RvS-16301
🏛️ Raad van State
📅 2025-05-26
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.301 van 26 mei 2025
in de zaak A. 244.478/VII-42.838
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Jonathan Waldmann
kantoor houdend te 4000 Luik
Rue Paul Devaux 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 25 maart 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 323.730 van 20 maart 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 4 april 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit
van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste middel
1. Met betrekking tot verzoekers dubbele nationaliteit overweegt de
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest:
“In de eerste plaats stipt de Raad aan dat in casu niet betwist is dat verzoeker zowel de
Algerijnse als Libische nationaliteit bezit.
In geval een verzoeker om internationale bescherming, zoals in casu, twee
nationaliteiten bezit, moet een vrees voor vervolging ten aanzien van beide landen
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.301 VII-42.838-1/4
worden aangetoond om erkend te kunnen worden als vluchteling, wat impliceert dat is
komen vast te staan dat de verzoeker in geen van beide landen, in casu Algerije en
Libië, toegang heeft tot daadwerkelijke bescherming in de zin van artikel 48/5 van de
Vreemdelingenwet. Dit volgt uit de definitie van vluchteling, volgens dewelke een
vluchteling elke persoon is ‘die (…) uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn
ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn
politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en
die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet
wil inroepen…’ en het subsidiaire karakter van internationale bescherming.
Internationale bescherming kan immers enkel worden toegekend indien de verzoeker
geen enkele aanspraak kan maken op nationale bescherming omdat het garanderen en
beschermen van de veiligheid van hun onderdanen een verplichting is van Staten.
In geval van dubbele nationaliteit slaat de term ‘land waarvan hij de nationaliteit bezit’
op elk land waarvan de verzoeker de nationaliteit bezit. Om dezelfde redenen geldt dit
ook bij de beoordeling van de nood aan subsidiaire bescherming in toepassing van
artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. De verwijzing naar ‘land van herkomst’ in
deze wetsbepaling moet eveneens begrepen worden als het land of de landen van
nationaliteit van de verzoeker om internationale bescherming.”
Verzoekers kritiek dat er een “verplichting [bestaat] om elk land
waarvan de verzoeker de nationaliteit bezit te beoordelen”, faalt naar recht. Op grond van de
beoordeling dat ten opzichte van Algerije niet kan worden besloten tot een gegronde vrees
voor vervolging in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de
toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) of tot een reëel risico op ernstige schade in de
zin van artikel 48/4 van die wet, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook op
wettige wijze oordelen dat het verzoek om internationale bescherming niet ten opzichte van
Libië moet worden onderzocht.
2. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
Tweede middel
3. In het licht van de beoordeling van het verzoek om internationale
bescherming ten aanzien van Algerije, heeft verzoeker geen belang bij zijn kritiek
betreffende de COI-rapporten over Libië. In die mate kan worden verwezen naar de
beoordeling van het eerste middel.
In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat verzoeker de
bevindingen van de verwerende partij betreffende verzoekers mogelijkheid om zijn motieven
naar behoren uiteen te zetten tijdens een persoonlijk onderhoud en betreffende de vraag of
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.301 VII-42.838-2/4
verzoeker in staat was om coherente en volwaardige verklaringen af te leggen, ongemoeid
laat. Verzoeker ontkracht deze vaststelling niet en hij kan in de graad van cassatie dus niet
voor het eerst aanvoeren dat zijn verklaringen (tegenstrijdigheden, vermeend gebrek aan
interesse) niet zouden zijn geplaatst in de context van “het traumatische parcours” dat hij zou
hebben afgelegd.
De verwerping van verzoekers asielrelaas is gesteund op de
vaststelling dat hij in België vijf jaar heeft gewacht alvorens internationale bescherming te
vragen, dat hij tijdens zijn politieverhoren nooit specifieke redenen heeft aangehaald die een
terugkeer naar Algerije zouden verhinderen, dat hij bij de Belgische politiediensten
meermaals zijn werkelijke identiteit bewust heeft verzwegen, dat hij slechts vage en
oppervlakkige verklaringen heeft afgelegd over de problemen met zijn vader en dat
verzoeker nooit meer informatie heeft gevraagd aan zijn moeder over de wijze waarop zijn
vader hem zou hebben willen vermoorden. Daarnaast worden ook een aantal
tegenstrijdigheden in verzoekers verklaringen in aanmerking genomen, die volgens het
bestreden arrest de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen over zijn problemen met
zijn vader “verder” ondergraven. Verzoeker richt zich dus slechts tegen één element van de
motieven waarop het bestreden arrest is gesteund, waarvan niet kan worden gesteld dat in het
licht van de overige motieven het de strekking van het bestreden arrest kan hebben
beïnvloed. Verder behoort de beoordeling van de bewijswaarde van verklaringen tot de
grond van de zaak, waarover de Raad van State zich als cassatierechter niet vermag uit te
spreken.
4. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
Derde middel
5. Op grond van de concrete overwegingen in punt 2.2.6. iuncto 2.2.5.
van het bestreden arrest is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel dat
verzoeker geen reëel risico op het lijden van ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de
vreemdelingenwet aannemelijk maakt in geval van een terugkeer naar Algerije. Verzoeker
geeft niet aan waarom, en toont a fortiori niet aan dat, hem desalniettemin het voordeel van
de twijfel had moeten worden gegund.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.301 VII-42.838-3/4
In de mate dat verzoeker verwijst naar bedreigingen en de instabiele
situatie in Libië, blijkt uit de beoordeling van het eerste middel dat hij hier geen belang bij
heeft.
6. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig mei
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.301 VII-42.838-4/4