Naar hoofdinhoud

RvS-16346

🏛️ Raad van State 📅 2025-07-03 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 29 juli 1991, 30 november 2006

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.346 van 3 juli 2025 in de zaak A. 244.816/VII-42.891 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies Van Den Bruel kantoor houdend te 2300 Turnhout Wouwerstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 mei 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 325.349 van 17 april 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 23 mei 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beroepen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak is gedaan met hervormingsbevoegdheid over ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.346 VII-42.891-1/3 een beroep tegen de weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. Verder vraagt verzoeker in de uiteenzetting van het middel wat de door hem afgelegde verklaringen betreft, wat zijn “verwestering” betreft, en wat de risico’s voor (jonge) verwesterde personen bij een terugkeer naar Afghanistan betreft, in wezen een nieuwe en andere beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoeker vermag op die manier geen schending aan te tonen van de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet). Voor zover verzoeker meent dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou voldoen aan zijn eigen motiveringsplicht, geeft hij niet aan in welke mate het bestreden arrest concreet geen afdoende antwoord zou geven op verzoekers argumenten inzake de problemen met de taliban. 2. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel 3. Verzoeker acht de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) geschonden omdat “iedere terugkeer naar Afghanistan vanuit het Westen een risico inhoudt voor het leven of onmenselijke behandeling”, doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest beslist dat “een terugkeer niet zodanige vrees met zich meebrengt”. Zoals verzoeker terecht opmerkt, wordt met het bestreden arrest geen uitspraak gedaan over een verwijderingsmaatregel. In de mate dat de inhoud van artikel 3 van het EVRM overeenstemt met artikel 48/4 van de vreemdelingenwet, beperkt verzoeker zich tot een algemene stelling waarmee hij geen schending aantoont van de voornoemde verdragsbepalingen. 4. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.346 VII-42.891-2/3 Derde middel 5. Met de algemene herhaling van zijn eigen standpunt toont verzoeker geen schending aan van de artikelen 9 en 10 van het EVRM. 6. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie juli tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.346 VII-42.891-3/3

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot