RvS-16365
🏛️ Raad van State
📅 2025-08-01
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.365 van 1 augustus 2025
in de zaak A. 245.010/VII-42.915
In zake : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten Tine Bricout en Carmenta Decordier
kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker
Orchideestraat 61A
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
XXXXX
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 6 juni 2025, strekt tot de cassatie van
arrest nr. 326.083 van 30 april 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 20 juni 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste onderdeel van het enige middel
1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde
verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een
vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter
duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.365 VII-42.915-1/4
onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar
op en leiden aldus tot een gemis aan motivering.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt enerzijds dat
verweerder in cassatie (oorspronkelijk verzoeker) geen eenduidige verklaringen heeft afgelegd
over zijn regio van herkomst en “geen aannemelijke verklaringen kan afleggen over de
plaatsen waar [hij] heeft verbleven sinds de uitbraak van de Syrische burgeroorlog en [zijn]
verklaringen over activiteiten en tijdsbesteding in [...] niet aannemelijk zijn”. Hij overweegt
anderzijds “dat de algemene situatie in Syrië drastisch is gewijzigd en daargelaten de
vaststelling dat [verzoeker] ook zou moeten worden gehoord over de impact van de actuele
algemene situatie in Syrië op [zijn] persoonlijke situatie en individuele omstandigheden,
beschikt de Raad op heden niet over volledige en actuele landeninformatie om in het
voorliggende beschermingsverzoek na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek uitspraak
te doen over de vraag of [verzoeker] voldoet aan de voorwaarden om internationale
bescherming te krijgen”, waarna hij besluit dat hij “bijgevolg in de onmogelijkheid [verkeert]
om op correcte wijze het geheel van de feitelijke gegevens in rechte te beoordelen, met name
om in een tweede stap na te gaan of, in het licht van de feiten die een zaak kenmerken, is
voldaan aan de materiële voorwaarden, omschreven in de artikelen 48/3 of 48/4 van de
Vreemdelingenwet, voor de toekenning van internationale bescherming, nu hij niet beschikt
over pertinente en geactualiseerde informatie met betrekking tot de huidige algemene situatie
in het land van herkomst, zoals artikel 48/6, § 5 van de Vreemdelingenwet vereist”.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt echter ook vast dat de
verzoekende partij in cassatie (oorspronkelijk verwerende partij) de Syrische nationaliteit van
verweerder in cassatie niet betwist, meer bepaald niet betwist dat verweerder in cassatie van
Syrische afkomst is, de Syrische nationaliteit heeft en het niet uitgesloten is dat hij gedurende
langere tijd in Syrië heeft verbleven. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ziet geen
indicaties dat verweerder in cassatie over een andere nationaliteit beschikt noch dat van hem
kan worden verwacht dat hij kan terugkeren naar een veilig derde land. Net omwille van deze
vaststellingen, is het niet tegenstrijdig enerzijds vast te stellen dat verweerder in cassatie
onduidelijke verklaringen aflegt over zijn regio van herkomst en activiteiten in Syrië en
anderzijds dat voldoende landeninformatie ontbreekt over de algemene situatie in Syrië om de
beslissing van de verzoekende partij in cassatie te kunnen bevestigen of hervormen zonder
aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. De verzoekende partij in cassatie
toont in dat opzicht dan ook geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.365 VII-42.915-2/4
Tweede onderdeel van het enige middel
2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen trekt niet in twijfel dat het
verzoek om internationale bescherming van verweerder in cassatie moet worden beoordeeld
ten opzichte van Syrië, ondanks het gebrek aan eenduidige verklaringen van verweerder in
cassatie over zijn regio van herkomst en activiteiten in Syrië. In het licht hiervan staan de
tekortkomingen in de informatieplicht van een verzoeker om internationale bescherming als
bedoeld in artikel 48/6, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna:
vreemdelingenwet) en de medewerkingsplicht van die verzoeker als bedoeld in artikel 51 van
die wet niet in de weg aan een beoordeling dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet
beschikt over de vereiste essentiële elementen, te dezen over de algemene situatie in Syrië, om
de beslissing van de verzoekende partij in cassatie te kunnen bevestigen of hervormen zonder
aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen.
Derde onderdeel van het enige middel
3. Zoals reeds blijkt uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel
supra, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat de verzoekende partij in
cassatie de Syrische nationaliteit van verweerder in cassatie niet betwist, meer bepaald niet
betwist dat deze laatste van Syrische afkomst is, de Syrische nationaliteit heeft en het niet
uitgesloten is dat hij gedurende langere tijd in Syrië heeft verbleven. De Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen ziet geen indicaties dat verweerder in cassatie over een andere
nationaliteit beschikt noch dat van hem kan worden verwacht dat hij kan terugkeren naar een
veilig derde land.
Met deze beoordeling geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
aan dat en waarom het verzoek om internationale bescherming ten opzichte van Syrië moet
worden beoordeeld, zonder hiermee de in artikel 48/6 van de vreemdelingenwet bewijslast in
hoofde van de verzoeker om internationale bescherming om te keren. De Raad van State treedt
als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf, zodat hij verder niet bevoegd is om
de desbetreffende door de eerste rechter gemaakte beoordeling over te doen.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.365 VII-42.915-3/4
Conclusie
4. Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk,
kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op
een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op één augustus
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.365 VII-42.915-4/4