Naar hoofdinhoud

RvS-16315

🏛️ Raad van State 📅 2025-06-16 🌐 FR Beschikking vernietigd

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.315 van 16 juni 2025 in de zaak A. 244.734/VII-42.876 In zake : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tine Bricout en Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXXXX ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 april 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 323.745 van 21 maart 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 13 mei 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. Naar luid van artikel 39/56 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) moet de vreemdeling die een in artikel 39/2 van die wet bedoeld beroep instelt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, doen “blijken van een benadeling of van een belang”. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.315 VII-42.876-1/3 Het behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter vast te stellen of de betrokken vreemdeling al dan niet blijk geeft van het vereiste belang, voor zover de inhoud van dat begrip niet wordt geschonden met de gemaakte beoordeling. Met haar stelling dat “door de rechter in vreemdelingenzaken diende te worden vastgesteld dat verweerder kennelijk een gebrek aan interesse vertoont in de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gevoerde procedure”, vraagt de verzoekende partij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. De verzoekende partij toont daarmee geen schending aan van artikel 39/56 van de vreemdelingenwet. 2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt enkel “dat de partijen geen duidelijkheid kunnen verschaffen of verzoeker zich al dan niet in België bevindt”, dat het verzoek om internationale bescherming “slechts nuttig [kan] worden onderzocht en beoordeeld mits er zekerheid is dat verzoeker nog in België is”, dat hij niet bevoegd is om dit laatste zelf te onderzoeken en dat het hem dus aan essentiële elementen ontbreekt om de voor hem aangevochten beslissing te bevestigen of te hervormen zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen, zodat hij die beslissing vernietigt en de zaak terugzendt naar de verwerende partij. De voormelde motivering is duidelijk en kan het bestreden arrest dragen. In het licht van die motieven vereist de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook reeds zou aangeven waarom in hoofde van de vreemdeling “alsnog sprake kon zijn van het vereiste voortdurende en ononderbroken belang”, zoals de verzoekende partij voorhoudt. 3. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel 4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid doet, oordeelt soeverein of hij al dan niet over de vereiste elementen ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.315 VII-42.876-2/3 beschikt om de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende partij te bevestigen of te hervormen zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de zaak terugzendt naar de verwerende partij om in de eerste plaats na te gaan of de vreemdeling, thans verweerder, al dan niet in België verblijft, vormt geen schending van de door de verzoekende partij aangehaalde bepalingen. 5. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zestien juni tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.315 VII-42.876-3/3

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot