RvS-16363
🏛️ Raad van State
📅 2025-08-01
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.363 van 1 augustus 2025
in de zaak A. 244.799/VII-42.888
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Sophie Buysse
kantoor houdend te 2018 Antwerpen
Korte Van Ruusbroecstraat 48
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door
de minister van Asiel en Migratie
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 30 april 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 324.138 van 27 maart 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 16 mei 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. De materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheids-, het
zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel zijn als algemene beginselen van behoorlijk
bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.
Verzoeker voert aan dat hij “op het moment van het nemen van de
bestreden beslissing geen ernstige bedreiging (meer) [vormt] voor de openbare orde of
nationale veiligheid, waardoor zijn verblijf niet beëindigd kan worden”, dat hij “zich immers
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.363 VII-42.888-1/3
[heeft] herpakt” en dat “verweerder niet aantoont dat verzoeker nog beweerdelijk actueel een
gevaar zou betekenen voor de openbare orde, laat staan dat zij aantoont dat verzoeker een zeer
ernstig gevaar zou uitmaken en dat zijn banden met België niet zouden kunnen opwegen tegen
dit beweerde gevaar” en hij leidt hieruit een schending af van de voormelde algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker vraagt aldus in wezen een nieuwe beoordeling
van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
2. Verzoeker betwist de beoordeling in het bestreden arrest dat de
verwerende partij bij het nemen van de in zijnen hoofde genomen beslissing tot beëindiging
van verblijf heeft voldaan aan de in de artikelen 44bis, § 2 en § 4, en 45 van de wet van
15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en
de verwijdering van vreemdelingen’ voorziene voorwaarden. Hij beperkt zich hierbij tot een
theoretische uiteenzetting en een algemene bewering van het tegendeel, evenwel zonder in te
gaan op de in de punten 2.7. tot en met 2.10. van het bestreden arrest omstandig ontwikkelde
concrete motieven, waarin de actuele en ernstige bedreiging die verzoeker volgens de
verwerende partij vormt, wel degelijk aan de orde komt.
Verder treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de
beoordeling van de zaak zelf en is hij dus niet bevoegd om zelf het al dan niet actuele en
ernstige karakter te onderzoeken van de bedreiging die verzoeker zou vormen voor de
openbare orde.
3. Het enige middel is in de aangegeven mate, voor zover ontvankelijk,
kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.363 VII-42.888-2/3
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op één augustus
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.363 VII-42.888-3/3