RvS-16361
🏛️ Raad van State
📅 2025-08-01
🌐 FR
Beschikking
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.361 van 1 augustus 2025
in de zaak A. 244.851/VII-42.896
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Céline Herssens
kantoor houdend te 4000 Luik
Rue Paul Devaux 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 13 mei 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 324.657 van 4 april 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 23 mei 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Verzoekster acht artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980
‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) en “het hoorrecht als beginsel van nationale en
Unie-recht” geschonden. Zij laat gelden dat tijdens haar gehoor op het commissariaat-generaal
geen tolk aanwezig was, dat de ambtenaar zelf als tolk is opgetreden en het gehoorverslag
heeft ondertekend als ambtenaar en als tolk en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.361 VII-42.896-1/3
heeft aanvaard dat het gehoor is doorgegaan zonder een tolk, zonder na te gaan of het
onmogelijk was een tolk Spaans-Nederlands te vinden en zonder hierover te motiveren.
2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dienaangaande
in het bestreden arrest dat artikel 51/4 van de vreemdelingenwet niet is geschonden doordat
het interview zonder tussenkomst van een tolk werd afgenomen in een andere taal dan de
proceduretaal, dat artikel 51/4 van de vreemdelingenwet immers niet verhindert dat de
ambtenaar in kwestie zich uitdrukt in een vreemde taal, in casu het Spaans, en zelf de rol van
tolk waarneemt wanneer hij die taal beheerst en dat aan de ambtenaar geen vereiste van bewijs
inzake de beheersing van de vreemde taal wordt gesteld. Hij stelt vast dat verzoekster
overigens geen concrete elementen aanbrengt om aan te tonen dat de betrokken ambtenaar het
Spaans niet of onvoldoende zou beheersen, doch blijft steken in hypothetische opwerpingen,
dat verzoekster bij de dienst Vreemdelingenzaken haar verklaringen kon afleggen, dat zij
tijdens het interview geen enkele melding heeft gemaakt van vertaalproblemen en dat de
bewering dat haar hoorrecht en de openbare orde werden geschonden, dan ook niet kan worden
volgehouden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt verder op dat verzoekster aan
het begin van het persoonlijk onderhoud op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen
en de staatlozen heeft bevestigd dat het interview bij de dienst Vreemdelingenzaken goed was
verlopen, zij er alles had kunnen vertellen en alles correct was. De Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat, hoewel het aan verzoekster toekomt om in concreto
aan te wijzen wat er mogelijk verkeerd werd vertaald en welke invloed dit zou kunnen hebben
gehad op de voor hem bestreden beslissing, verzoekster hiertoe in gebreke blijft doordat zij
geen enkele concrete of problematische taalfout aanduidt. Waar verzoekster aanvoerde dat
haar verklaringen niet correct werden begrepen en verwees naar de passage van haar
persoonlijk onderhoud waarbij zij werd geconfronteerd met incoherenties in haar verklaringen
bij de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de
staatlozen, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop dat uit het feit dat verzoekster
tegenstrijdige verklaringen aflegt, niet blijkt dat zij verkeerd zou zijn begrepen. Verzoekster
toont aldus volgens het bestreden arrest nergens concreet aan hoe zij zou zijn benadeeld door
het feit dat de ambtenaar bij de dienst Vreemdelingenzaken, tijdens het onderhoud aldaar,
rechtstreeks Spaans met haar sprak.
3. Verzoekster beperkt zich thans opnieuw tot een louter theoretische
kritiek. Zij gaat voorbij aan de voornoemde motieven van het bestreden arrest. Verzoekster
had nochtans de mogelijkheid om eventuele fouten, tekortkomingen of concrete
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.361 VII-42.896-2/3
onregelmatigheden in (de weergave van) het kwestieuze interview aan te duiden, waarmee de
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening zou hebben kunnen houden bij de
beoordeling van de zaak. Er blijkt dan ook niet dat de voorgehouden onwettigheid de strekking
van het bestreden arrest kan hebben beïnvloed. Om die reden is de voorgestelde prejudiciële
vraag niet dienstig voor de oplossing van het geschil en dient zij dus niet te worden gesteld.
4. Het enige middel is kennelijk niet ontvankelijk.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op één augustus
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.361 VII-42.896-3/3