Naar hoofdinhoud

RvS-16337

🏛️ Raad van State 📅 2025-06-26 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet, gw

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.337 van 26 juni 2025 in de zaak A. 244.719/VII-42.873 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Annelies Nachtergaele kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 april 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 323.571 van 19 maart 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 13 mei 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingebetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.337 VII-42.873-1/5 gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. In antwoord op verzoekers stelling dat, indien de beslissing tot weigering van de visumaanvraag van verzoekers moeder wordt vernietigd, ook de weigeringsbeslissingen inzake verzoeker en zijn meerderjarige broers moeten worden vernietigd, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “In het eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat zijn moeder eveneens een visumaanvraag indiende. Verzoeker betoogt dat tegen de beslissing tot weigering van de visumaanvraag van zijn moeder een afzonderlijk beroep werd ingediend (gekend bij de Raad onder het nummer RvV […]), zodat, in het geval van vernietiging van die beslissing, ook de weigeringsbeslissing ten aanzien van verzoeker moet worden vernietigd. De Raad merkt op dat dit niet noodzakelijk het geval is. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de moeder van de referentiepersoon (verzoekers jongere broer), een visumaanvraag indiende met het oog op gezinshereniging, als ouder van een begunstigde van een internationale beschermingsstatus die als minderjarige naar België kwam; op grond van artikel 10, §1, 7°, van de vreemdelingenwet (dat de omzetting vormt van artikel 10 van de Gezinsherenigingsrichtlijn). De verzoeker in de huidige zaak kan niet steunen op een recht op gezinshereniging overeenkomstig artikel 10 van de vreemdelingenwet. Het is in de huidige zaak niet betwist dat de visumaanvraag een humanitair visum betreft, overeenkomstig artikel 9 van de vreemdelingenwet. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire appreciatiebevoegdheid. Al zijn er geen specifieke regels die deze appreciatiebevoegdheid reguleren, zal de overheid daarbij rekening moeten houden met ruimere rechtsregels, zoals artikel 8 van het EVRM.” Met de voorgaande motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom een vernietiging van de weigeringsbeslissing betreffende de door verzoekers moeder ingediende visumaanvraag niet noodzakelijk moet leiden tot de vernietiging van de weigeringsbeslissing in hoofde van verzoeker zelf. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. 2. Verzoeker acht artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geen afdoende toetsing” aan deze verdragsbepaling zou hebben gemaakt en geen rekening zou hebben gehouden met “de gewijzigde familiale situatie van verzoeker ten gevolge van het arrest van 19 maart 2025 […] dat de weigeringsbeslissingen t.a.v. de moeder en de minderjarige broers van verzoeker ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.337 VII-42.873-2/5 vernietigt”, hoewel “deze aanvragen en die van verzoeker als samenhangend [dienen] te worden beschouwd, gelet op alle elementen die werden uiteengezet in de begeleidende brief bij hun visumaanvraag en op de vaststelling dat de visumaanvragen samen werden ingediend”. Met het bestreden arrest beoordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter de wettigheid van de op 17 oktober 2023 in hoofde van verzoeker genomen beslissing tot weigering van de afgifte van een visum. Hij vermocht in zijn beoordeling ex tunc van die beslissing derhalve geen rekening te houden met een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 19 maart 2025 tot vernietiging van een weigeringsbeslissing die was genomen in hoofde van verzoekers moeder (en haar minderjarige kinderen). Hoe dan ook voert verzoeker enkel aan dat de weigeringsbeslissing inzake de visumaanvraag van verzoekers moeder is vernietigd, niet dat een positieve beslissing over die aanvraag is genomen. Verzoekers betoog dat dientengevolge aan de moeder en de minderjarige kinderen alsnog een visum ”kan” worden toegekend, hetgeen ertoe “kan” leiden dat de gezinsband tussen verzoeker, zijn moeder en minderjarige broers wordt tenietgedaan, wat volgens hem strijdig “zou kunnen” zijn met artikel 8 van het EVRM, is louter hypothetisch en doet geen afbreuk aan de voorgaande vaststelling. In de mate dat verzoeker naar de familiale band met zijn moeder als dusdanig verwijst, dient te worden gewezen op de volgende overwegingen in het bestreden arrest: “De huidige zaak betreft een meerderjarige man die zijn broer in België wil vervoegen. De broer is in België aangekomen in 2020 en is inmiddels ook meerderjarig. Zij zijn aldus beiden meerderjarig en leven reeds meerdere jaren van elkaar gescheiden. […] Uit het betoog van verzoeker blijkt niet dat er in casu sprake zou zijn van bijzondere elementen van afhankelijkheid tussen verzoeker en zijn broer, die de gewone affectieve banden tussen broers zouden overstijgen. Verzoekers betoog met betrekking tot de Afghaanse documenten die de familiebanden moeten aantonen, is niet gericht op de beoordeling in de huidige zaak, maar lijkt eerder betrekking te hebben op de weigering van het verzoek om gezinshereniging van de moeder, in de reeds genoemde zaak RvV […]. Verzoekers betoog in dit verband doet geen afbreuk aan de motieven van de thans bestreden beslissing. Immers, zelfs indien de familiale banden tussen verzoeker en zijn broer in België worden aangenomen, doet dit geen afbreuk aan het motief dat er niet afdoende humanitaire elementen zijn die de afgifte van het humanitair visum kunnen rechtvaardigen. Ondanks verzoekers kritiek is het motief dat hij in het land van herkomst niet familiaal geïsoleerd is, aangezien er meerdere broers en zussen aanwezig zijn, correct. Verzoeker geeft zelf aan dat hij drie zussen heeft in Afghanistan die gehuwd zijn en de huidige aanvraag werd niet alleen tezelfdertijd ingediend als de aanvraag van zijn moeder en drie minderjarige broers, maar ook samen met nog drie andere meerderjarige broers van verzoeker. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.337 VII-42.873-3/5 Er wordt ook gemotiveerd dat er geen bewijs is van financiële of materiële steun, noch van een medische problematiek. Er werden visumaanvragen ingediend voor acht personen (enerzijds de moeder en drie minderjarige broers, anderzijds voor vier meerderjarige broers, waaronder verzoeker). De bestreden beslissing motiveert dat het niet aannemelijk is dat de persoon in België, een twintigjarige die interim-arbeid verricht, zou instaan voor het gezin van acht personen. Dit wordt betwist door de verzoeker, die in zijn middel verwijst naar geldtransacties van de referentiepersoon aan zijn gezin. De Raad acht het geenszins onmogelijk dat de broer in België zijn familie in Afghanistan financieel heeft geholpen. Daaruit volgt echter niet dat de vier broers, die meerderjarig zijn, in goede gezondheid en niet familiaal geïsoleerd zijn, niet in staat zouden zijn in Afghanistan een inkomen te verkrijgen. Verzoeker maakt dan ook niet aannemelijk dat er sprake is van een band van afhankelijkheid van zijn broer die onder de bescherming valt van artikel 8 van het EVRM.” De vaststelling in het bestreden arrest dat verzoeker zijn visumaanvraag heeft ingediend teneinde zijn broer te vervoegen, behoort tot de grond van de zaak. In het bestreden arrest wordt met verwijzing naar verzoekers meerderjarige zussen in Afghanistan en naar verzoekers overige broers ook vastgesteld dat verzoeker niet familiaal is geïsoleerd. De Raad van State vermag deze door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling niet over te doen vermits hij als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. 3. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel 4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen komt in het bestreden arrest tot de volgende conclusie met betrekking tot de toepassing van artikel 3 van het EVRM: “Verzoeker, die zich niet op het Belgische grondgebied bevindt, toont niet aan dat hij in casu onder de territoriale rechtsmacht van de Belgische staat ressorteert. Het louter nemen van een weigeringsbeslissing in antwoord op een visumaanvraag, volstaat niet opdat hiervan sprake zou zijn. Evenmin toont verzoeker concreet aan dat er bijzondere omstandigheden voorhanden zijn, die alsnog zouden kunnen leiden tot de conclusie dat de Belgische staat extraterritoriale rechtsmacht ten aanzien van hem uitoefent. Aangezien verzoeker niet aantoont dat de Belgische staat enige rechtsmacht, in de zin van artikel 1 van het EVRM, ten aanzien van hem uitoefent, kan hij de verantwoordelijkheid van de Belgische overheid, in het licht van artikel 3 van het EVRM, niet inroepen (EHRM 5 mei 2020, nr. 3599/18, M.N. e.a. t. België). Hij kan zich dan ook niet dienstig beroepen op deze bepaling in het onderhavige beroep.” ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.337 VII-42.873-4/5 Uit deze beoordeling blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers kritiek als zou de weigering van zijn visumaanvraag onvoldoende gemotiveerd zijn in het licht van artikel 3 van het EVRM en “bijgevolg” een schending van de materiëlemotiveringsplicht inhouden, verwerpt. Verzoeker toont in die mate geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet 5. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig juni tweeduizend vijfentwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.337 VII-42.873-5/5

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot