RvS-16381
🏛️ Raad van State
📅 2025-08-07
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 29 juli 1991, 30 november 2006
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.381 van 7 augustus 2025
in de zaak A. 244.849/VII-42.895
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Piet Heyvaert
kantoor houdend te 1060 Brussel
Berckmansstraat 89
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 12 mei 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 324.645 van 4 april 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 23 mei 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Noch de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht als algemene
beginselen van behoorlijk bestuur noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn van toepassing op
jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee, te dezen met
hervormingsbevoegdheid, uitspraak is gedaan over een beroep tegen een beslissing van de
verwerende partij waarmee een verzoek om internationale bescherming onontvankelijk is
verklaard.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.381 VII-42.895-1/6
2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van
19 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim
tegen de Duitse Bondsrepubliek e.a., gesteld dat “in het kader van het gemeenschappelijk
Europees asielstelsel [moet] worden aangenomen dat de behandeling van personen die om
internationale bescherming verzoeken, in elke lidstaat in overeenstemming is met de vereisten
van het Handvest, het Verdrag van Genève en het EVRM”, dat “toch […] niet [kan] worden
uitgesloten dat de werking van dit stelsel in de praktijk in een bepaalde lidstaat grote
moeilijkheden ondervindt, en dat dus een ernstig risico bestaat dat personen die om
internationale bescherming verzoeken, in die lidstaat worden behandeld op een wijze die hun
grondrechten schendt” en dat, “wanneer de rechter bij wie beroep wordt ingesteld tegen een
besluit waarbij een nieuw verzoek om internationale bescherming is afgewezen wegens niet-
ontvankelijkheid, over gegevens beschikt die de verzoeker heeft overgelegd om aan te tonen
dat er in de lidstaat die reeds subsidiaire bescherming heeft verleend, een dergelijk risico
bestaat, […] deze rechter dan ook ertoe [is] gehouden om op basis van objectieve,
betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het
beschermingsniveau van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, te oordelen of er
sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde
groepen van personen raken”. Het Hof benadrukt in dat verband dat de voormelde
tekortkomingen “alleen dan onder artikel 4 van het Handvest vallen […] wanneer die
tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, wat afhangt van
alle gegevens [van] de zaak”. Het Hof overweegt dat “deze bijzonder hoge drempel van
zwaarwegendheid is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat
tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten
zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande
materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire
behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou
hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou
brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid” en dat “[d]ie drempel […] dus
niet [wordt] bereikt in situaties die, ook al worden zij gekenmerkt door een grote onzekerheid
of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon, geen
zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor deze persoon in een situatie
terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke
of vernederende behandeling”. Het Hof stelt nog dat een bepaalde omstandigheid in de andere
lidstaat “alleen dan [kan] leiden tot de vaststelling dat de verzoeker er wordt blootgesteld aan
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.381 VII-42.895-2/6
een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest, wanneer die
omstandigheid tot gevolg heeft dat die verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid,
buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer
verregaande materiële deprivatie”.
3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen herneemt in het bestreden
arrest uitdrukkelijk de volgende motieven uit de voor hem aangevochten beslissing betreffende
de levensomstandigheden voor verzoeker in Cyprus:
“Waar uit de elementen in uw administratief dossier zou blijken dat u als verzoeker om
internationale bescherming in Cyprus, dus vooraleer er u internationale bescherming
werd verleend, geconfronteerd werd met bepaalde moeilijke situaties zoals een verblijf
in een woning van de overheid waar u gediscrimineerd werd door andere bewoners […],
moet worden opgemerkt dat deze feiten zich situeren op een welbepaalde plaats,
gedurende een welbepaalde periode en binnen een welbepaalde context. U legt een
document neer van 26 oktober 2022, toen uw procedure nog lopende was, waaruit blijkt
dat de Cypriotische staat u liet weten dat u tot 5 december 2022 recht had op opvang die
door hun betaald zou worden en dat u dit daarna zelf zou moeten voorzien. Uit uw
verklaringen blijkt echter dat u soms dergelijke brieven ontving, maar dat u uiteindelijk
gedurende uw volledige procedure in de overheidsopvang kon blijven […]. Bijgevolg
is deze situatie niet zonder meer representatief voor de kwalificatie en beoordeling van
uw situatie als begunstigde van internationale bescherming nadien, aan wiens status,
overeenkomstig het recht van de Unie, diverse rechten en voordelen verbonden zijn.
Hoewel verder uit elementen in uw administratief dossier zou blijken dat u ook als
begunstigde van internationale bescherming in Cyprus geconfronteerd werd met
moeilijke levensomstandigheden op het vlak van huisvesting, inkomen en integratie
voldoet deze situatie niet aan de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid en
cumulatieve voorwaarden zoals bepaald door het Hof van Justitie. Hoewel dergelijke
moeilijkheden aanwijzing kunnen vormen van bepaalde problematische situaties zoals
deze ook geïdentificeerd worden door het Hof (zie hoger), moet vooreerst worden
opgemerkt dat op grond hiervan niet kan worden besloten dat u door de
onverschilligheid van de daar aanwezige autoriteiten, en voor zover u volledig
afhankelijk zou zijn geweest van overheidssteun, buiten uw wil en uw persoonlijke
keuzes om, terecht bent gekomen in een toestand van zeer verregaande materiële
deprivatie die u niet in staat stelt om te voorzien in uw meest elementaire behoeften
zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en die negatieve gevolgen zou
hebben voor uw fysieke of mentale gezondheid of u in een toestand van achterstelling
zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Evenmin zijn er
concrete indicaties dat dit het geval zou zijn bij een terugkeer er naartoe.
Om te beginnen wordt vastgesteld dat u in Cyprus steeds ondersteuning kreeg van de
Cypriotische overheid. Zo ontving u nadat u uw status toegekend had gekregen
maandelijks een tijdelijke uitkering in afwachting van de goedkeuring van uw vaste
uitkering, werd er voor u onderdak geregeld en had u een medische kaart waarmee u uw
ziekenhuiskosten kon laten betalen door de staat […]. Verder betaalde de overheid uw
taallessen en sloeg u er al in om de cursus met taalniveau A1 succesvol af te ronden
[…]. Daarnaast kreeg u steun van sociale organisaties en ngo’s zoals My Hub, CODECA
en Caritas die u hielpen met het in orde brengen van bepaalde administratieve taken, het
maken en/of gaan naar ziekenhuisafspraken, en het in orde brengen van uw documenten
[…].
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.381 VII-42.895-3/6
Het CGVS ontkent niet dat het feit dat u sinds de geboorte blind bent een stevige impact
heeft op uw leven en op de zelfredzaamheid van uw persoon. Zonder afbreuk te doen
aan de moeilijkheden waarmee u te maken krijgt omwille van uw beperking dient te
worden opgemerkt dat hieruit niet kan worden afgeleid dat uw rechten in Cyprus niet
gerespecteerd worden. Uit uw verklaringen blijkt namelijk dat u voldoende steun kreeg
en dit uit verschillende hoeken, namelijk van de overheid, van ngo’s en van uw eigen
netwerk van Somalische vrienden in Cyprus […]. Het feit dat u voelde dat u extra steun
nodig had omdat u soms langer moest wachten op een vriend die u kon helpen om
boodschappen te doen of eten te maken, of omdat het erg moeilijk was om zonder
familie uw leven uit te bouwen, zijn zaken waarvoor de Cypriotische staat niet
verantwoordelijk gesteld kan worden. U zou namelijk voor dezelfde uitdagingen staan
mocht u zich elders op een nieuwe plek moeten vestigen. Hieruit kan dan ook geen
gegronde vrees voor vervolging uit worden afgeleid. Bovendien blijkt ook uit het feit
dat u er in sloeg om alleen uw reis naar België te regelen en die weg alleen af te leggen
dat u voldoende zelfredzaam bent om zich staande te houden […].
Wat betreft het feit dat u hoopt op een medische behandeling in België wordt opgemerkt
dat de beoordeling van de nood aan bescherming omwille van louter medische redenen
buiten de bevoegdheid van het CGVS valt. U dient voor de beoordeling van medische
elementen de geëigende procedure aan te wenden. Dit is de aanvraag voor een
machtiging tot verblijf gericht aan de minister of zijn gemachtigde op basis van
artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. De medische attesten die u voorlegt geven
informatie over uw medische toestand, die in deze beslissing niet betwist wordt.
Uw schoolresultaten van in Somalië tonen aan dat u er naar school ging, maar kunnen
verder aan de inhoud van bovenstaande beslissing niets veranderen.”
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt met betrekking
tot de door verzoeker bijgebrachte landeninformatie:
“In zijn verzoekschrift en aanvullende nota haalt verzoeker landeninformatie aan met
betrekking tot de situatie van personen die de internationale bescherming genieten.
Verzoeker benadrukt dat er problemen zijn met het verkrijgen van documenten, toegang
tot huisvesting, arbeid en sociale bijstand. Hierbij bij onderstreept verzoeker zijn
bijzonder kwetsbaar profiel. Echter blijkt uit de concrete, omstandige motivering dat
verzoeker, hoewel hij werd geconfronteerd met bepaalde moeilijkheden, zich geenszins
bevond in een situatie van verregaande materiële deprivatie. In wezen beperkt verzoeker
zich tot het tegenspreken van de gevolgtrekking van de commissaris-generaal, doch
wordt de beoordeling zoals deze werd gemaakt in de bestreden beslissing bijgetreden
door de Raad.
De landeninformatie die verder werd aangevoerd door de commissaris-generaal, alsook
door verzoeker, in de aanvullende nota’s schraagt verder de conclusie dat verzoeker zich
kan beroepen op de internationale bescherming in Cyprus. Geenszins blijkt uit de
voormelde landeninformatie dat personen die internationale bescherming genieten op
systematische wijze terechtkomen in een situatie van verregaande materiële deprivatie
die hen niet in staat stelt om te voorzien in hun meest elementaire behoeften.
De psychologische problematiek die wordt toegelicht in de aanvullende nota’s doet geen
afbreuk aan de voorgaande beoordeling. Er is sprake van stress en depressieve
gevoelens die worden gelinkt aan zijn blindheid, de lopende asielprocedure en zijn
verblijf in Cyprus. Het laatste attest van 2 februari 2025 vermeldt dat verzoeker eindelijk
een beetje het gevoel heeft van vooruit te kunnen in het leven en dat het daarom erg
belangrijk is om in België te kunnen blijven om er gericht aan zijn toekomst te werken.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.381 VII-42.895-4/6
Verzoeker, die in juli 2024 werd aangemeld, startte met individuele psychotherapie,
komt een keer om de veertien dagen op gesprek en zal deze psychotherapeutische
opvolging verderzetten.
Wat diens medische problematiek van blindheid en de beschikbaarheid en
toegankelijkheid van een behandeling betreft, wordt terecht door de bestreden beslissing
opgemerkt dat dit buiten de bevoegdheid van de commissaris-generaal valt. In wezen
stuurt verzoeker aan op een toekenning van een machtiging tot verblijf op basis van
artikel 9ter van de Vreemdelingenwet, waarvoor hij zich tot de minister of diens
gemachtigde moet wenden. De toekenning van een verblijfsstatus om andere redenen
dan de behoefte aan internationale bescherming in de zin van artikel 1, § 1, 16°, van de
Vreemdelingenwet, namelijk op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire
gronden valt buiten de bevoegdheid van de commissaris-generaal en de Raad
(HvJ 18 december 2014, nr. C-542/13, punt 46). De Raad merkt hierbij bovendien op
dat verzoeker geenszins aantoont dat er geen medische behandeling mogelijk is in
Cyprus, althans wordt dit niet gestaafd door het feit dat er een beroep werd gedaan op
een moleculair labo in Duitsland. Zelfs al was dit het geval, dan nog kan een verschil in
het niveau van gezondheidszorg geenszins leiden tot de conclusie dat verzoeker zich
niet langer effectief kan beroepen op de internationale bescherming die hem aldaar werd
toegekend, zoals tevens werd aangemerkt door de bestreden beslissing.
Gelet op het voorgaande stelt de Raad vast dat verzoeker geen elementen aanbrengt
waaruit blijkt dat hij zich niet langer kan beroepen op de internationale bescherming die
hem reeds werd toegekend in Cyprus.”
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunt zich aldus op een
onderzoek van verzoekers concrete situatie om te oordelen dat verzoeker niet aannemelijk
maakt in Cyprus te zijn terechtgekomen in een toestand van zeer verregaande materiële
deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften zoals
eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en die negatieve gevolgen zou hebben voor
zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die
onverenigbaar is met de menselijke waardigheid en dat er ook geen concrete indicaties zijn dat
dit het geval zou zijn bij een terugkeer naar Cyprus. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
geeft vervolgens aan waarom de door verzoeker bijgebrachte algemene landeninformatie
daaraan geen afbreuk doet, namelijk omdat “uit de concrete, omstandige motivering [blijkt]
dat verzoeker, hoewel hij werd geconfronteerd met bepaalde moeilijkheden, zich geenszins
bevond in een situatie van verregaande materiële deprivatie”.
Verzoeker toont met de algemene bewering van het tegendeel niet aan
dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met die beoordeling artikel 48/6 of
artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot
het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’
(hierna: vreemdelingenwet), in samenhang met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten
van de Europese Unie heeft geschonden.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.381 VII-42.895-5/6
4. Uit de supra geciteerde motieven blijkt dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen eveneens verzoekers blindheid en psychische problemen,
alsmede de toegang tot behandeling in Cyprus, in zijn beoordeling heeft betrokken, dit op
concrete wijze. Verzoeker kan dan ook niet ernstig voorhouden dat “deze elementen volledig
buiten beschouwing [werden] gelaten” bij het onderzoek of verzoeker omwille van een
bijzondere kwetsbaarheid zou terechtkomen in een staat van verregaande materiële deprivatie.
Ook in dit opzicht toont verzoeker geen schending aan van artikel 48/6 of
artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet, in samenhang met artikel 4 van het
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5. Het enige middel is in de aangegeven mate, voor zover ontvankelijk,
kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven augustus
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.381 VII-42.895-6/6