RvS-16299
🏛️ Raad van State
📅 2025-05-22
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.299 van 22 mei 2025
in de zaak A. 244.169/VII-42.801
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Zouhaier Chihaoui
kantoor houdend te 1083 Ganshoren
Landsroemlaan 40
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 14 februari 2025, strekt tot de
cassatie van arrest nr. 321.003 van 31 januari 2025 van de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 28 februari 2025 aangekomen ter
griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit
van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste middel
1. Verzoeker verwijst naar het door hem ingevulde IPSN-formulier
(“Identification of Persons with Specific Needs”) en het medisch verslag van 28 januari
2025. Hij voert aan dat deze documenten, “[d]oor een depressieve toestand te beschrijven,
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.299 VII-42.801-1/6
aan te geven dat verzoeker lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) veroorzaakt
door zijn levensloop, en de gedetailleerde omstandigheden van zijn levensomstandigheden in
Griekenland uiteen te zetten, […] fundamenteel de kwetsbaarheid van verzoeker aantonen”
en dat “deze elementen van aard [zijn] om de kans van verzoeker op het verkrijgen van de
vluchtelingenstatus aanzienlijk te vergroten”. Hij besluit dat het medisch attest van
28 januari 2025 een element vormt dat de kans aanzienlijk groter maakt om internationale
bescherming te krijgen in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980
‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), zodat hij artikel 57/6/2, § 1, van die wet
geschonden acht.
2. Artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet bepaalt dat, na
overzending van een volgend verzoek om internationale bescherming aan de commissaris-
generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, bij voorrang wordt onderzocht “of er
nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door verzoeker zijn voorgelegd, die de kans
aanzienlijk groter maken dat verzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel
48/3 of subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt”.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is van oordeel dat niet is
voldaan aan deze voorwaarde, hetgeen hij eerst omstandig en concreet motiveert aan de hand
van de vaststellingen in het kader van het eerste verzoek om internationale bescherming:
“Verzoeker gaf in het kader van zijn eerste verzoek om internationale bescherming
aan dat hij in goede gezondheid verkeerde, zodat hij minstens geen bijzondere
kwetsbaarheid op dit vlak vertoonde. Dit kon worden afgeleid uit de verklaringen van
verzoeker die in verschillende stukken worden vermeld, verklaringen die verzoeker op
verschillende tijdstippen en ten overstaan van verschillende diensten heeft afgelegd.
Zo werd verzoeker op 22 november 2024 aan de grenspost op de luchthaven te
Charleroi gecontroleerd door de grenspolitie die een verslag heeft opgemaakt, waarbij
geen enkele indicatie werd vermeld dat verzoeker een specifieke kwetsbaarheid zou
vertonen. In de vragenlijst die werd ingevuld tijdens de grensprocedure werd nagegaan
of verzoeker aan een ziekte lijdt die hem zou verhinderen om te reizen of om terug te
keren naar zijn land van herkomst. Verzoeker vermeldde geen medische problemen.
Op 25 november 2024 werd verzoeker een advocaat, K. Lauwens, toegewezen. Deze
kon ten allen tijde telefonisch contact opnemen met verzoeker en hem bezoeken
tijdens de bezoekuren (alle dagen van 8:00 uur tot 22:00 uur) van het transitcentrum
[…]. Hij heeft verzoeker ook bijgestaan tot de terechtzitting van de Raad van 24
december 2024 in het kader van het eerste verzoek om internationale bescherming.
Het verzoekschrift in de eerste beroepsprocedure vermeldde geen medische
problemen.
Op 3 december 2024 werd in de ‘vragenlijst ‘bijzondere procedurele noden’ DVZ’
onder meer nagegaan of er volgens verzoeker bepaalde elementen of omstandigheden
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.299 VII-42.801-2/6
zijn die het vertellen van zijn verhaal of zijn deelname aan de procedure internationale
bescherming kunnen bemoeilijken. Op vraag 29 van de ‘DVZ-verklaring’, antwoordde
verzoeker dat zijn gezondheidstoestand goed is. Tevens werden ‘bijkomende vragen’
gesteld, omdat verzoeker een ‘M-status Griekenland’ heeft, waarbij werd nagegaan of
verzoeker persoonlijke problemen heeft van medische of psychologische aard, over
medische attesten en/of documenten in dit verband beschikt, wat de impact van deze
problemen is op zijn dagelijks leven, ... Ook op de vraag of verzoeker momenteel
dringende en noodzakelijke medische zorg nodig heeft, antwoordde verzoeker van
niet.
Op 10 december 2024 werd een persoonlijk onderhoud georganiseerd door het
Commissariaat-generaal waarbij werd nagegaan of verzoeker het zag zitten om zijn
verklaringen af te leggen, wat hij bevestigde. Verzoeker had bij aanvang van het
interview ook geen opmerkingen bij het verloop van de procedure bij de Dienst
Vreemdelingenzaken of op de inhoud van de verklaring die hij daar heeft afgelegd.
Verder in het interview werd ook ingegaan op verzoekers gezondheid. Hij stelde dat
zijn gezondheidstoestand goed is, godzijdank, dat hij een sportieve man is […].
Verzoeker stelde doorheen zijn interview dat hij zeer veel zelf bekostigde door te
werken in Griekenland: zijn advocatenkosten […], zijn reis naar Egypte om zijn
dochter te bezoeken […] en zijn reis naar België […]. Hij verklaarde dat hij werkte als
schilder als hij geld nodig had […]. De belangrijkste reden voor zijn verzoek in België
lichtte hij ook toe. Hij zei dat Griekenland een doorreisland is om naar België te
kunnen komen, omdat het leven daar heel moeilijk en zwaar is: de Grieken besteden
geen aandacht aan de vluchtelingen, ze willen dat ze hun papieren krijgen en zo snel
mogelijk het land verlaten. Het verkrijgen en vernieuwen van documenten verloopt er
zeer traag en is vervelend. En ook werken is daar heel zwaar, er is geen normaal leven
en ook geen rustige toekomst. Maar het belangrijkste punt is, aldus verzoeker, dat zijn
kinderen een hoge score hebben op school. Hij heeft een droom dat zij als dokters
afstuderen. In Griekenland zal het onmogelijk zijn, omdat heel veel mensen uit
Pakistan daar zijn, heel veel druggebruikers op straat en hij ziet zijn kinderen niet
opgroeien in dat milieu […]. Verzoeker gaf zodoende ook inzicht in de belangrijkste
reden waarom hij in België zijn verzoek om internationale bescherming wil laten
onderzoeken op zijn gegrondheid.
Bij aanvang van de procedure gaf verzoeker overigens al aan dat hij zijn verzoek in
België wil indienen, omwille van de oorlog in Gaza, omdat België het beste land is dat
Palestijnse mensen opvangt en heel tolerant is. Hij regelde alles zelf van zijn reis,
kocht vliegtickets van een Pakistaan, het is een heel netwerk dat alles regelt […].
Verzoeker had de mogelijkheid om alle bewijzen bij te brengen die hij relevant achtte
voor zijn eerste verzoek om internationale bescherming, waarbij de Raad opmerkt dat
verzoeker geen documenten over zijn gezondheid relevant achtte […].”
Met betrekking tot het volgend verzoek om internationale
bescherming citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uit de voor hem aangevochten
beslissing van de verwerende partij eerst de omstandige concrete vaststellingen betreffende
verzoekers situatie in Griekenland en zijn asielmotieven, waarbij hij zich aansluit, en
vervolgens de vaststellingen over verzoekers voorgehouden bijzondere kwetsbaarheid in zijn
arrest nr. 319.313 van 30 december 2024. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
vervolgt over het medisch verslag van 28 januari 2025:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.299 VII-42.801-3/6
“Uit het medisch rapport van 28 januari 2025 kan worden afgeleid dat de arts van
mening is dat verzoeker niet in een gesloten centrum zou moeten verblijven, waarbij
wordt verwezen naar aanwezige littekens en orthopedische problemen, naast
symptomen van psychologische problemen die gelinkt zijn aan zijn vluchtrelaas en
migratieparcours. Opvallend zijn verzoekers verklaringen over zijn ervaringen in
Griekenland die haaks staan op zijn eerder afgelegde verklaringen. Zo vermeldt het
medisch rapport dat verzoeker in 2022 in Griekenland is aangekomen en anderhalf
jaar moest wachten vooraleer hij de vluchtelingenstatus heeft gekregen, dat hij nooit
verzorging heeft gekregen voor zijn chronische astma, ook niet tijdens aanvallen, dat
hij leed aan angst, droefheid, regelmatige nachtmerries en het gevoel zijn familie te
hebben verlaten, waarvoor hij nooit psychologische of psychiatrische hulp kreeg. Hij
moest na het verkrijgen van de vluchtelingenstatus het opvangcentrum verlaten en zat
zonder verblijfplaats en zonder werk, hij was dakloos. Zijn leven in Griekenland was
zeer precair, onder meer omdat hij geen werk kon vinden, omdat de werkgevers hem
weigerden omwille van zijn leeftijd. Nadat hij zijn paspoort had ontvangen, keerde hij
terug naar Egypte in de hoop zijn vrouw en zijn kinderen naar daar te brengen, maar
de grensovergang was gesloten. Bij zijn terugkeer naar Griekenland besloot verzoeker
om naar België te reizen opdat hij er een betere gezondheidstoestand zou kunnen
genieten.
Gelet op het geheel van de bovenstaande vaststellingen inzake verzoekers
gezondheidstoestand waarbij alle elementen die beschikbaar zijn in het
rechtsplegingsdossier zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen, kan de Raad
verzoeker echter niet bijtreden dat het medisch rapport van 28 januari 2025 bijzonder
relevant is en een cruciaal element vormt dat een ander licht werpt op de beoordeling
van zijn situatie bij een terugkeer naar Griekenland.”
3. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen na onderzoek van de door verzoeker bijgebrachte nieuwe
stukken en zijn verklaringen, afgewogen tegen de overige elementen van de zaak, oordeelt
dat deze niet de kans aanzienlijk groter maken dat verzoeker in aanmerking komt voor
erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/3 of 48/4
van de vreemdelingenwet. In die zin toont verzoeker geen schending aan van artikel 57/6/2,
§ 1, van de vreemdelingenwet.
In de mate dat verzoeker van mening is dat het medisch verslag van
28 januari 2025 net wel de kans aanzienlijk groter maakt dat hij in aanmerking komt voor
erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming, vraagt hij in wezen een nieuwe
beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
4. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
Tweede middel
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.299 VII-42.801-4/6
5. Het behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen om te oordelen of al dan niet essentiële elementen
ontbreken die inhouden dat hij niet kan komen tot een bevestiging of hervorming van de
aanvankelijk bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten
bevelen zoals voorzien in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, van de vreemdelingenwet. De
Raad van State vermag als cassatierechter niet deze feitelijke beoordeling over te doen.
6. Wat betreft de voorgehouden schending van artikel 3 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele
Vrijheden (hierna: EVRM) en het daarmee overeenstemmende artikel 4 van het Handvest
van de grondrechten van de Europese Unie, wijst verzoeker in essentie op rapporten over de
leefomstandigheden in Griekenland en het medisch verslag van 28 januari 2025, om te
besluiten dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geen volledig en grondig onderzoek
[heeft] uitgevoerd, zoals nochtans wordt vereist door de Europese wetgeving en
rechtspraak”.
Uit de beoordeling van het eerste middel blijkt dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk het medisch verslag van 28 januari 2025 in zijn
beoordeling heeft betrokken en concreet aangeeft waarom dit niet kan leiden tot een andere
beoordeling dan die van het vorige verzoek om internationale bescherming. De Raad voor
Vreemdelingenbetwisting betrekt eveneens in zijn beoordeling “[d]e toelichting over de
algemene situatie in Griekenland, waarbij verzoeker opnieuw benadrukt dat hij zich niet kan
voorstellen opnieuw in dergelijke omstandigheden te leven vanwege zijn kwetsbaarheid en
zijn psychologische gezondheidstoestand”. Hiervoor verwijst de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen echter onder meer naar verzoekers eerdere verklaringen over
zijn verblijf en concrete levenssituatie in Griekenland.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt aldus bij zijn
beoordeling of een schending van artikel 3 van het EVRM of van artikel 4 van het Handvest
van de grondrechten van de Europese Unie aan de orde is, zowel verzoekers medisch verslag
als zijn leefsituatie in Griekenland te hebben onderzocht, doch van oordeel te zijn dat de
aangevoerde elementen niet tot een andere beoordeling kunnen leiden dan die van het vorige
verzoek om internationale bescherming. Verzoeker toont niet aan dat het gevoerde
onderzoek te dezen onvoldoende grondig en nauwgezet zou zijn.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.299 VII-42.801-5/6
7. In de mate dat verzoeker wat de voormelde beoordeling betreft zijn
eigen (ander) standpunt weergeeft, toont hij daarmee niet aan dat het onderzoek onvoldoende
grondig en nauwgezet zou zijn gevoerd om te voldoen aan de vereisten van artikel 3 van het
EVRM. Verder treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de
zaak zelf, zodat het hem niet toekomt de door de eerste rechter gemaakte feitelijke
beoordeling over te doen.
8. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig mei
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.299 VII-42.801-6/6