RvS-16348
🏛️ Raad van State
📅 2025-07-03
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.348 van 3 juli 2025
in de zaak A. 244.682/VII-42.868
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Jonathan Waldmann
kantoor houdend te 4000 Luik
Rue Paul Devaux 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door
de minister van Asiel en Migratie
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 21 april 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 323.573 van 19 maart 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 9 mei 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste onderdeel van het enige middel
1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde
verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een
vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter
duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of
onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.348 VII-42.868-1/5
Het bevel om het grondgebied te verlaten van 28 november 2023
vermeldt dat verzoeker het grondgebied van België dient te verlaten, evenals het grondgebied
van de staten die het Schengenacquis ten volle toepassen.
Waar verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel
liet gelden dat hij België heeft verlaten en in Spanje een verblijfsaanvraag heeft ingediend,
kon in het bestreden arrest worden volstaan met de motivering dat “uit deze aanvraag in ieder
geval niet [blijkt] dat verzoeker het Schengengrondgebied zou hebben verlaten, zoals hem
werd opgelegd in het bevel van 28 november 2023”, dat niet blijkt “welk gevolg aan deze
aanvraag werd gegeven, noch of verzoeker in het bezit werd gesteld van enig
verblijfsdocument omwille van deze aanvraag” en dat verzoekers advocaat hierover ook ter
terechtzitting “geen verdere informatie” verschaft. Verzoeker toont in het licht van deze
motivering geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of artikel 74/11, § 1, van de
wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet).
2. Het zorgvuldigheidsbeginsel is niet van toepassing op jurisdictionele
beslissingen zoals het bestreden arrest.
3. Volgens verzoeker mocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
niet aanvaarden dat verzoeker geen termijn voor vrijwillig vertrek om het grondgebied te
verlaten kreeg. De beslissing die met het bestreden arrest wordt beoordeeld is echter enkel de
beslissing van 13 juni 2024 tot het opleggen van een inreisverbod en niet de eigenlijke
verwijderingsbeslissing, zijnde de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten
van 13 juni 2024.
4. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze artikel 39/79 van de
vreemdelingenwet zou zijn geschonden met het bestreden arrest.
Tweede onderdeel van het enige middel
5. Artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten
van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) is niet van toepassing op
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.348 VII-42.868-2/5
geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering van vreemdelingen.
6. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie betreft het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, bij een onafhankelijk en
onpartijdig gerecht. Verzoeker zet nergens uiteen waarom de door hem bij de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen ingestelde vordering tot schorsing en beroep tot nietigverklaring,
die tot het bestreden arrest hebben geleid, niet zouden voldoen aan de voorwaarden van het
voornoemde artikel 47. In de mate dat verzoeker bedoelt dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte zou hebben aangenomen dat zijn hoorrecht niet werd
geschonden alvorens de beslissing tot het opleggen van een inreisverbod in zijnen hoofde werd
genomen, vraagt hij een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als
cassatierechter niet bevoegd is. De Raad van State vermag zich als cassatierechter niet in de
plaats van de annulatierechter te stellen om zelf na te gaan of verzoeker op afdoende wijze
werd gehoord.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt in punt 2.2.2. van
het bestreden een omstandige beoordeling van de vraag of verzoeker op voldoende wijze werd
gehoord, die is toegespitst op de concrete omstandigheden van de zaak. Hij besluit:
“Hieruit blijkt dat de vraagstelling aan verzoeker verliep overeenkomstig het ‘formulier
ter bevestiging van het horen van een vreemdeling’ dat zich in het administratief dossier
bevindt. Verzoeker werd ondervraagd over het doel en de omstandigheden van zijn
verblijf in België, mogelijke redenen die zich verzetten tegen een terugkeer, zijn
gezondheidstoestand en de aanwezigheid van familie. Er kan bezwaarlijk worden
voorgehouden dat deze vraagstelling voor verzoeker niet duidelijk zou zijn geweest.
Verzoeker verklaarde geen duurzame relatie of kinderen in België te hebben. In fine
verklaarde hij nog bij zijn familie in België te willen verblijven. Er blijkt dus niet dat
verzoeker melding maakte van een duurzame relatie met een Spaanse burger.
Verzoeker maakt niet aannemelijk dat bij het nemen van de bestreden beslissing
nagelaten werd rekening te houden met bepaalde aspecten van de zaak.”
Verzoeker toont niet aan dat de voormelde beoordeling een schending
van de inhoud van het begrip hoorrecht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur inhoudt.
Derde onderdeel van het enige middel
7. Artikel 1, § 1, 6°, van de vreemdelingenwet definieert de beslissing
tot verwijdering als “de beslissing die de illegaliteit van het verblijf van een vreemdeling
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.348 VII-42.868-3/5
vaststelt en een terugkeerverplichting oplegt”. Naar luid van artikel 1, § 1, 8°, van de
vreemdelingenwet is het inreisverbod “de beslissing die kan samengaan met een beslissing tot
verwijdering en waarbij de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van het Rijk of het
grondgebied van alle lidstaten, met inbegrip van het grondgebied van het Rijk, voor een
bepaalde termijn verboden wordt”. Een inreisverbod, waarop het bestreden arrest betrekking
heeft, is derhalve geen beslissing tot verwijdering. Bijgevolg kan verzoeker niet dienstig
verwijzen naar artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, dat uitsluitend verwijst naar een
“beslissing tot verwijdering”.
8. Met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 8 van het
EVRM, heeft verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen laten gelden dat zijn
partner in Spanje woonachtig is en dat hij bij de uitvoering van de beslissing tot het opleggen
van een inreisverbod gedurende twee jaar niet zal kunnen terugkeren naar Spanje, terwijl zijn
verblijfsaanvraag in Spanje nog lopende is en hijzelf met zijn partner in Spanje woont.
Zoals blijkt uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel supra,
stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eerst vast dat verzoeker niet aantoont gevolg
te hebben gegeven aan het bevel om het grondgebied (van de Schengenzone) te verlaten van
28 november 2023 en dat hij geen enkel bewijsstuk bijbrengt welk gevolg werd gegeven aan
de verblijfsaanvraag die hij in Spanje zou hebben ingediend. Verder stelt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest vast dat verzoeker tijdens zijn gehoor
alvorens de beslissing tot het opleggen van het inreisverbod werd genomen, heeft verklaard
bij zijn familie in België te willen verblijven. Steeds volgens de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen, blijkt niet dat verzoeker melding maakte van een duurzame
relatie met een Spaanse burger. Daarenboven zet verzoeker volgens het bestreden arrest niet
uiteen waarom de beslissing houdende inreisverbod ertoe zou leiden dat hij zijn gezinsleven
in Spanje niet zou kunnen uitoefenen. De beslissing tot het opleggen van een inreisverbod, die
in het bestreden arrest wordt geciteerd, vermeldt reeds dat ze wordt opgelegd voor het
volledige Schengengrondgebied doch dat ze enkel geldt voor België indien verzoeker in het
bezit is van een geldige verblijfstitel afgeleverd door één van de lidstaten.
Uit de voorgaande motieven blijkt duidelijk dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de verwerende partij bij het nemen van haar
beslissing tot het opleggen van een inreisverbod in het licht van artikel 8 van het EVRM
rekening heeft gehouden met alle relevante elementen van de zaak waarvan zij kennis had of
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.348 VII-42.868-4/5
moest hebben wat verzoekers voorgehouden privé- en gezinsleven betreft. Als cassatierechter
is de Raad van State niet bevoegd om die beoordeling over te doen.
Conclusie
9. Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk,
kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie juli tweeduizend vijfentwintig,
door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.348 VII-42.868-5/5