wat eerder door een anonieme organisatie binnen Afghanistan werd gesteld, zie EUAA, ‘Afghanistan targeting of individuals’, augustus 2022, p. 55). Volgens het Algemeen Ambtsbericht is het, net omwille van de beperkte en anekdotische informatie hierover, onduidelijk of en welke eventuele problemen teruggekeerde Afghanen zouden kunnen krijgen en hoe zij behandeld zouden worden bij terugkeer naar Afghanistan (EUAA ‘Afghanistan targeting of individuals’, augustus 2022, p. 53-55; ‘Algemeen Ambtsbericht Afghanistan’, p. 148-149; COI Focus Afghanistan, ‘Migratiebewegingen van Afghanen sinds de machtsovername door de taliban van 14 december 2023’, p. 36). Sommige bronnen geven evenwel aan dat in de praktijk op dorpsniveau de plaatselijke leiders zullen weten wie is teruggekeerd (voetnoot 514: Denmark, DIS, ‘Afghanistan – taliban’s impact on the population’, June 2022, p. 23 en 38 in EUAA, ‘Afghanistan: targeting of individuals’, augustus 2022, p. 55). Het is voor de taliban in dorpen dan ook gemakkelijker om informatie in te winnen of te horen te krijgen over personen die zijn teruggekeerd (Ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘Algemeen Ambtsbericht Afghanistan’, juni 2023, p. 44). Het Noorse Landinfo benadrukt dat de Afghaanse maatschappij zeer divers en complex is en dat er een grote variatie in houdingen en tal van lokale verschillen mogelijk zijn en er wordt aangenomen dat dit ook van toepassing is op de wijze waarop mensen die terugkeren uit het Westen worden gepercipieerd. Mogelijke reacties zullen dus steeds afhankelijk zijn van het individuele profiel van de persoon die terugkeert, het netwerk dat deze persoon heeft in Afghanistan en de plaats in Afghanistan naar waar deze persoon terugkeert (COI Focus Afghanistan, ‘Migratiebewegingen van Afghanen sinds de machtsovername door de taliban van 14 december 2023’, p. 36). Bronnen geven ook aan dat individuen, die als ‘verwesterd’ worden gezien, bedreigd kunnen worden door de taliban, hun familie of buren omdat ze worden gezien als ‘verraders’ of ‘ongelovigen’. De negatieve perceptie ten aanzien van terugkeerders kan tevens resulteren in stigmatisering, waarbij de terugkeerders met argwaan kunnen worden bekeken en er wordt aangenomen dat zij een mislukking zijn of een misdrijf moeten hebben gepleegd, dan wel dat zij terugkeren met veel geld (EUAA ‘Afghanistan targeting of individuals’, augustus 2022, p. 51, EUAA, ‘Afghanistan - Country Focus’, december 2023, p. 100). Stigmatisering, discriminatie of uitstoting kunnen echter slechts in uitzonderlijke gevallen worden beschouwd als vervolging of ernstige schade. Dit dient samen met andere individuele elementen te worden beoordeeld, waaronder de ernst en het systematische karakter ervan, evenals de vraag of er sprake is van een cumulatie aan gedragingen of maatregelen. Uit objectieve landeninformatie blijkt heden niet dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen. Wel kunnen volgende risicoprofielen kunnen worden aangeduid: (1) personen ‘die de religieuze, morele en/of sociale normen hebben overschreden’, dan wel hiervan worden beticht, ongeacht of deze handelingen of gedragingen plaatsvonden in Afghanistan, dan wel in het buitenland en; (2) personen die ‘verwesterd’ zijn, of als dusdanig worden gepercipieerd omwille van, bijvoorbeeld, hun activiteiten, waarbij dit tevens doelt op personen die terugkeren naar Afghanistan, na een verblijf in westerse landen. Niet elke Afghaan die terugkeert uit Europa zal verwesterd zijn of een verwestering worden toegedicht. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-6/15 Het komt aan verzoeker toe concreet aan te tonen dat hij is verwesterd dan wel als verwesterd zal worden beschouwd of als een persoon die de religieuze, morele of sociale normen heeft overschreden. Beide risicoprofielen kunnen in een zekere mate met elkaar overlappen. In het kader van een risicoanalyse van de redelijke mate van waarschijnlijkheid voor een verzoeker om bij terugkeer naar Afghanistan te worden blootgesteld aan vervolging omwille van (toegeschreven) verwestering/overschrijding van religieuze, morele of sociale normen dringt zich een individuele beoordeling op waarbij rekening moet worden gehouden met risicobepalende factoren zoals het geslacht, de leeftijd, het gebied van herkomst en de conservatieve omgeving, de duur van het verblijf in het Westen, de aard van de tewerkstelling van de verzoeker, het gedrag van verzoeker, de zichtbaarheid van de verzoeker en de zichtbaarheid van de normoverschrijding (ook voor normoverschrijdingen in het buitenland), enzovoort. Voor personen die worden beticht van ‘zina’, kan evenwel worden aangenomen dat deze personen in het algemeen een gegronde vrees voor vervolging kunnen laten gelden. In de EUAA ‘Country Guidance: Afghanistan’ wordt gesteld dat vervolging van personen die onder dit profiel vallen in Afghanistan kan plaatsvinden omwille van een toegeschreven politieke of religieuze overtuiging of het behoren tot een specifieke sociale groep. De richtsnoeren van EUAA kunnen worden bijgetreden (EUAA ‘Country Guidance: Afghanistan’, mei 2024, p. 57-61).” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt op basis van de objectieve landeninformatie uit het rechtsplegingsdossier vast dat de wijze waarop mensen die terugkeren uit het Westen worden gepercipieerd, dus steeds afhankelijk zal zijn van het individuele profiel van de persoon die terugkeert, diens netwerk in Afghanistan en de plaats in Afghanistan naar waar deze persoon terugkeert. De negatieve perceptie ten aanzien van terugkeerders kan volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk resulteren in stigmatisering, doch stigmatisering, discriminatie of uitstoting kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen worden beschouwd als vervolging of ernstige schade. Dit dient steeds samen met andere individuele elementen te worden beoordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt vervolgens dat uit objectieve landeninformatie heden niet blijkt dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen maar wijst wel op het bestaan van twee risicoprofielen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concludeert dat een individuele beoordeling zich opdringt, waarbij verzoeker concreet dient aan te tonen onder een van de gestelde risicoprofielen te vallen en waarbij rekening moet worden gehouden met risicobepalende factoren. Verzoeker gaat volledig voorbij aan deze motivering waar hij vasthoudt aan de door hem geformuleerde kritieken op het bronnenmateriaal en deze kritieken thans herhaalt. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-7/15 Uit de voorgaande overwegingen blijkt bovendien dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onderscheid maakt tussen terugkeerders naargelang hun profiel, doch oordeelt dat er geen duidelijk verband is met het loutere feit dat deze personen het land hebben verlaten. Verzoeker kan niet gevolgd worden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet uitgaat van zijn specifieke situatie als terugkeerder uit het westen. Uit punt 2.3.9.2.3. van het bestreden arrest blijkt dat verzoekers argumentatie aangaande zijn vrees te worden vervolgd door de taliban in geval van terugkeer en verzoekers diverse kritieken in overweging worden genomen, doch dat wordt besloten dat in hoofde van verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen. 6. Wat betreft het aangevoerde risico op identificatie bij controleposten, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Verder kan uit de thans beschikbare informatie in verband met terugkeer niet blijken dat terugkeer voor iemand als verzoeker, die geen specifiek profiel heeft, in regel problematisch is. Waar verzoeker bemerkt dat hij verschillende checkpoints zal moeten passeren op zijn terugreis, merkt de Raad op dat de controleposten zich hoofdzakelijk in en rond Afghaanse steden bevinden en vooral zijn bedoeld om te speuren naar personen met een specifiek profiel, met name voormalige medewerkers die zijn gelinkt aan de voormalige Afghaanse overheid en veiligheidsdiensten. De taliban beschikken over lijsten met namen en foto’s van voormalige medewerkers (EUAA ‘Key socio-economic indicators in Afghanistan’, augustus 2022, p. 68 en p. 70). Nadat een aantal schietpartijen zich aan de controleposten hebben voorgedaan, hebben de de-factotalibanautoriteiten opgeroepen om meer ‘professionals’ in dienst te nemen en werd ook een speciale eenheid opgericht om toezicht te houden op de controleposten (EUAA ‘Afghanistan targeting of individuals’, augustus 2022, p. 32). Er blijkt uit de beschikbare algemene informatie aldus niet dat elke Afghaan die langs een controlepost komt problemen zal ondervinden. De focus van de taliban ligt op het opsporen van tegenstanders of voormalige medewerkers van het Afghaanse leger en politie. Te dezen toont verzoeker in de huidige stand van zaken niet aan dat hij over een specifiek profiel beschikt waardoor hij persoonlijk zou worden geviseerd bij deze controleposten. Zoals hierboven uiteengezet, blijkt niet dat verzoeker vóór zijn vertrek in het vizier stond van de taliban, noch dat hij bij terugkeer in hun vizier zou komen. Er zijn ook geen concrete indicaties die daarop wijzen. De algemene informatie waaruit zou blijken dat er niet zonder meer geloof kan worden gehecht aan de belofte van de taliban tot veilige terugkeer vanuit het Westen en de behandeling van personen die proberen te vertrekken en die terugkeren vermag, gelet op het gebrek aan concrete en op verzoekers persoon betrokken elementen, evenmin in hoofde van verzoeker een gegronde vrees voor vervolging of een reĂ«el risico op ernstige schade aan te tonen. Waar verzoeker in het algemeen wijst op de vrees voor controle van zijn smartphone aan een checkpoint en op de risico’s bij controle van zijn sociale mediaprofielen, stelt de Raad vast dat uit de landeninformatie niet blijkt dat het hebben van dergelijke profielen zonder meer een risico op vervolging met zich meebrengt. Hoewel internationale media berichten dat de taliban reeds Afghanen hebben gearresteerd en gedood vanwege hun activiteiten op de sociale media, betroffen deze echter kritische berichten ten aanzien van de taliban. Verzoeker maakt geenszins in concreto aannemelijk dat hij door het al dan niet hebben van accounts op sociale media dreigt ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-8/15 geviseerd te worden. Hij toont ook geenszins aan dat de eventuele inhoud van zijn sociale media, waaromtrent hij overigens niet de minste verdere duiding verstrekt, van die aard is dat het onoverkomelijk zou zijn voor zijn identiteit of morele integriteit om bij terugkeer naar Afghanistan de inhoud van zijn sociale media te wissen of de volledige account(s) en verder ook eventuele foto’s of muziekbestanden en dergelijke te verwijderen. Er liggen verder ook geen indicaties voor dat de taliban op heden kennis zou hebben van mogelijke activiteiten van verzoeker op sociale media.” Uit deze motivering blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie wel in overweging neemt, maar oordeelt dat verzoeker niet aantoont over een specifiek profiel te beschikkien waardoor hij persoonlijk zou worden geviseerd bij deze controleposten. Verzoeker toont dienaangaande geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht aan. Bovendien houdt een gebeurlijke schending van de jurisdictionele motiveringsplicht geen verband met het recht van verdediging. 7. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.3.9.2.2. van het bestreden arrest de situatie voor (verwesterde of als dusdanig gepercipieerde) terugkeerders naar Afghanistan in het algemeen onderzoekt, gaat hij in punt 2.3.9.2.3. van het bestreden arrest omstandig in op verzoekers concreet aangevoerde vrees en situatie wat dat betreft. Het gaat om een concrete en omstandige motivering, waarvan verzoeker niet aantoont dat ze niet volstaat in het licht van artikel 149 van de Grondwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer: “De Raad benadrukt vervolgens dat een door louter tijdsverloop mogelijk ontwikkelde westerse levensstijl in beginsel geen afdoende reden is om te worden erkend als vluchteling. Verzoeker toont in dit verband niet in concreto aan dat hij zou kunnen worden beschouwd als een persoon die religieuze of sociale normen heeft overschreden of als verwesterd zou kunnen worden beschouwd en daardoor een politieke of religieuze overtuiging die ingaat tegen het gedachtengoed van de taliban zal worden toegedicht die dermate sterk is dat verzoeker hierdoor in de negatieve aandacht van de taliban zal komen. Evenmin toont verzoeker hiermee aan dat hij behoort tot een specifieke sociale groep. Hierboven werd reeds gesteld dat uit de landeninformatie niet kan blijken dat voor elke Afghaan die terugkeert louter omwille van zijn verblijf in het buitenland een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen, noch dat elke Afghaan louter omwille van zijn verblijf in Europa als verwesterd zal worden beschouwd of als een persoon die de religieuze, morele en sociale normen heeft overschreden. Verzoeker kan niet volstaan met een algemeen betoog inzake de risico’s voor teruggekeerde verwesterde Afghanen onder verwijzing naar algemene landenrapporten en studies om aannemelijk te maken dat hij verwesterd is of als dusdanig zal worden gepercipieerd in geval van terugkeer. De Raad wijst erop ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-9/15 dat het aan verzoeker toekomt om zijn vrees voor vervolging omwille van een (toegeschreven) verwestering te concretiseren en kan slechts vaststellen dat hij daar niet in slaagt. [
] Er wordt voorts niet betwist dat Afghanen die uit Europa terugkeren naar Afghanistan door de taliban of de maatschappij met argwaan worden bekeken en kunnen worden geconfronteerd met stigmatisering, discriminatie of uitstoting. Stigmatisering, discriminatie of uitstoting kunnen echter slechts in uitzonderlijke gevallen worden beschouwd als vervolging of ernstige schade. Hetzelfde geldt voor de verwijzing van verzoeker naar algemene informatie over terugkeerders uit Europa die door hun familie worden verstoten omdat zij met schaamte en mislukking worden geassocieerd. Wat betreft de negatieve perceptie ten aanzien van terugkeerders uit het Westen blijkt nergens uit de voorhanden zijnde informatie dat dit gegeven op zich aanleiding zou geven tot daden van vervolging of ernstige schade. Dit dient samen met andere individuele elementen te worden beoordeeld (EUAA ‘Guidance Note’ van mei 2024, die verwijst naar de EASO COI query ‘Afghan nationals perceived as ‘Westernised’’, 2 september 2020 met link naar het onderzoek van F. Stahlmann). Verzoeker reikt echter in het kader van zijn beschermingsverzoek geen concrete elementen of aanwijzingen aan dat hij bij een eventuele terugkeer uit Europa door zijn familie of zijn lokale gemeenschap zou worden verstoten, laat staan dat er in zijn hoofde sprake zou kunnen zijn van een uitzonderlijke situatie die kan worden gelijkgesteld met vervolging of ernstige schade. Wat betreft verzoekers betoog in zijn verzoekschrift en eerste aanvullende nota over het leven onder talibanbewind en de talrijke mensenrechtenschendingen, wijst de Raad er nog op dat een vrees voor vervolging (of een reĂ«el risico op het lijden van ernstige schade) in concreto moet worden aangetoond. Uit de landeninformatie in het rechtsplegingsdossier blijkt weliswaar dat er in Afghanistan een repressief regime van kracht is, waarbij de sharia wordt ingevoerd en geĂŻmplementeerd en willekeurige aanhoudingen, ontvoeringen en moorden plaatsgrijpen, doch niet dat er sprake is van groepsvervolging waarbij alle Afghaanse mannen het slachtoffer worden van vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing door de taliban. Door in zijn verzoekschrift en eerste aanvullende nota louter te verwijzen naar algemene landeninformatie zonder deze informatie op zijn persoonlijke situatie te betrekken, blijft verzoeker daartoe in gebreke. Een individuele beoordeling blijft bijgevolg noodzakelijk. Uit het voorgaande is evenwel gebleken dat verzoeker niet aantoont dat hij in de actuele stand van zaken louter omwille van zijn verblijf in Europa en in BelgiĂ«, in geval van terugkeer naar zijn provincie [
], als verwesterd zal worden gepercipieerd, noch dat hij niet in staat zal zijn om zich aan te passen aan de heersende waarden en normen. Gelet op het voorgaande kan niet worden aangenomen dat verzoeker, een man van tweeĂ«ntwintig jaar die nog maar drie jaar in BelgiĂ« is en die in Afghanistan zijn vormende jaren heeft doorgebracht en er over een netwerk beschikt, dient te vrezen voor vervolging of ernstige schade omwille van een terugkeer uit Europa en/of een (toegeschreven) verwestering en/of een (toegeschreven) overschrijding van religieuze, morele en/of sociale normen.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concludeert op basis van voormelde individuele beoordeling dat verzoeker in gebreke blijft om een vrees voor vervolging (of een reĂ«el risico op het lijden van ernstige schade) in concreto aan te tonen en dat bijgevolg “in hoofde van verzoeker geen vrees voor vervolging in de zin van ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-10/15 artikel 1, A, (2), van het Verdrag van GenĂšve en artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet in aanmerking [kan] worden genomen”. Verzoeker acht het bestreden arrest tegenstrijdig gemotiveerd. Hij vindt het onverzoenbaar dat, enerzijds, de taliban een negatief beeld van hem zouden hebben omdat hij Afghanistan ontvlucht is, dat de taliban zouden denken dat hij geen islamitische waarden heeft en schandalen gecreĂ«erd heeft tegen de islam en dat Afghanen die gepercipieerd worden morele en religieuze normen te hebben overschreden hoog risico lopen om door de taliban te worden vervolgd, terwijl, anderzijds, hij die Afghanistan ontvlucht is, in Europa heeft gewoond en er om bescherming tegen de taliban heeft verzocht, dit risico niet zou lopen. Met deze kritiek gaat verzoeker voorbij aan de voormelde individuele beoordeling op grond waarvan geen vrees voor vervolging in hoofde van verzoeker wordt aangenomen. 8. In de mate dat verzoeker de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden geschonden acht doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geen nauwgezet en nauwkeurig onderzoek [heeft gevoerd] naar verzoekers daadwerkelijke grief”, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op dat de voor hem bestreden beslissing van de verwerende partij geen verwijderingsmaatregel inhoudt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest concreet: “Hoewel zulke mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM in casu buiten de eigenheid van het huidige Belgische asielrecht valt, waar de artikelen 48/3 en 48/4 van Vreemdelingenwet duidelijk omschreven voorwaarden voorzien voor de erkenning als vluchteling dan wel de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, moet de mogelijke schending van voormeld verdragsartikel alleszins grondig worden onderzocht bij het nemen van een beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten (RvS 28 september 2017, nr. 239.259; RvS 8 februari 2018, nr. 240.691; RvS 29 mei 2018, nrs. 241.623 en 241.625; RvS 28 mei 2021, nr. 250.723). Voorts dient te worden vastgesteld dat verzoeker geen andere concrete persoonlijke kenmerken en omstandigheden aantoont waaruit blijkt dat hij een reĂ«el risico loopt op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.” Verzoeker bekritiseert deze motieven niet, noch zet hij uiteen in welke mate de in het bestreden arrest gemaakte beoordeling op grond van artikel 48/4, § 2, ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-11/15 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), waarvan de bewoordingen overeenstemmen met die van artikel 3 van het EVRM, niet zou volstaan in het licht van deze laatste verdragsbepaling. Voor zover verzoeker wat de voormelde beoordeling van de situatie voor (verwesterde of als dusdanig gepercipieerde) terugkeerders naar Afghanistan betreft zijn eigen (ander) standpunt weergeeft, toont hij daarmee niet aan dat het onderzoek onvoldoende grondig en nauwgezet zou zijn gevoerd om te voldoen aan de vereisten van artikel 3 van het EVRM. Verzoeker koppelt de voorgehouden schending van artikel 13 van het EVRM enkel aan de schending van artikel 3 van het EVRM. Zijn kritiek is wat deze laatste verdragsbepaling betreft verworpen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat en in welke mate zijn beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen daadwerkelijk rechtsmiddel zou vormen. Tweede onderdeel van het enige middel 9. Verzoeker verwijt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet te zijn ingegaan op het essentiĂ«le onderdeel van zijn middel waar verzoeker van oordeel is dat een volgens het vluchtelingenrecht onjuiste standaard wordt toegepast waar wordt gesteld dat “uit de objectieve informatie heden niet blijkt dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen”. Volgens verzoeker is “[d]e vraag [
] niet of Ă©lke Afghaan die terugkeert uit Europa zal onderworpen worden aan vervolging of mishandeling, maar hoe reĂ«el de kans is dat dit gebeurt met een Afghaan die terugkeer[t] uit Europa: ‘Verzoeker dient niet aan te tonen [dat] hij ‘waarschijnlijk’ vervolgd zal worden bij terugkeer. Verzoeker dient aan te tonen dat het redelijk mogelijk is dat hij vervolgd zou worden bij terugkeer. [
]”. Door niet te antwoorden op verzoekers argumentatie, schendt het bestreden arrest de jurisdictionele motiveringsplicht en de rechten van verdediging. 10. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt in punt 2.3.9.2.2. van het bestreden arrest de situatie voor (verwesterde of als dusdanig gepercipieerde) terugkeerders naar Afghanistan in het algemeen en concludeert: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-12/15 “Uit objectieve landeninformatie blijkt heden niet dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen. Wel kunnen volgende risicoprofielen kunnen worden aangeduid: (1) personen ‘die de religieuze, morele en/of sociale normen hebben overschreden’, dan wel hiervan worden beticht, ongeacht of deze handelingen of gedragingen plaatsvonden in Afghanistan, dan wel in het buitenland en; (2) personen die ‘verwesterd’ zijn, of als dusdanig worden gepercipieerd omwille van, bijvoorbeeld, hun activiteiten, gedrag, uiterlijk en geuite meningen, dewelke kunnen worden gezien als niet-Afghaans of niet-islamitisch, waarbij dit tevens doelt op personen die terugkeren naar Afghanistan, na een verblijf in westerse landen. Niet elke Afghaan die terugkeert uit Europa zal verwesterd zijn of een verwestering worden toegedicht. Het komt aan verzoeker toe concreet aan te tonen dat hij is verwesterd dan wel als verwesterd zal worden beschouwd of als een persoon die de religieuze, morele of sociale normen heeft overschreden. Beide risicoprofielen kunnen in een zekere mate met elkaar overlappen. In het kader van een risicoanalyse van de redelijke mate van waarschijnlijkheid voor een verzoeker om bij terugkeer naar Afghanistan te worden blootgesteld aan vervolging omwille van (toegeschreven) verwestering/overschrijding van religieuze, morele of sociale normen dringt zich een individuele beoordeling op waarbij rekening moet worden gehouden met risicobepalende factoren zoals het geslacht, de leeftijd, het gebied van herkomst en de conservatieve omgeving, de duur van het verblijf in het Westen, de aard van de tewerkstelling van de verzoeker, het gedrag van verzoeker, de zichtbaarheid van de verzoeker en de zichtbaarheid van de normoverschrijding (ook voor normoverschrijdingen in het buitenland), enzovoort. Voor personen die worden beticht van 'zina', kan evenwel worden aangenomen dat deze personen in het algemeen een gegronde vrees voor vervolging kunnen laten gelden. In de EUAA ‘Country Guidance: Afghanistan’ wordt gesteld dat vervolging van personen die onder dit profiel vallen in Afghanistan kan plaatsvinden omwille van een toegeschreven politieke of religieuze overtuiging of het behoren tot een specifieke sociale groep. De richtsnoeren van EUAA kunnen worden bijgetreden (EUAA ‘Country Guidance: Afghanistan’, mei 2024, p. 57-61).” Uit de voorgaande motivering blijkt dat de door verzoeker geviseerde overweging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen louter kadert in de vaststelling dat een individueel onderzoek noodzakelijk blijft. Anders dan hoe verzoeker het ziet, eist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zodoende niet dat verzoeker zou aantonen dat hij waarschijnlijk vervolgd zal worden bij terugkeer. In punt 2.3.9.2.3. van het bestreden arrest gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens omstandig in op verzoekers concreet aangevoerde vrees en situatie wat dat betreft en besluit dat “[g]elet op het voorgaande [
] niet [kan] worden aangenomen dat verzoeker, een man van tweeĂ«ntwintig jaar die nog maar drie jaar in BelgiĂ« is en die in Afghanistan zijn vormende jaren heeft doorgebracht en er over een netwerk beschikt, dient te vrezen voor vervolging of ernstige schade omwille van een terugkeer uit Europa en/of een (toegeschreven) verwestering en/of een (toegeschreven) overschrijding van religieuze, morele en/of sociale ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-13/15 normen”. Het gaat om een concrete en omstandige motivering, waarvan verzoeker niet aantoont dat ze niet volstaat in het licht van artikel 149 van de Grondwet. Waar verzoeker in dit verband meent dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden door de voorgehouden schending van de jurisdictionele motiveringsplicht, toont hij, met zijn ongegrond bevonden kritiek, deze schending evenmin aan. 11. Waar verzoeker, zich steunend op hoger vermelde kritieken, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijt het vluchtelingenrecht verkeerd te hebben toegepast, vraagt hij in wezen een nieuwe en andere beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoeker vermag op die manier geen schending aan te tonen van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet. 12. Verzoeker voert in het opschrift van het middel de schending aan van artikel 57/1, §4 van de vreemdelingenwet, van artikel 10 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ en van arrest C-151/22 van 21 september 2023 van het Hof van Justitie, doch zet hij niet uiteen, minstens niet anders dan met de voormelde ongegrond bevonden kritiek, op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Conclusie 13. Het enige middel is in zijn twee onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig mei tweeduizend vijfentwintig, door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-14/15 Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.293 VII-42.810-15/15

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot