Naar hoofdinhoud

RvS-16414

đŸ›ïž Raad van State 📅 2025-09-03 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 29 juli 1991, 30 november 2006, Grondwet, gw

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.414 van 3 september 2025 in de zaak A. 244.899/VII-42.902 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan Waldmann kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 mei 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 325.350 van 17 april 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 juni 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, noch de materiĂ«lemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.414 VII-42.902-1/8 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 3. Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn argumentatie betreffende het gebrek aan voldoende en objectieve landeninformatie over de actuele situatie in Afghanistan, in het bijzonder voor terugkeerders uit het Westen, onvoldoende beantwoordt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer het volgende over de algemene situatie in Afghanistan voor terugkeerders uit het Westen: “Wat betreft personen die Afghanistan verlieten, bestaat er een negatief beeld onder taliban-sympathisanten en sommige talibansegmenten. Mensen die vertrekken worden gezien als mensen zonder islamitische waarden of op de vlucht voor zaken die zij hebben gedaan. De opperste leider van de taliban, Hibatullah Akhundzada, benadrukte het belang om Afghanen in Afghanistan te houden, waarbij hij aangeeft dat de ‘geloofsethiek en denkwijze’ van Afghanen die Afghanistan verlaten in gevaar werden gebracht en dat zij worden gedwongen om schandalen tegen de islam en het islamitische systeem te verzinnen om asiel te krijgen (voetnoot 476, TOLOnews, ‘Fears, Needs of Fleeing Afghans Must Be Addressed: Akhundzada’, 8 december 2021 in EUAA ‘Afghanistan targeting of individuals’, augustus 2022, p. 51). Er is evenwel sprake van een ambigue houding van de taliban tegenover terugkeerders. Zo lijken zij wel begrip op te brengen voor personen die Afghanistan om economische redenen verlieten, zoals de oude traditie van mannen van Pashtou-origine die gedurende een bepaalde periode in het buitenland werken. De taliban kijken echter anders naar leden van de elite – zoals voormalige overheidsmedewerkers, maar ook activisten, journalisten, intellectuelen, enzovoort – die worden beschouwd als corrupt of besmet en van wie wordt gesteld dat ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.414 VII-42.902-2/8 zij wortels in Afghanistan missen. Deze negatieve attitude strekt zich ook uit tot de algemene bevolking, die de voormalige overheid en elite corruptie verwijt. In het bijzonder in rurale Pashtou-gebieden wordt met argwaan gekeken naar personen die Afghanistan verlieten en naar de Verenigde Staten of Europa zijn gegaan (EUAA ‘Afghanistan targeting of individuals’, augustus 2022, p. 50-51). Desalniettemin hebben taliban-functionarissen herhaaldelijk Afghanen opgeroepen om naar Afghanistan terug te keren, onder wie voormalige politici, militaire en civiele leiders, universiteitsdocenten, zakenlieden en investeerders. Hoge taliban- functionarissen riepen voorts de duizenden Afghanen die na de overname waren gevlucht op om terug te keren, alsook alle Afghanen die in het buitenland wonen en voormalige tegenstanders van de taliban. Uit de bijgebrachte landeninformatie blijkt dat voorts voornamelijk personen die in Iran, Pakistan en Turkije verbleven al dan niet vrijwillig zijn teruggekeerd naar Afghanistan en dat honderdduizenden Afghanen zijn gerepatrieerd vanuit Iran en Pakistan in 2024, waarbij zij materiĂ«le ondersteuning kregen om terug te keren naar hun regio van oorsprong. De bronnen geven aan dat heden nog niet veel personen uit het Westen zijn teruggekeerd en de informatie hierover blijft beperkt en anekdotisch. Volgens persberichten stuurde Frankrijk in maart 2023 één Afghaanse man en Duitsland in maart 2024 28 Afghanen gedwongen terug. Het ging telkens om personen die criminele feiten hadden gepleegd. Volgens Der Spiegel werden deze personen opgesloten bij terugkeer maar na een week weer vrijgelaten, terwijl een aantal onder een vorm van huisarrest geplaatst en ondervraagd werden. Een prominent activist voor het recht op onderwijs voor meisjes werd begin 2023 gearresteerd na een bezoek aan Brussel waar hij diplomaten en EU-ambtenaren had ontmoet en werd vervolgens zeven maanden opgesloten (EUAA, ‘Afghanistan – Country Focus’, november 2024, p. 44- 45). Volgens sommige (deels anonieme) bronnen zijn controles op de luchthaven van Kaboel zeer grondig en hebben de facto-immigratieambtenaren lijsten van gezochte personen onder wie voormalige medewerkers van de ANDSF. Een andere, anonieme, bron stelt dat de taliban weinig informatie hebben over teruggekeerde personen en dat terugkeerders misschien de les gespeld krijgen door een mullah over de gevaren van emigratie. Volgens een mensenrechtenactiviste die buiten Afghanistan actief is, zou terugkeer voor personen die geen problemen hebben met de de facto- autoriteiten mogelijk zijn, maar zou dit wel een probleem kunnen zijn voor personen met een hoog profiel (EUAA, ‘Afghanistan - Country Focus’, november 2024, p. 45, wat in de lijn ligt van wat eerder door een anonieme organisatie binnen Afghanistan werd gesteld, zie EUAA, ‘Afghanistan targeting of individuals’, augustus 2022, p. 55). Volgens het Algemeen Ambtsbericht is het, net omwille van de beperkte en anekdotische informatie hierover, onduidelijk of en welke eventuele problemen teruggekeerde Afghanen zouden kunnen krijgen en hoe zij zouden worden behandeld bij terugkeer naar Afghanistan, (EUAA ‘Afghanistan targeting of individuals’, augustus 2022, p. 53-55; ‘Algemeen Ambtsbericht Afghanistan’, p. 148-149; COI Focus Afghanistan, ‘Migratiebewegingen van Afghanen sinds de machtsovername door de taliban van 14 december 2023’, p. 36). Sommige bronnen geven evenwel aan dat in de praktijk op dorpsniveau de plaatselijke leiders zullen weten wie is teruggekeerd (voetnoot 514: Denmark, DIS, ‘Afghanistan – taliban’s impact on the population’, June 2022, p. 23 en 38 in EUAA, (Afghanistan: targeting of individuals’, augustus 2022, p. 55). Het is voor de taliban in dorpen dan ook gemakkelijker om informatie in te winnen of te horen te krijgen over personen die zijn teruggekeerd (Ministerie van Buitenlandse Zaken, “Algemeen Ambtsbericht Afghanistan”, juni 2023, p. 44). Het Noorse Landinfo benadrukt dat de Afghaanse maatschappij zeer divers en complex is en dat er een grote variatie in houdingen en tal van lokale verschillen mogelijk zijn en er wordt aangenomen dat dit ook van toepassing is op de wijze waarop mensen die ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.414 VII-42.902-3/8 terugkeren uit het Westen worden gepercipieerd. Mogelijke reacties zullen dus steeds afhankelijk zijn van het individuele profiel van de persoon die terugkeert, het netwerk dat deze persoon heeft in Afghanistan en de plaats in Afghanistan naar waar deze persoon terugkeert (COI Focus Afghanistan, ‘Migratiebewegingen van Afghanen sinds de machtsovername door de taliban van 14 december 2023’, p. 36). Bronnen geven ook aan dat individuen die als ‘verwesterd’ worden gezien, bedreigd kunnen worden door de taliban, hun familie of buren omdat ze worden gezien als ‘verraders’ of ‘ongelovigen’. De negatieve perceptie ten aanzien van terugkeerders kan tevens resulteren in stigmatisering, waarbij de terugkeerders met argwaan kunnen worden bekeken en wordt aangenomen dat zij een mislukking zijn of een misdrijf moeten hebben gepleegd, dan wel dat zij terugkeren met veel geld (EUAA ‘Afghanistan targeting of individuals’, augustus 2022, p. 51, EUAA, ‘Afghanistan - Country Focus’, december 2023, p. 100). Stigmatisering, discriminatie of uitstoting kunnen echter slechts in uitzonderlijke gevallen worden beschouwd als vervolging of ernstige schade. Dit dient samen met andere individuele elementen te worden beoordeeld, waaronder de ernst en het systematische karakter ervan, evenals de vraag of er sprake is van een cumulatie aan gedragingen of maatregelen. Uit de vermelde objectieve landeninformatie blijkt heden dus niet dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen. Wel kunnen volgende risicoprofielen kunnen worden aangeduid: [
]” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat eveneens in op het gegeven dat tot heden nog maar weinig Afghanen uit het Westen zijn teruggekeerd naar hun land: “In zijn aanvullende nota brengt verzoeker vooreerst aan dat het percentage terugkeerders vanuit het Westen dusdanig klein is sedert augustus 2021 dat er geen veilige terugkeermogelijkheden uit kunnen worden afgeleid, zeker voor wat betreft verwesterde jongeren of zij die aldus gepercipieerd dreigen te worden. Het is waar dat de bronnen aangeven dat heden nog niet veel personen uit het Westen zijn teruggekeerd en dat het onduidelijk is of en welke eventuele problemen teruggekeerde Afghanen zouden kunnen krijgen en hoe zij zouden worden behandeld bij terugkeer naar Afghanistan, aangezien de informatie hierover beperkt en anekdotisch is (cf. o.a. COI Focus Afghanistan, ‘Migratiebewegingen van Afghanen sinds de machtsovername door de taliban’ van 14 december 2023, p. 36). Er moet dus zeker met de nodige omzichtigheid worden tewerk gegaan, waarbij het in de huidige stand van zaken in de eerste plaats aan een verzoeker toekomt om concreet aan te tonen dat hij is verwesterd dan wel als verwesterd zal worden beschouwd of als een persoon die de religieuze, morele of sociale normen heeft overschreden.” Verder overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog het volgende, specifiek in antwoord op verzoekers kritiek in zijn aanvullende nota betreffende de informatie over de actuele toestand in Afghanistan voor terugkeerders uit het Westen: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.414 VII-42.902-4/8 “Er kunnen over de prangende situatie in Afghanistan vele bladzijden worden geschreven. De situatie moet zeker en vast beoordeeld worden aan de hand van recente rapporten, maar het CG heeft via de aanvullende nota recente informatie aangebracht, die echter niet toelaat een ander standpunt in te nemen voor de erkenning of toekenning van internationale bescherming (cf. supra). Kernvaststelling is dat de meest recente informatie geen afbreuk doet aan de tendensen en patronen die eerder zijn vastgesteld. [
] Er kan voorts opnieuw worden opgemerkt, zoals het CG ook doet in de aanvullende nota, dat in vergelijking met de periode vóór de machtsovername, waarin bijzonder veel bronnen en organisaties in Afghanistan actief waren en over de veiligheidssituatie rapporteerden, heden minder gedetailleerde en betrouwbare informatie over de situatie in Afghanistan voorhanden is. Evenwel blijkt duidelijk dat de berichtgeving uit en over Afghanistan niet is gestopt, dat tal van bronnen nog steeds beschikbaar zijn en dat nieuwe bronnen zijn verschenen, zoals wordt geattesteerd door de voorgelegde landeninformatie. Bij het opstellen van de rapporten heeft EUAA daarenboven gebruik gemaakt van informatie afkomstig van zowel gouvernementele als niet- gouvernementele (internationale) organisaties. Bovendien zijn verschillende gezaghebbende experten, analisten en (internationale) instellingen de situatie in het land blijven opvolgen en rapporteren zij over gebeurtenissen en incidenten. De verbeterde veiligheidssituatie heeft verder als gevolg dat meer regio’s dan vroeger toegankelijk zijn. Er is aldus wel degelijk voldoende informatie voorhanden om de nood aan internationale bescherming zowel op grond van artikel 48/3 als op grond van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet te analyseren. Voor wat betreft de veiligheidssituatie in Afghanistan kan worden verwezen naar wat wordt uiteengezet onder punt 3.2. van dit arrest. Dat de situatie economisch en humanitair en op het vlak van mensenrechten erop achteruit gaat in Afghanistan wordt niet betwist en hierover kunnen vele bladzijden worden geschreven, maar de nood aan internationale bescherming moet individueel worden aangetoond.” Met de voorgaande overwegingen beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoekers standpunt betreffende het (volgens verzoeker) niet voorhanden zijn van voldoende objectieve informatie over de algemene situatie in Afghanistan, in het bijzonder voor terugkeerders uit het Westen. Daarenboven vermeldt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn beoordeling van die algemene situatie in de punten 3.1.2. en 3.2.4. telkens de recente bronnen (tot en met november 2024) waarop hij zich steunt. Uit dit alles blijkt duidelijk dat en waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat hij, ondanks bepaalde problemen, toch van oordeel is over voldoende informatie te beschikken. 4. Na te hebben verwezen naar verzoekers standpunt over zijn voorgehouden verwestering, ook in verzoekers aanvullende nota, naar verzoekers stukken en naar het pleidooi ter terechtzitting, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.414 VII-42.902-5/8 “Uit alles wat concreet voorligt, blijkt dat verzoeker werkwillig is, een mondje Frans spreekt, sociaal is, uitstapjes doet, o.a. in het kader van een integratiecursus naar het Belgisch parlement zoals bevestigd wordt ter terechtzitting, en daarnaast zijn vrije tijd nuttig probeert in te vullen. Een vroegere relatie met een vriendin alhier wordt niet aangetoond. De Raad gaat in de thans gevoerde procedure echter niet na of verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning wegens integratiebereidheid. Hij gaat wel na of hij in aanmerking komt voor internationale bescherming. Wat verzoeker neerlegt en verklaart kan er echter niet op wijzen dat hij daadwerkelijk is verwesterd, dat hij als dusdanig zou worden gepercipieerd en dreigt in een dermate negatieve aandacht van de taliban te komen dat hij op grond hiervan een beschermingsnood aannemelijk maakt, dan wel dat hij hierdoor dreigt niet in staat te zijn de heersende regels en normen binnen de huidige Afghaanse samenleving, zoals vormgegeven door de taliban, op te volgen. Er kan nergens uit worden afgeleid dat verzoeker een opvatting, gedachte of mening heeft die een uiting is van oppositie of verzet tegen het beleid of methoden van de taliban of zijn omgeving in zijn regio van herkomst, een afwijkende religieuze overtuiging heeft of tot een specifieke sociale groep behoort. Hij maakt evenmin concreet aannemelijk dat dergelijke gedachte, opvatting of mening of religieuze overtuiging hem kan worden toegedicht door de taliban of zijn lokale gemeenschap in zijn regio van herkomst. Hierbij stipt de Raad aan dat verzoeker – rekening houdend met zijn verklaringen afgelegd tijdens het gehoor bij het CG – vlak na de machtsovername door de taliban die plaatsvond op 15 augustus 2021 Afghanistan heeft verlaten [
]. Volgens een leeftijdstest, uitgevoerd in opdracht van de Dienst Voogdij op 5 mei 2022, was verzoeker 20,8 jaar oud met een standaarddeviatie van 1,7 jaar. Aldus heeft verzoeker tot ongeveer de leeftijd van 18 jaar in Afghanistan verbleven. Verzoeker kan aldus niet worden gevolgd waar hij in de aanvullende nota poneert dat hij als minderjarige zijn land is ontvlucht. Hieruit kan worden afgeleid dat hij reeds in Afghanistan was gevormd naar de plaatselijke waarden en normen. Gelet op het feit dat hij op 29 april 2022 een verzoek om internationale bescherming in BelgiĂ« indiende, verblijft hij hier afgerond drie jaar, wat niet van een zodanig lange duur is dat hij dermate zou zijn verankerd in de Belgische samenleving dat hij totaal zou zijn vervreemd van de Afghaanse normen en waarden en zich deze niet meer eigen zou kunnen maken bij terugkeer. Verzoeker heeft ook nog een familiaal netwerk in zijn regio van herkomst, met name zijn ouders evenals een jongere zus en broer. Tijdens het gehoor bij het CG verklaarde hij contact te hebben met zijn ouders [
]. Ter terechtzitting, waar verzoeker gebruik maakt van een tolk, bevestigt hij contact te hebben met zijn ouders. Het laatste contact dateerde van ongeveer een week voor de terechtzitting. Hij moet daarom redelijkerwijze in staat worden geacht op de hoogte te zijn of te worden gesteld van de actueel heersende normen en waarden in Afghanistan zoals vormgegeven door de taliban en deze in acht te nemen. In zoverre verzoeker van oordeel is dat verweerder geen onderzoek heeft gevoerd ‘naar het risico noch enige vraag stelde aan de verzoekende partij over een vrees door terugkeer uit België’, wijst de Raad erop dat verzoeker reeds verschillende kansen heeft gekregen om zijn situatie als terugkeerder vanuit de westerse wereld in de loop van de administratieve procedure ter sprake te brengen als reden waarom hij niet naar zijn land van herkomst zou kunnen terugkeren. Verzoeker is zelf verantwoordelijk voor de verklaringen die hij al dan niet aflegt. Bovendien kon verzoeker hierover in zijn verzoekschrift bijkomende verklaringen afleggen en via een aanvullende nota, ten laatste ter terechtzitting, nieuwe elementen voorleggen inzake zijn situatie als terugkeerder en zijn daaruit voortvloeiende vrees. Zoals hiervoor vastgesteld, tonen de door verzoeker aangevoerde elementen niet aan dat hij daadwerkelijk is verwesterd, dat hij als dusdanig zou worden gepercipieerd en dreigt in een dermate negatieve aandacht van de taliban te komen dat hij op grond hiervan een beschermingsnood aannemelijk ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.414 VII-42.902-6/8 maakt, dan wel dat hij hierdoor dreigt niet in staat te zijn de heersende regels en normen binnen de huidige Afghaanse samenleving, zoals vormgegeven door de taliban, op te volgen. Verzoeker toont dit ook niet aan door in de aanvullende nota opnieuw te benadrukken dat op grond van ‘twee eenvoudige en gemakkelijk waarneembare elementen’ namelijk zijn omgang met Westerlingen en zijn verblijf in een Westers land een gegronde vrees voor vervolging is aangetoond.” Met het voorgaande geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan waarom uit de door verzoeker aangebrachte elementen van integratie in BelgiĂ« niet kan worden besloten tot een verwestering of een gepercipieerde verwestering. 5. Alleen reeds uit de voormelde citaten uit het bestreden arrest blijkt dat verzoekers kritiek “dat er geen afweging en onderzoek van de argumenten die door verzoeker werden aangehaald in het verzoekschrift en de aanvullende nota heeft plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zonder verdere motivering volledig bij de motieven de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit”, feitelijke grondslag mist. 6. Verzoeker toont geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. In de mate dat verzoeker het ten gronde niet eens is met de gemaakte beoordeling, houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht, doch vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. 7. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.414 VII-42.902-7/8 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie september tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.414 VII-42.902-8/8

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot