RvS-16302
đïž Raad van State
đ
2025-05-26
đ FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 29 juli 1991, 30 november 2006, Grondwet
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.302 van 26 mei 2025
in de zaak A. 244.498/VII-42.842
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Farah Halli
kantoor houdend te 2000 Antwerpen
Terninckstraat 13/C1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 27 maart 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 322.404 van 25 februari 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 4 april 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit
van 30 november 2006 âtot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van Stateâ.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste middel
1. Met betrekking tot de vraag of verzoeker bij terugkeer naar
Bulgarije, waar hem de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend, zal worden
blootgesteld aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin
van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de
Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) en het daarmee overeenstemmende artikel 4 van
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.302 VII-42.842-1/5
het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, onderzoekt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen of in Bulgarije sprake is van âtekortkomingen die hetzij
structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen rakenâ, waarbij deze
âtekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikenâ. Na
omstandig onderzoek van het rapport âAIDA Bulgarije update 2023â besluit de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen over de algemene situatie in Bulgarije:
âUit de door de beide partijen bijgebrachte landeninformatie blijkt dat er in Bulgarije
sprake is van een precaire situatie waardoor de grootste voorzichtigheid en
zorgvuldigheid zijn geboden bij de beoordeling van beschermingsverzoeken van
statushouders in Bulgarije. De situatie voor statushouders in en bij terugkeer naar
Bulgarije is ernstig en moeilijk, hetgeen onder andere het gevolg is van de
administratieve obstakels waarmee zij worden geconfronteerd waardoor zij in zware
en schrijnende levensomstandigheden kunnen terecht komen met belemmeringen
inzake de toegang tot huisvesting en de bijna onbestaande beschikbaarheid van
integratieprogrammaâs. Echter, er kan niet worden afgeleid dat de situatie van
personen die er internationale bescherming hebben gekregen dermate ernstig is dat zij
bij een terugkeer naar dat land a priori een reëel risico lopen om terecht te komen in
een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie waar de Bulgaarse autoriteiten
onverschillig tegenover (zouden) staan en een individuele beoordeling van hun situatie
niet meer nodig is.â
Na verzoekers individuele situatie te hebben onderzocht aan de hand
van de door verzoeker ingeroepen concrete elementen, besluit de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen:
âDe verzoekende partij brengt geen concrete elementen aan waaruit blijkt dat zij
buiten haar wil en haar persoonlijke keuzes om, terechtkomt of terecht is gekomen in
een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die haar niet in staat stelt om te
voorzien in haar meest elementaire behoeften. De Raad kan slechts vaststellen dat de
verzoekende partij op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zij in
Bulgarije alle mogelijke middelen zou hebben uitgeput om haar rechten als
begunstigde van internationale bescherming te doen laten gelden.
In voorliggend geval blijkt, na een individueel en inhoudelijk onderzoek van het
geheel van de elementen die voorliggen, dat de verzoekende partij niet aantoont dat de
bescherming die haar in Bulgarije verleend werd, ontoereikend zou zijn.
Gelet op de vaststellingen die in de bestreden beslissing gedaan worden en in acht
genomen wat voorafgaat, heeft de verzoekende partij aldus niet in concreto
aannemelijk gemaakt dat zij zich niet langer zou kunnen beroepen op de bescherming
die haar reeds werd toegekend in Bulgarije, dat de bescherming die haar in Bulgarije
verleend werd, ontoereikend zou zijn. De verzoekende partij kan evenmin in alle
redelijkheid stellen dat er in haar hoofde sprake is van buitengewone omstandigheden
die ertoe kunnen leiden dat zij wegens een bijzondere kwetsbaarheid, buiten haar wil
en persoonlijke keuzes om, in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie
terecht zal komen, die haar niet in staat stelt om te voorzien in haar meest elementaire
behoeften en negatieve gevolgen zou hebben voor haar fysieke of mentale gezondheid
of haar in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.302 VII-42.842-2/5
menselijke waardigheid, noch dat zij zou worden blootgesteld aan onmenselijke en
vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en van artikel 4
van het Handvest. De verzoekende partij toont op geen enkele wijze aan dat zij
verhinderd was om in Bulgarije in haar elementaire levensbehoeften te voorzien of om
er aanspraak te kunnen maken op bepaalde basisvoorzieningen. Alles samengenomen
is de Raad van oordeel dat de verzoekende partij geen elementen heeft aangebracht
waaruit blijkt dat van haar niet redelijkerwijs zou kunnen worden verwacht dat zij zich
beroept op de beschermingsstatus die haar in Bulgarije reeds werd toegekend.â
2. Verzoeker toont niet aan dat de desbetreffende motivering van het
bestreden arrest âgebrekkig en ontoereikendâ is, noch dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen âde aangevoerde elementen onvoldoende [heeft] onderzocht en
zich voornamelijk [heeft] gebaseerd op algemene veronderstellingen, zonder daadwerkelijk
rekening te houden met de individuele omstandigheden van de verzoekerâ. Hij maakt dan
ook niet aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onvoldoende
grondig en nauwgezet onderzoek zou hebben gevoerd naar een mogelijke schending van
artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie.
3. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
Tweede middel
4. Zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf overweegt,
wordt met het bestreden arrest enkel uitspraak gedaan over de vraag of verzoeker voldoet
aan de voorwaarden om in België te worden erkend als vluchteling of om de subsidiaire
beschermingsstatus te verkrijgen. Artikel 8 van het EVRM en artikel 22 van de Grondwet
houden hier geen verband mee. Het bestreden arrest bevat geen verwijderingsmaatregel.
5. Het tweede middel is kennelijk niet ontvankelijk.
Derde middel
6. Noch artikel 62 van de wet van 15 december 1980 âbetreffende de
toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingenâ, noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 âbetreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingenâ zijn van toepassing op jurisdictionele
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.302 VII-42.842-3/5
beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te deze uitspraak met
hervormingsbevoegdheid is gedaan.
Het recht van verdediging houdt geen verband met de jurisdictionele
motiveringsplicht.
7. Uit de beoordeling van het eerste middel blijkt reeds dat de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen zowel de algemene situatie voor vluchtelingen in Bulgarije
heeft onderzocht als verzoekers persoonlijke situatie. Verzoeker laat gelden dat uit zijn
verklaringen voldoende is gebleken âdat hij voldoende redenen had en heeft om minstens te
vermoeden dat zijn leven en/of vrijheid in gevaar is in het land van herkomstâ en dat hij âzijn
gegronde vrees duidelijk heeft gemaaktâ, doch hij toont daarmee niet aan dat het bestreden
arrest niet zou voldoen aan de vereisten van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte
jurisdictionele motiveringsplicht.
8. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
Vierde middel
9. Verzoeker voert aan dat hij âbij terugkeer naar Bulgarije een reĂ«el
risico loopt op ernstige schade als gevolg van het voortdurende conflict en bedreigingenâ,
dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daar geen rekening mee heeft gehouden, dat
âhet voorgaande volledig kadert in een gevaar conform art. 3 EVRMâ, dat aan alle
voorwaarden van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet is voldaan, en dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen âin ieder geval het statuut van subsidiaire bescherming had
moeten toekennen aan verzoekerâ.
Met de voormelde kritiek vraagt verzoeker in wezen een nieuwe
beoordeling ten gronde wat het al dan niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus
betreft, doch de Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak
zelf.
Verder gaat verzoeker voorbij aan de desbetreffende motivering van
het bestreden arrest, zoals deze reeds uit de beoordeling van het eerste middel supra blijkt.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.302 VII-42.842-4/5
10. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig mei
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.302 VII-42.842-5/5