RvS-16347
🏛️ Raad van State
📅 2025-07-03
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 29 juli 1991, 30 november 2006, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.347 van 3 juli 2025
in de zaak A. 244.593/VII-42.852
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Meral Kalin
kantoor houdend te 3520 Zonhoven
Hulsbergweg 7A
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 8 april 2025, strekt tot de cassatie van
arrest nr. 322.699 van 28 februari 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 15 april 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Verzoeker voert met betrekking tot de toestand in Afghanistan in
essentie aan dat, “[h]oewel er in de beschikbare landeninformatie zelf wordt gewezen op de
pijnpunten van de beschikbare informatie, […] de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in
[zijn] arrest echter geen of alleszins niet afdoende uitleg [geeft] waarom [h]ij ondanks deze
vaststellingen alsnog […] tot de conclusie komt dat er wel actuele betrouwbare informatie is
en […] [zijn] stelling niet afdoende [motiveert], terwijl dit […] onder meer de kern van het
betoog van verzoeker betreft”. Verzoeker stelt “dat er geen afweging en onderzoek van de
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.347 VII-42.852-1/6
argumenten die door verzoeker werden aangehaald in het verzoekschrift en de aanvullende
nota heeft plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich op basis van
een onvoldoende motivering volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing
aansluit”.
2. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn, evenmin als de
materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van
behoorlijk bestuur, niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden
arrest waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, te dezen met
hervormingsbevoegdheid, uitspraak heeft gedaan over een beroep tegen een beslissing
waarmee de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus werden geweigerd aan
verzoeker.
3. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door
artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied,
het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet)
aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht
heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de
voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet
die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele
motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een
gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de
motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering
een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken,
maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke
motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet
antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd,
maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt in punt 3.3.4.
van het bestreden arrest eerst in het algemeen op verzoekers kritiek over een voorgehouden
gebrek aan objectieve en betrouwbare informatie over de situatie in Afghanistan. Hij stelt
weliswaar vast dat in vergelijking met de periode voor de machtsovername door de taliban
“heden mindere gedetailleerde en betrouwbare informatie over de situatie in Afghanistan
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.347 VII-42.852-2/6
voorhanden is” doch hij vervolgt dat de berichtgeving niet is gestopt, dat tal van bronnen nog
beschikbaar zijn en dat er nieuwe zijn verschenen, zoals blijkt uit de voorgelegde
landeninformatie, en dat het gaat om informatie afkomstig van experten, analisten en
instellingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is van oordeel “dat er wel degelijk
voldoende informatie voorhanden is om de nood aan internationale bescherming, zowel op
grond van artikel 48/3 als op grond van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, te analyseren”.
Vanaf pagina 21 van het bestreden arrest gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
uitgebreid in op de situatie in Afghanistan sedert de machtsovername door de taliban, zich
daarbij steunend op bronnen van augustus 2022, van juni en december 2023 en van
november 2024, waarbij ook het gebrek aan informatie en duidelijkheid over een aantal
elementen aan bod komt. Hij besluit hieruit dat “heden niet [blijkt] dat in het algemeen kan
worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf
aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen” doch enkel voor
personen die ofwel verwesterd zijn dan wel als verwesterd worden beschouwd ofwel de
religieuze, morele of sociale normen hebben overschreden. Vervolgens wordt omstandig en
op concreet gemotiveerde wijze uiteengezet waarom verzoeker niet voldoet aan één van de
beide laatste categorieën, waarbij zowel naar verzoekers verklaringen en voorgehouden
situatie als naar algemene informatie wordt verwezen. De Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen sluit zich niet enkel aan bij de motieven van de voor hem
bestreden beslissing maar ontwikkelt dus ook eigen motieven waarna hij besluit dat “verzoeker
niet aannemelijk [maakt] dat hij bij terugkeer naar Afghanistan gezien zal worden als iemand
die de sociale normen niet respecteert en dat hij daarom in die zin een risico loopt om vervolgd
te worden”.
Wat de specifieke beoordeling in het licht van artikel 48/4 van de
vreemdelingenwet betreft, gaat verzoeker voorbij aan de omstandige motivering in punt 3.3.5.
van het bestreden arrest betreffende de drie in artikel 48/4, § 2, van de vreemdelingenwet
voorziene gevallen. Naast de verwijzing naar de eerder besproken landeninformatie over de
situatie in Afghanistan, werkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook op dit vlak de
motivering concreet en omstandig uit, met name wat de veiligheidssituatie betreft, en besluit
hij dat “[u]it de beschikbare landeninformatie […] niet [blijkt] dat het geweld […] [in de
provincie waaruit verzoeker afkomstig is] een hoog niveau bereikt, waardoor er een hogere
mate aan persoonlijke omstandigheden vereist is om aan te nemen dat een burger, wanneer hij
terugkeert naar het grondgebied, een reëel risico zou lopen op een ernstige bedreiging van zijn
leven of vrijheid”. Met de uitgebreide verwijzingen naar en bespreking van landeninformatie
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.347 VII-42.852-3/6
die onder meer dateert van november 2024, maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
duidelijk waarom hij van oordeel is dat hij, anders dan verzoeker voorhoudt, wel over
voldoende informatie beschikt om zich uit te spreken over het verzoek om internationale
bescherming.
Verzoeker toont derhalve geen schending aan van de in artikel 149
van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele
motiveringsplicht.
5. Ten slotte verwijst verzoeker naar de “meer dan voldoende stukken”
die hij overlegde aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omtrent zijn mentale
gezondheidstoestand en stelt dat deze laatste verzoekers mentale problematiek in vraag stelt
en oordeelt dat de ernst ervan niet is aangetoond. Deze kritiek betreft evenwel de bewijswaarde
van stukken, die behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de
beoordeling van de zaak zelf.
In de mate dat verzoeker aanvoert dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen niet antwoordt op zijn argumenten omtrent zijn mentale
gezondheidstoestand en zodoende de jurisdictionele motiveringsplicht schendt, gaat hij wat
dat betreft voorbij aan de concrete en duidelijke motivering uit het bestreden arrest. In
antwoord op verzoekers kritiek dat onvoldoende rekening werd gehouden met zijn kwetsbaar
profiel bij de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming overweegt de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen met name dat:
“De Raad kan aannemen dat het feit dat verzoeker zijn gezin diende te verlaten op het
moment dat hij dertien, bijna veertien, jaar oud was een impact heeft gehad op zijn
mentaal welzijn, doch in casu liggen geen stukken voor waaruit kan blijken dat
verzoekers oordeelsvermogen ten gevolge van een opgelopen trauma dermate is
aangetast dat hij niet in staat zou zijn om correcte en volledige verklaringen af te leggen
in het kader van zijn beschermingsaanvraag. Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift aan
dat hij van plan is naar een psycholoog te gaan omdat hij zich niet zo goed in zijn vel
voelt en legt bij aanvullende nota een document neer waaruit blijkt dat hij sinds
13 juni 2024 in begeleiding is bij een therapeut, alsook een toelating van de
verantwoordelijke van het opvangcentrum om op 10 oktober 2024 op individuele
psychologische consultatie te gaan […]. Deze stukken, waarin overigens niets wordt
vermeld omtrent de aard of ernst van verzoekers psychologische problemen, kunnen
niet staven dat verzoeker op het moment van zijn persoonlijk onderhoud bij het CGVS
op 2 augustus 2023 reeds in behandeling was bij een therapeut of psycholoog.
Verzoeker legt verder geen stukken voor waaruit blijkt dat van hem, in het kader van
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.347 VII-42.852-4/6
zijn verzoek om internationale bescherming, geen volwaardige verklaringen konden of
mochten verwacht worden omwille van zijn psychologische kwetsbaarheid. Evenmin
gaf verzoeker of zijn voogd tijdens dan wel na afloop van zijn persoonlijk onderhoud
op het CGVS aan dat hij enig medisch of psychologisch probleem ervoer dat hem ertoe
verhinderde zijn relaas naar behoren uiteen te zetten en de hem gestelde vragen correct
en volledig te beantwoorden. Ook verzoekers advocaat heeft op geen enkel moment te
kennen gegeven dat verzoeker omwille van zijn kwetsbaar profiel niet in staat zou zijn
om deel te nemen aan de onderhavige procedure.
Gelet op de voorgaande vaststellingen, beperkt verzoeker zich in het verzoekschrift tot
het uiten van loutere kritiek waar hij stelt dat noch tijdens het persoonlijk onderhoud,
noch bij de beoordeling van zijn asielrelaas voldoende rekening werd gehouden met zijn
jonge leeftijd en kwetsbaar profiel, zonder in concreto aan te tonen dat, in welke zin of
op welk moment zijn leeftijd en mentale gezondheidstoestand een volwaardige
deelname aan de procedure zouden hebben verhinderd.”
Daarnaast verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar
landeninformatie om de perceptie in Afghanistan ten aanzien van personen met mentale
gezondheidsproblemen te bespreken en overweegt hij dat:
“Aangaande verzoekers mentale moeilijkheden en zijn nood aan mentale ondersteuning,
waarvan melding wordt gemaakt in voormelde verklaringen van een leerkracht en
begeleider van verzoekers school en ter staving waarvan hij een schrijven van het Rode
Kruis en een attest van therapeutische begeleiding bijbrengt […], merkt de Raad op dat
in de ‘Country Guidance: Afghanistan’ van EUAA van mei 2024 wordt gesteld dat
personen met een fysieke handicap en personen met mentale gezondheidsproblemen
vaak gestigmatiseerd worden in Afghanistan. Hun fysieke of mentale toestand wordt
vaak beschouwd als verbonden met Gods wil en mishandeling van deze personen door
de gemeenschap en/of door hun families komt voor. Vrouwen, ontheemden en
teruggekeerde migranten met mentale gezondheidsproblemen zijn in het bijzonder
kwetsbaar. Niet elke persoon met een ernstige ziekte of mentale gezondheidsproblemen
riskeert vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin. Bij de individuele beoordeling van
de mate van waarschijnlijkheid dat verzoeker in geval van terugkeer vervolging riskeert
omwille van zijn psychologische moeilijkheden moet rekening worden gehouden met
risicoverhogende factoren zoals de aard en visibiliteit van deze problemen, de negatieve
perceptie van zijn situatie door zijn familie, etc. (EUAA, ‘Country Guidance:
Afghanistan’, p. 92-94). Zoals hoger reeds opgemerkt, kan uit de door verzoeker
neergelegde stukken niets blijken omtrent de aard of de ernst van de problemen
waarvoor hij therapeutisch wordt opgevolgd. In zoverre verzoeker blijk geeft van een
zwakke mentale weerbaarheid, kan niet worden aangenomen dat hij hierdoor niet in
staat zal zijn om zich bij terugkeer naar zijn land van herkomst aan te passen aan de
aldaar geldende normen en verwachtingen of dat hij hierdoor in de negatieve aandacht
van de samenleving of de taliban zal komen.”
Verzoeker zet niet anders uiteen dan met de algemene bewering van
het tegendeel waarom de voormelde motivering “gebrekkig” zou zijn en toont derhalve geen
schending aan van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.347 VII-42.852-5/6
6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie juli tweeduizend vijfentwintig,
door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.347 VII-42.852-6/6