RvS-16411
🏛️ Raad van State
📅 2025-09-02
🌐 FR
Beschikking
gegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
29 juli 1991, 30 november 2006
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.411 van 2 september 2025
in de zaak A. 245.201/VII-42.944
In zake : XXXXX
wonende te XXXXX
XXXXX
alwaar keuze van woonst wordt gedaan
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Marc Sampermans
kantoor houdend te 3500 Hasselt
Koningin Astridlaan 46
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door
de minister van Asiel en Migratie
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 30 juni 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 327.249 van 26 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 26 augustus 2025 aangekomen ter
griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste middel: “Schending het rechtszekerheid en vertrouwensbeginsel + art. 6 EVRM”
1. Het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zijn als
algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen
zoals het bestreden arrest.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.411 VII-42.944-1/3
2. Verzoeker beroept zich verder op artikel 6 van het Europees Verdrag
tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM).
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig gesteld
dat geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het
grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6 van het EVRM vallen (zie EHRM (GK)
5 oktober 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK) 4 februari 2005, Mamatkulov en
Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008, Hussain/Roemenië; EHRM 27 februari 2014,
Zarmayev/België). Met de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bestreden
beslissing spreekt de verwerende partij zich uit noch over burgerlijke rechten, noch over de
gegrondheid van enige strafvervolging. Een schending van voormelde verdragsbepaling kan
derhalve niet op ontvankelijke wijze worden opgeworpen tegen het bestreden arrest.
3. Het eerste middel is kennelijk niet ontvankelijk.
Tweede middel: “Schending van artikel 2 en 3 de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering
van bestuurshandelingen (Wet 29 juli 1991), de schending van de formele motiveringsplicht,
de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel”
4. Net als het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, is het
zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op
jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.
5. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn als dusdanig niet van toepassing
op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker kan dan ook geen
schending van deze bepalingen inroepen omdat het bestreden arrest geen voldoende
motivering zou bevatten.
6. Het tweede middel is kennelijk niet ontvankelijk.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.411 VII-42.944-2/3
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twee september
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.411 VII-42.944-3/3