Naar hoofdinhoud

RvS-16380

🏛️ Raad van State 📅 2025-08-07 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.380 van 7 augustus 2025 in de zaak A. 245.080/VII-42.926 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Henri Berkmoes kantoor houdend te 3200 Aarschot Amerstraat 121 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 juni 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 326.596 van 13 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 juli 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. In het eerste “middel” zet verzoeker uiteen dat hat cassatieberoep ontvankelijk ratione personae en ratione temporis is. Deze uiteenzetting heeft geen betrekking op het bestreden arrest en vormt derhalve geen ontvankelijk cassatiemiddel. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.380 VII-42.926-1/5 Tweede middel 2. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ vervatte jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 3. Anders dan verzoeker in het algemeen aanvoert, blijkt niet “dat de eerste rechter er zich toe beperkt heeft het standpunt van de verwerende partij ingenomen voor de eerste rechter louter te herhalen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert wel de motieven van de voor hem aangevochten beslissing, doch oordeelt zelf dat in die beslissing “wel [wordt] gemotiveerd waarom de verwerende partij in het geval van verzoekende partij besloten heeft om in haar geval gebruik te maken van de mogelijkheid om de verblijfsaanvraag te weigeren omwille van redenen van openbare orde”. Verzoeker geeft niet aan welke kritiek tegen die beslissing de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte niet zou hebben beantwoord. 4. Verzoeker voert aan dat de eerste rechter niet heeft geantwoord op zijn betoog betreffende de actualiteit van het gevaar voor de openbare orde. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat omstandig in op de concrete elementen op grond waarvan in de voor hem aangevochten beslissing wordt aangenomen dat verzoeker nog steeds een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Hij besluit betreffende het actuele karakter van dat gevaar: “Verder is de gemachtigde er volgens de Vreemdelingenwet geenszins toe gehouden een risicotaxatie te doen volgens de forensische diagnostiek en op wetenschappelijke basis. Het is de gemachtigde toegestaan een eigen onderzoek te doen op basis van concrete vaststellingen teneinde te beoordelen of verzoekende partij door haar gedrag kan geacht worden een reële en voldoende ernstige bedreiging te betekenen voor een ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.380 VII-42.926-2/5 fundamenteel belang van de samenleving en hoeft de gemachtigde daarvoor niet specifiek gekwalificeerd te zijn. Verder leest de Raad ook nergens in de motivering dat de gemachtigde ervan uit zou gaan dat de pleger van een misdrijf een ‘homo economicus’ is, die slechts besluit tot het plegen van een misdrijf na een zorgvuldige kosten-batenanalyse. Hij heeft, na concreet onderzoek van het persoonlijk gedrag van verzoekende partij, vastgesteld dat verzoekende partij actueel nog een reëel en ernstig gevaar betekent voor een fundamenteel belang van de samenleving.” Uit het voorgaande blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de beslissing van de verwerende partij afdoende is gemotiveerd wat het actuele gevaar van verzoeker voor de openbare orde betreft. Verzoeker toont in die mate geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet. 5. Verzoeker voert aan dat in het bestreden arrest onvoldoende wordt geantwoord op zijn betoog betreffende artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Hij richt zich meer bepaald tegen de beoordeling dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat er onoverkomelijke hinderpalen zijn om het gezinsleven elders te beleven. Na de desbetreffende omstandige motieven uit de voor hem aangevochten beslissing te hebben geciteerd, overweegt Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Verder dient te worden benadrukt dat, zoals de Raad reeds vaststelde in zijn arrest van 22 maart 2019 met nummer 218 681 er geen noemenswaardige hinderpalen zijn voor het gezin om samen te verblijven in het land van herkomst van verzoekende partij, Marokko. Verzoekende partij toont alvast geen dergelijke hinderpalen aan die niet reeds zijn besproken in voormeld arrest. Inmiddels werd verzoekende partij op 15 oktober 2024 opnieuw vader van […] Zoals in de bestreden beslissing wordt opgemerkt beschikt het kind […] nog over een groot aanpassingsvermogen (cf. EHRM 8 maart 2016 I.A.A. e.a. t. Verenigd Koninkrijk; EHRM 12 juni 2012, nr. 54131/10, Bajsultanov v. Oostenrijk; EHRM 26 september 1997, nr.25017/94, Mehemi v. Frankrijk; EHRM 27 oktober 2005, nr. 32231/02, Keles v. Duitsland, par. 64, en EHRM 31 januari 2006, nr. 50252/99, Sezen v. Nederland, par. 47 en 49; EHRM 17 februari 2009, nr. 27319/07; EHRM Onur v. Verenigd Koninkrijk). Verzoekende partij maakt niet concreet aannemelijk dat zij en haar gezinsleden hun gezinsleven in Marokko niet zouden kunnen verderzetten. Uit een lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de verweerder de keuze laat aan verzoekende partij en haar gezin hoe zij hun gezinsleven willen invullen, hetzij door zich naar het land van herkomst van verzoekende partij te begeven waar verzoekende partij samen met haar gezin zou kunnen verblijven, hetzij door gebruik te maken van moderne communicatiemiddelen en periodieke bezoeken van de echtgenote en de kinderen in het land van herkomst van verzoekende partij om het gezinsleven verder invulling te geven. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.380 VII-42.926-3/5 Wat de eerste optie betreft (verzoekende partij keert met echtgenote en hun minderjarige kinderen terug naar Marokko) laat verzoekende partij gelden dat deze redenering in het hoger belang van het kind moeilijk te begrijpen is. Zij laat evenwel na te specifiëren in welke mate deze piste het hoger belang van het kind in het gedrang brengt. Wat de tweede optie betreft (verzoekende partij keert zonder echtgenote en hun minderjarige kinderen terug naar Marokko en er wordt invulling gegeven aan het gezinsleven door middel van periodieke bezoeken en moderne communicatiemiddelen) blijkt uit de synthesememorie dat verzoekende partij deze optie niet genegen is. Verzoekende partij heeft evenwel niet met concrete elementen aangetoond dat zij haar gezinsleven geen invulling zou kunnen geven door middel van de eerste optie. Verzoekende partij voert aan dat haar familiaal leven betreft er nog maar eens herhaald wordt dat zij de gevangenis niet heeft verlaten, wat onjuist is. De Raad ziet niet in en de verzoekende partij verduidelijkt niet verder waar zij dit precies in de bestreden beslissing leest. Dit betoog mist feitelijke grondslag. Het loutere gegeven dat de thans bestreden beslissing gelijkluidende motieven bevat als eerdere beslissingen die ten aanzien van verzoekende partij werden genomen, betekent an sich nog niet dat de bestreden beslissing onzorgvuldig dan wel kennelijk onredelijk is.” Verzoeker geeft niet aan en toont a fortiori niet aan dat en in welke mate de voormelde motieven geen voldoende antwoord zouden vormen op de door hem voorgehouden schendig van artikel 8 van het EVRM. Hij toont in die mate dan ook geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet. 6. Het tweede middel is kennelijk ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.380 VII-42.926-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven augustus tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.380 VII-42.926-5/5

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot