Naar hoofdinhoud

RvS-16364

🏛️ Raad van State 📅 2025-08-01 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.364 van 1 augustus 2025 in de zaak A. 245.056/VII-42.920 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Henri Berkmoes kantoor houdend te 3200 Aarschot Amerstraat 121 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 juni 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 326.594 van 13 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 juni 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. In het eerste “middel” zet verzoeker uiteen dat hat cassatieberoep ontvankelijk ratione personae en ratione temporis is. Deze uiteenzetting heeft geen betrekking op het bestreden arrest en vormt derhalve geen ontvankelijk cassatiemiddel. Tweede middel ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.364 VII-42.920-1/7 2. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ vervatte jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 3. Verzoeker voert aan dat de eerste rechter niet heeft geantwoord op zijn betoog betreffende de actualiteit van het gevaar voor de openbare orde, in het bijzonder wat verzoekers kritiek betreft dat de verwerende partij een “risicotaxatie” had moeten maken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de verwerende partij in haar beslissing van oordeel is dat verzoeker nog steeds een actueel gevaar voor de openbare orde vormt: “Ze komt tot dit besluit op basis van de vaststelling dat de verzoekende partij steeds opnieuw ernstige criminele handelingen stelde, dat zij totaal niet in staat bleek te zijn om zich te conformeren aan de maatschappelijke norm dat men zich aan de wet dient te houden en dat zij niet de minste wil betoont om haar wangedrag blijvend bij te sturen en dat zij bleef volharden in een onverantwoordelijk en crimineel bestaan. De verwerende partij heeft ter onderbouwing hiervan gewezen op het feit dat de verzoekende partij, voor zij naar België kwam, reeds elf maal was veroordeeld in Nederland voor tal van strafbare feiten, voornamelijk diefstallen, en dat zij, ondanks het feit dat haar hiertoe de kans werd gegeven, haar gedrag niet aanpaste nadat zij tot een verblijf in het Rijk was toegelaten. De verwerende partij heeft uiteengezet dat de verzoekende partij door de correctionele rechtbank te Antwerpen op 30 augustus 2013 werd veroordeeld tot een werkstraf van vijfentachtig uur wegens bendevorming, nadat zij samen met een kompaan die in het bezit was van inbrekersmateriaal was gevat na eerder de vlucht te hebben genomen, dat de verzoekende partij vervolgens op 14 maart 2018 werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van tien maanden met uitstel gedurende drie jaar wegens poging tot diefstal met verzwarende omstandigheden en dat zij op 5 juni 2020 door de correctionele rechtbank te Antwerpen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar wegens inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen. Inzake deze laatste veroordeling heeft de verwerende partij verduidelijkt dat de verzoekende partij betrokken was bij een internationale drugstrafiek waarbij men poogde om gigantische hoeveelheden verdovende middelen Europa binnen te krijgen. De verwerende partij heeft overwogen dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat de betrokkenheid bij het verspreiden van drugs als een ernstige verstoring van de openbare orde moet worden beschouwd en dat het Hof ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.364 VII-42.920-2/7 van Justitie van de Europese Unie reeds oordeelde dat illegale drugshandel een bedreiging vormt voor de gezondheid, de veiligheid en de levenskwaliteit van de burgers van de Unie, alsook voor de wettige economie, de stabiliteit en de veiligheid van de lidstaten. De verwerende partij heeft erop gewezen dat gezien de laakbare ingesteldheid van de verzoekende partij, haar drang naar snel en gemakkelijk geldgewin, haar connecties in het milieu, de afbetalingen die zij nog moet doen en zijn gebrek aan respect voor de wet, gekoppeld aan het lucratieve karakter van de drugshandel en het feit dat eerdere veroordelingen haar er niet van hebben weerhouden om zich opnieuw op het criminele pad te begeven, aanleiding geven tot het besluit dat het risico bestaat dat zij zal recidiveren. De verwerende partij stipt aan dat de verzoekende partij van 5 juni 2020 tot 14 februari 2023 opgesloten zat in de gevangenis en dat zij bij vonnis van de SURB van 19 januari 2024 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld mits het naleven van bijzondere voorwaarden. De verwerende partij verwijst naar het psychosociaal verslag en motiveert waarom zij desondanks van oordeel is dat de verzoekende partij nog steeds een gevaar vormt voor de openbare orde. Zo stelt ze dat ondanks de reden welke de verzoekende partij opgaf voor het plegen van de feiten en het gegeven dat zij de feiten erkende, dit allerminst getuigt van verantwoordelijkheidszin en schuldinzicht gelet op het feit dat zij aanhaalde door andere personen te zijn overgehaald om de feiten te plegen. De verwerende partij stipt aan dat de verzoekende partij als het ware de schuld van de feiten op andere personen wenst af te wenden, terwijl in het vonnis dd. 5 juni 2020 duidelijk de actieve rol bleek die de verzoekende partij aannam in de georganiseerde drugstrafiek. Zij ronselde onder andere actief mensen om uithalingen aan de kaai uit te voeren en gebruikte een geëncrypteerde telefoon. Dit zijn volgens de verwerende partij bijzondere elementen die wijzen op een zeer bewust handelen van betrokkene in de criminele organisatie. De verwerende partij benadrukt dat de verzoekende partij tijdens het handelen haar eigen belangen bewust voorop stelde, zonder kennelijk stil te staan bij de gezondheid van andere personen en de maatschappelijke gevolgen die dergelijke handelingen met zich mee kunnen brengen.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt zelf hierover: “De verzoekende partij werd meermaals veroordeeld tot gevangenisstraffen, wat slechts gebeurt indien strafbare feiten met enige ernst werden gepleegd, en de constatatie dat de strafrechter het, bij de meest recente veroordeling, vereist achtte om een gevangenisstraf van acht jaar op te leggen alleen al toont aan dat verzoeker zeer ernstige strafbare feiten pleegde. Anders dan wat de verzoekende partij voorhoudt wordt niet enkel een opsomming gegeven van de veroordelingen die zij over de jaren heeft opgelopen. Er wordt een analyse gemaakt van het persoonlijk gedrag van verzoeker en tevens wordt een inschatting gemaakt van de kans op recidive. De verzoekende partij houdt voor dat de kans op recidive laag is. Hierbij verwijst zij naar het vonnis van de SURB die haar voorwaardelijk in vrijheid heeft gesteld. De verzoekende partij kan echter niet ontkennen dat zij reeds een palmares aan veroordelingen heeft opgelopen in het verleden, hetgeen op zich al aantoont dat zij er niet in slaagt om op het rechte pad te blijven. Ook al dateren de laatste feiten van 2017, kan zij niet ontkennen dat zij aan bijzondere voorwaarden is onderworpen door de SURB. Haar straf is nog niet ten einde en aldus is het ook logisch dat de verzoekende partij zich er thans van weerhoudt om ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.364 VII-42.920-3/7 strafbare feiten te plegen. Het loutere feit dat de feiten dateren van 2017 maakt op zich niet dat er op heden geen actueel gevaar meer zou zijn. Bovendien betwist de verzoekende partij geenszins dat de SURB in haar vonnis evenzeer het risico op het plegen van nieuwe ernstige feiten als reëel inschatte. Zij achtte het evenwel opportuun om via het opleggen van bijzondere voorwaarden tegemoet te komen aan het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten. Met andere woorden betekent dit dat bijzondere voorwaarden broodnodig zijn om te kunnen vermijden dat de verzoekende partij hervalt in strafbare feiten. Het inherente risico om te hervallen werd geenszins afwezig beschouwd. De Raad wijst erop dat de verwerende partij op basis van de bij haar voorliggende feiten een eigen beoordeling vermag te maken in het licht van wat zij op verblijfsrechtelijk vlak noodzakelijk acht voor de bescherming van het algemeen belang en de openbare orde. Er ligt geen enkel rechtsbeginsel voor waaruit zou moeten blijken dat de onderrichtingen van de strafuitvoeringsrechtbank van aard zouden zijn om de bepalingen van de Vreemdelingenwet te wijzigen of buiten beschouwing te laten. De Raad acht de beoordeling van de verwerende partij niet kennelijk onredelijk. De verzoekende partij weet de Raad niet te overtuigen.” Uit de voorgaande motieven blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de beslissing van de verwerende partij afdoende is gemotiveerd wat het actuele gevaar van verzoeker voor de openbare orde betreft. Er blijkt ook uit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door de verwerende partij in haar beslissing gemaakte analyse van verzoekers persoonlijk gedrag en de inschatting van de kans op recidive aanvaardt, waarmee verzoekers standpunt over de vereiste van een “risicotaxatie” als een “forensisch specialisme” minstens impliciet verwerpt. Verzoeker toont in die mate geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet. 4. Verzoeker voert aan dat in het bestreden arrest onvoldoende wordt geantwoord op zijn betoog betreffende artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Hij richt zich met name tegen de beoordeling dat verzoeker “geenszins aannemelijk [maakt] dat er onoverkomelijke hinderpalen zijn om het gezinsleven elders te beleven”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing uitvoerig gemotiveerd aangaande het gezinsleven van de verzoekende partij. Zij erkent dat de verzoekende partij een gezinsleven heeft met haar echtgenote en kinderen. Niettegenstaande de verwerende partij lijkt aan te geven dat de verzoekende partij in het verleden geen voorbeeldige ouder is geweest en dat de echtgenote van de verzoekende partij bij machte lijkt te zijn om zelf voor de kinderen te zorgen, heeft zij daarnaast uitvoerig uiteengezet dat er geen precieze onoverkomelijke hinderpalen blijken die de voortzetting in haar land van ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.364 VII-42.920-4/7 herkomst of elders verhinderen. De verwerende partij stipt aan dat het inherent is aan een grensoverschrijdende relatie dat, indien men een gezinsleven wenst uit te bouwen, (minstens) één van beide partners buiten zijn of haar land van herkomst, of legaal verblijf, of nationaliteit, dient te verblijven. De verwerende partij motiveert dat het gezinsleven mogelijk in Nederland verder kan gezet worden. Ze stipt aan dat uit het administratief dossier naar voor komt dat de echtgenote van de verzoekende partij, van Nederlandse origine is en in september 2006 van Nederland naar België verhuisd is omdat de verzoekende partij in Nederland geen verblijfsrecht kon krijgen doordat zij ongewenst werd verklaard in Nederland wegens criminele antecedenten en in juli 2005 naar Algiers werd uitgezet. De verwerende partij overweegt dat er geen enkel stuk voorligt waaruit blijkt dat de verzoekende partij reeds om opheffing van de ongewenstverklaring gevraagd heeft en dat dit geweigerd werd. Daarnaast motiveert ze aangaande de mogelijkheid om een gezinsleven in Algerije verder te zetten indien zou blijken dat de verzoekende partij in Nederland geen recht op verblijf zou kunnen verkrijgen, Ze stelt dat haar echtgenote en de kinderen haar in Algerije kunnen komen vervoegen. Uit het administratief dossier blijkt immers dat de echtgenote reeds meerdere malen naar Algerije is gereisd om de verzoekende partij te vervoegen (en om met haar in het huwelijk te treden in 2005) en dat de verzoekende partij reeds naar Algerije reisde met haar dochter M. De verwerende partij meent dat deze vaststellingen maken dat het niet kennelijk onredelijk is aan te nemen dat het gezin enigszins vertrouwd is met Algerije en de banden met het land van herkomst of origine onderhouden zijn. Mogelijk hebben de kinderen de moedertaal van de verzoekende partij en/of de Algerijnse waarden en normen en cultuur aangeleerd gekregen. Daarnaast wijst ze erop dat de kinderen nog relatief jong zijn en van jonge kinderen in het algemeen gesteld kan worden dat zij zich makkelijker aanpassen aan nieuwe situaties en snel nieuwe talen oppikken, in vergelijking met volwassenen. Ze benadrukt dat er geen concrete elementen voorliggen die erop wijzen dat de kinderen de scholing niet in Nederland, Algerije of elders zouden kunnen verder zetten. Uit het gegeven dat zij in België geboren werden en steeds in België gewoond hebben, kan niet afgeleid worden dat zij elders niet zouden kunnen aarden. Daarnaast stipt de verwerende partij aan dat uit het administratief dossier blijkt dat de echtgenote werkzaam is als psychiatrisch verpleegkundige. Ze haalt aan dat er geen enkel stuk voorligt waaruit blijkt dat zij met haar kwalificaties enkel in België een betrekking zou kunnen vinden. Ze motiveert dat de echtgenote in Nederland ook al gewerkt heeft. De verzoekende partij gaat geheel niet in op deze motivering maar beperkt zich tot kritiek op de overtollige motieven. Met haar betoog maakt zij niet aannemelijk dat voormelde motivering kennelijk onredelijk zou zijn. Zij maakt geenszins aannemelijk dat er onoverkomelijke hinderpalen zijn om het gezinsleven elders te beleven. Een schending van artikel 8 wordt niet aannemelijk gemaakt.” Met zijn kritiek tegen één zinsnede betreffende het niet aangetoond zijn van “onoverkomelijke hinderpalen […] om het gezinsleven elders te beleven” gaat verzoeker voorbij aan de voormelde concrete motieven in het bestreden arrest betreffende verzoekers gezinsleven, evenals aan de vaststelling dat verzoeker niet is ingegaan op de aangehaalde motieven van de beslissing van de verwerende partij doch zich heeft beperkt tot kritiek op overtollige motieven. Verzoeker toont wat dat betreft dan ook geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.364 VII-42.920-5/7 5. Verzoeker acht het bestreden arrest onvoldoende gemotiveerd wat de voorgehouden schending van het fairplay-beginsel betreft, meer bepaald wat verzoekers kritiek betreft tegen het feit dat hem in de beslissing van de verwerende partij “ten stelligste [wordt] afgeraden een nieuwe aanvraag tot gezinshereniging in te dienen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “In de bestreden beslissing wordt de verzoekende partij geadviseerd om geen nieuwe aanvraag in te dienen. Dit is slechts een advies en zo de verzoekende partij meent dat haar situatie inmiddels dermate gewijzigd is dat zij nu wel aanspraak zou kunnen maken op een verblijf in België staat niets haar in de weg om toch opnieuw een aanvraag in te dienen. De verwerende partij zal dan verplicht worden om een nieuwe beslissing te nemen en om opnieuw te oordelen over het actuele gevaar voor de openbare orde. Zo de verzoekende partij het dan niet eens zou zijn met deze beoordeling kan zij nog steeds een beroep indienen bij de Raad. De Raad ziet niet in welk belang de verzoekende partij heeft bij deze grief, gelet op het feit dat haar aanvraag zorgvuldig werd beoordeeld. Het louter feit dat de verwerende partij adviseert om geen nieuwe aanvraag in te dienen maakt niet dat de beoordeling die ze gemaakt heeft van de aanvraag onwettig zou zijn.” Met de voormelde motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij verzoekers kritiek tegen de desbetreffende zin uit de beslissing van de verwerende partij verwerpt, in de mate dat deze kritiek niet tot de nietigverklaring van die beslissing kan leiden. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet. 6. Het tweede middel is kennelijk ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.364 VII-42.920-6/7 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op één augustus tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.364 VII-42.920-7/7

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot