Naar hoofdinhoud

RvS-16382

🏛️ Raad van State 📅 2025-08-11 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet, gw

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.382 van 11 augustus 2025 in de zaak A. 245.067/VII-42.923 In zake : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tine Bricout en Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXXXX ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 juni 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 326.399 van 9 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 augustus 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste onderdeel van het enige middel 1. De door artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.382 VII-42.923-1/5 gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. Artikel 48/6, § 5, van de vreemdelingenwet bepaalt dat de met het onderzoek belaste instanties het verzoek om internationale bescherming beoordelen “op individuele, objectieve en onpartijdige wijze”. Zoals de verzoekende partij zelf aangeeft, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 4 oktober 2018 in de zaak C-624/15, Ahmedbekova en Ahmedbekov tegen Bulgarije, eerst gesteld dat “volgens vaste rechtspraak elke beslissing over de verlening van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus [moet] worden gebaseerd op een individuele beoordeling […], waarmee moet worden bepaald of, rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de verzoeker, is voldaan aan de voorwaarden voor verlening van een dergelijke status” en dit vervolgens genuanceerd als volgt: “ Hoewel uit het voorgaande volgt dat een verzoek om internationale bescherming niet zonder meer kan worden toegewezen op grond dat een gezinslid van de verzoeker gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico van ernstige schade loopt, moet, zoals de advocaat-generaal in punt 32 van zijn conclusie heeft uiteengezet, wel rekening worden gehouden met dergelijke bedreigingen waaraan een gezinslid van de verzoeker is blootgesteld, teneinde te bepalen of de verzoeker wegens zijn familieband met die bedreigde persoon, zelf wordt bedreigd met vervolging of ernstige schade.” 2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat “[v]erzoeker stelt zijn land van herkomst te hebben verlaten en niet te kunnen terugkeren naar dit land omdat hij aldaar slachtoffer zou riskeren te worden van bloedwraak en omdat hij van mening is dat hij in dit kader in zijn land van herkomst geen bescherming kan verkrijgen” en hij vat de motieven samen op grond waarvan in de voor hem aangevochten beslissing van de huidige verzoekende partij (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) werd besloten dat huidige verweerder op deze basis niet in aanmerking komt voor de toekenning van internationale bescherming. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “lijken” de voormelde motieven “prima facie” steun te vinden in het administratief dossier en pertinent en terecht te zijn en “lijkt” uit die motieven en de elementen uit het administratief dossier bovendien te kunnen worden afgeleid dat er ten overstaan van de familie van huidige verweerder, en dus ook ten aanzien van zijn broer […], geen sprake kan zijn van enige bloedwraak. Vervolgens wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwisting op het niet betwiste gegeven, zoals vastgesteld in de aanvankelijk bestreden beslissing, dat de broer […] van huidige verweerder in België nog steeds is erkend als vluchteling omwille van dezelfde bloedwraak waarop huidige verweerder zich beroept. De Raad voor ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.382 VII-42.923-2/5 Vreemdelingenbetwistingen merkt dienaangaande op “dat het gegeven dat de motieven die zijn opgenomen in de bestreden beslissing prima facie steun lijken te vinden in het administratief dossier en pertinent en terecht lijken te zijn en dat de elementen die heden voorliggen er, mede gelet op de door verzoeker aangevoerde informatie inzake de praktijk van bloedwraak, op lijken te wijzen dat er hoegenaamd geen sprake kan zijn van enige bloedwraak ten aanzien van verzoekers familie, eveneens afbreuk lijkt te doen aan zowel de ernst, de geloofwaardigheid als de gegrondheid van de indertijd aangevoerde vrees voor vervolging in hoofde van verzoekers broer” en dat “[b]ijgevolg […] het gegeven dat verzoekers broer (nog steeds) erkend is als vluchteling onverenigbaar [lijkt] met de inhoud van de in de bestreden beslissing opgenomen motieven en de heden voorliggende elementen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht het “te dezen onmogelijk een zicht te krijgen op de redenen waarom verzoekers broer op grond van dezelfde problemen en vrees als deze die door verzoeker worden aangehaald wel (nog steeds) erkend is als vluchteling, hetgeen impliceert dat er ten aanzien van deze broer nog steeds wordt geoordeeld dat diens problemen en vrees geloofwaardig zijn en dat hij in het kader van deze problemen […] bescherming kan genieten, doch verzoeker niet”. Omdat hij de nodige onderzoeksbevoegdheid ontbeert, ontbreekt het volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve aan essentiële elementen om te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1°, van de vreemdelingenwet bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen, zodat hij de aanvankelijk bestreden beslissing overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° van de vreemdelingenwet vernietigt. 3. Met de voormelde motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enerzijds aan dat de weigeringsmotieven van de aanvankelijk bestreden beslissing “prima facie” steun vinden in het dossier en erop “lijken” te wijzen dat geen sprake kan zijn van de ingeroepen bloedwraak, en dat de broer van huidige verweerder op die grond echter wel werd erkend als vluchteling en nog steeds als dusdanig is erkend. Net uit het gebruik van de woorden “prima facie” en “lijken”, gevolgd door de vaststelling dat de broer van huidige verweerder werd erkend en nog steeds is erkend als vluchteling, blijkt waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is niet tot de bevestiging of hervorming van de aanvankelijk bestreden beslissing te kunnen besluiten zonder verder onderzoek, meer bepaald naar de omstandigheden waarom de broer van huidige verweerder (nog steeds) is erkend als vluchteling. De verzoekende partij toont in dat opzicht geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.382 VII-42.923-3/5 4. Met de in punt 3 supra aangegeven motivering stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet dat huidige verweerder internationale bescherming moet krijgen, enkel omdat zijn broer als vluchteling werd erkend en nog steeds is erkend in België. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht het, in het licht van de onverenigbaarheid van de motieven uit de aanvankelijk bestreden beslissing enerzijds en de erkenning als vluchteling van huidige verweerders broer anderzijds, niet mogelijk om zonder verder aanvullende onderzoeksmaatregelen tot een bevestiging of een hervorming van de aanvankelijk bestreden beslissing te komen. Het nader onderzoek naar de omstandigheden waarin huidige verweerders broer werd erkend en nog steeds is erkend als vluchteling op grond van hetzelfde asielmotief dat in de aanvankelijk bestreden beslissing echter niet wordt aanvaard in hoofde van huidige verweerder, doet op zich geen afbreuk aan het individuele karakter van de beoordeling van huidige verweerders verzoek om internationale bescherming. Er blijkt derhalve geen schending van artikel 48/6, § 5, van de vreemdelingenwet. Tweede onderdeel van het enige middel 5. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt niet eenduidig vast dat de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing steun vinden in het administratief dossier noch dat er geen sprake kan zijn van de ingeroepen bloedwraak. Hij overweegt enkel dat die motieven “prima facie” steun vinden in het administratief dossier en dat de voorliggende elementen er “lijken” op te wijzen dat geen sprake is van bloedwraak tegen de familie van huidige verweerder. Vervolgens wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op de onverenigbaarheid tussen enerzijds de aanvankelijk bestreden beslissing en anderzijds het gegeven dat de broer van huidige verweerder nog steeds is erkend als vluchteling. Het vormt geen tegenstrijdigheid van motieven in het bestreden arrest om na deze overwegingen te oordelen dat het “te dezen onmogelijk [is] een zicht te krijgen op de redenen waarom verzoekers broer op grond van dezelfde problemen en vrees als deze die door verzoeker worden aangehaald wel (nog steeds) erkend is als vluchteling, hetgeen impliceert dat er ten aanzien van deze broer nog steeds wordt geoordeeld dat diens problemen en vrees geloofwaardig zijn en dat hij in het kader van deze problemen […] bescherming kan genieten, doch verzoeker niet”. De verzoekende partij toont in dat opzicht geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.382 VII-42.923-4/5 Verder behoort het tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter om te oordelen of hij al dan niet beschikt over voldoende elementen om tot de bevestiging of de hervorming van de voor hem aangevochten beslissing te komen zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Conclusie 6. Het enige middel is in zijn beide onderdelen kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf augustus tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.382 VII-42.923-5/5

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot