RvS-16362
🏛️ Raad van State
📅 2025-08-01
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.362 van 1 augustus 2025
in de zaak A. 244.800/VII-42.889
In zake : 1. XXXXX
2. XXXXX
3. XXXXX
4. XXXXX
5. XXXXX
6. XXXXX
7. XXXXX
8. XXXXX
9. XXXXX
10. XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Agathe De Brouwer
kantoor houdend te 1050 Brussel
Louizalaan 251
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door
de minister van Asiel en Migratie
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 30 april 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 324.190 van 27 maart 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 16 mei 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste middelonderdeel
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.362 VII-42.889-1/4
1. De kritiek van de verzoekende partijen heeft uitsluitend betrekking op
de beoordeling in het bestreden arrest van de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
in een eerste onderdeel van het enige middel opgeworpen “schending van de motiveringsplicht
en van de beginselen van behoorlijk bestuur, gelezen in het licht van artikel 3 EVRM”. Het
betreft het door de verzoekende partijen voorgehouden gevaar voor arrestaties en vervolging
door de taliban in Afghanistan.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden
arrest met betrekking tot de toepassing van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming
van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM):
“In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de weigering van afgifte van de
gevraagde visa in strijd is met artikel 3 van het EVRM, moet allereerst worden
opgemerkt dat – zoals de verzoekende partijen erkennen – artikel 1 van het EVRM
bepaalt dat de rechten en vrijheden die zijn vervat in de eerste titel van dit verdrag door
de lidstaten enkel dienen te worden verzekerd ten aanzien van personen die onder hun
rechtsmacht vallen. Het EHRM bevestigde reeds dat een schending van artikel 3 van
het EVRM in een gebied dat buiten de territoriale controle van België ligt, in beginsel
buiten de rechtsmacht van België valt. Op dit principe erkent het EHRM twee
uitzonderingen, met name omstandigheden van ‘state agent authority and control’ en
‘effective control over an area’ (EHRM 7 juli 2011, Al-Skeini e.a. tegen het Verenigd
Koninkrijk [GK], nr. 55721/07, §§ 130-141). In de thans voorliggende zaak, waar de
verzoekende partijen zich bevinden in Pakistan en hun visumaanvragen in dat land
hebben ingediend, doet geen van beide uitzonderingen zich voor. Immers staan de
verzoekende partijen in Pakistan niet onder de controle en het gezag van de Belgische
overheid. In de gegeven omstandigheden blijkt niet dat de situatie van de verzoekende
partijen onder de rechtsmacht valt van de Belgische autoriteiten (EHRM 5 mei 2020,
M.N. e.a. tegen België, 35599/18 (GK)). Artikel 3 van het EVRM kan voorts niet
worden opgevat als zou het een grenzeloze verplichting inhouden voor een staat om
toegang te verlenen tot haar grondgebied aan een individu die dreigt een behandeling
strijdig met artikel 3 van het EVRM te ondergaan, ongeacht waar in de wereld dit
individu zich bevindt (EHRM 28 januari 2014, Abdul Wahab KHAN tegen het
Verenigd Koninkrijk, nr. 11987/11, §§ 24-27). De verzoekende partijen vallen met
andere woorden niet onder de rechtsmacht van de Belgische overheidsdiensten en deze
diensten zijn er in casu dus niet toe gehouden ten aanzien van hen de door het EVRM
voorziene rechten en vrijheden te garanderen. Bijgevolg kunnen de verzoekende
partijen niet dienstig een schending van artikel 3 van het EVRM aanvoeren. In het
verlengde hiervan kan evenmin worden aangenomen dat de Belgische overheid, via de
beginselen van behoorlijk bestuur, alsnog zou zijn gehouden om de richtlijnen van
artikel 3 van het EVRM toe te passen. Een eenmalige verwijzing naar dit artikel in de
bestreden beslissingen doet over dit alles ook niet anders over oordelen.”
De verzoekende partijen, die geen schending van artikel 3 van het
EVRM in de voorgaande beoordeling aanvoeren, laat staan aantonen, kunnen zich in het licht
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.362 VII-42.889-2/4
van die beoordeling niet dienstig beroepen op een voorgehouden kennelijke beoordelingsfout
of een schending van het proportionaliteitsbeginsel wat het gevaar bij een terugkeer van
Pakistan naar Afghanistan betreft. Bovendien blijken de verzoekende partijen in het
cassatiemiddel in wezen geen schending van de inhoud van de door hen ingeroepen algemene
beginselen van behoorlijk bestuur in te roepen, doch een nieuwe toetsing van de voorliggende
feitelijke gegevens aan die beginselen te vragen. De Raad van State treedt als cassatierechter
niet in de beoordeling van de zaak zelf en is dan ook niet bevoegd om op die vraag in te gaan.
2. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk niet ontvankelijk.
Tweede middelonderdeel
3. De door artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de wet van
15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en
de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor
Vreemdelingebetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren
heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is
gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al
ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen.
Uit de supra bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel
geciteerde motivering van het bestreden arrest blijkt duidelijk waarom de door de verzoekende
partijen aangevoerde argumentatie betreffende het gevaar voor vervolging door de taliban in
Afghanistan wordt verworpen. De verzoekende partijen tonen in die mate geen schending aan
van artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
4. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
Conclusie
5. Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk,
kennelijk ongegrond.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.362 VII-42.889-3/4
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep,
begroot op een rolrecht van 2000 euro, elk voor een tiende.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op één augustus
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.362 VII-42.889-4/4