RvS-16420
🏛️ Raad van State
📅 2025-09-05
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.420 van 5 september 2025
in de zaak A. 245.443/VII-42.973
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Léna Lahaye
kantoor houdend te 1060 Brussel
Amazonestraat 37
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 28 juli 2025, strekt tot de cassatie van
arrest nr. 328.777 van 25 juni 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 8 augustus 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste onderdeel van het enige middel
1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door
artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied,
het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet)
aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht
heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.420 VII-42.973-1/8
voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet
die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele
motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een
gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de
motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering
een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken,
maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke
motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet
antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd,
maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
Na onder meer te hebben gewezen op de moeilijkheden voor
begunstigden van internationale bescherming in Griekenland om een ADET- en een AMKA-
kaart te verkrijgen en op het belang van die kaarten, overweegt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen in het algemeen:
“Rekening houdend met de ter beschikking gestelde informatie overweegt de Raad in
de huidige stand van zaken dat er niet kan worden geconcludeerd dat (i) de
levensomstandigheden van begunstigden van een internationale beschermingsstatus in
Griekenland zodanig zijn dat deze begunstigden, als zij naar daar zouden terugkeren, a
priori allemaal automatisch geconfronteerd zouden worden met een reëel risico om
terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie
waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig (zouden) staan en dat (ii) een meer
diepgaande individuele beoordeling niet langer nodig is. De hoger vermelde informatie
over de situatie in Griekenland is op zichzelf niet voldoende om zonder meer te
concluderen dat de bescherming die wordt geboden aan iedereen die daar internationale
bescherming heeft bekomen, niet langer effectief of voldoende zou zijn, noch dat alle
statushouders bij een terugkeer naar Griekenland zullen terechtkomen in een toestand
van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie daar gekenmerkt
door grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden.
Ofschoon de door de verzoekende partij per aanvullende nota aangebrachte informatie
actueler is dan en recentere cijfers bevat dan de informatie die eerder voorlag bij de
kennisgeving van de beschikking, laat deze landeninformatie evenwel niet toe te
besluiten dat de levensomstandigheden in Griekenland voor statushouders van die aard
zijn dat zij bij een terugkeer naar dat land a priori een reëel risico lopen om terecht te
komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie waar de Griekse
autoriteiten onverschillig tegenover (zouden) staan en een verdere individuele
beoordeling niet meer nodig is. De voormelde landeninformatie volstaat op zich niet om
zonder meer te besluiten dat de geboden bescherming in hoofde van eenieder die er
internationale bescherming werd verleend, niet langer effectief of toereikend zou zijn
en evenmin dat statushouders in Griekenland bij terugkeer hoe dan ook zullen
terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de
situatie er gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de
levensomstandigheden (HvJ 19 maart 2019, Ibrahim, pt. 91).”
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.420 VII-42.973-2/8
Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met
betrekking tot verzoekers houding in Griekenland:
“Het betoog ter zitting dat noch het CGVS noch de Raad betwisten dat verzoekende
partij nooit over een AMKA of ADET-kaart heeft beschikt waardoor het maanden
wachten wordt op een mogelijkheid tot werken, is geenszins van aard afbreuk te doen
aan de grond van de beschikking van 8 april 2025.
Verzoekende partij gaat hiermee voorbij aan haar eigen handelen, dan wel eerder
nalaten om als begunstigde van internationale bescherming te handelen in Griekenland,
de EU-lidstaat waar zij internationale bescherming geniet.
Zo toont verzoekende partij geenszins aan dat zij in Griekenland, waar haar op
12 maart 2024 de vluchtelingenstatus werd toegekend en waar haar een Griekse
verblijfsvergunning werd afgegeven die nog jarenlang geldig is tot en met
11 maart 2027, niet in de mogelijkheid was om een AMKA- en ADET-kaart te
verkrijgen. Verzoekende partij toont geenszins aan en geeft op generlei wijze blijk
hiertoe inspanningen te hebben gedaan.
In dit verband kan er niet aan worden voorbijgegaan en wordt herhaald dat verzoekende
partij Griekenland na het verkrijgen van internationale bescherming bijna meteen heeft
verlaten. Nadat ze in maart 2024 de Griekse verblijfskaart (ADET) en reispas voor
erkende vluchtelingen verkreeg, nam zij op 8 april 2024 het vliegtuig naar België. Haar
handelen getuigt dan ook allerminst van een intentie om in Griekenland een leven en
toekomst uit te bouwen, doch integendeel. Verzoekende partij erkende en bevestigde dit
bovendien ook eerder zelf uitdrukkelijk, stellende dat het vanaf het begin niet de
bedoeling was om in Griekenland te blijven.
Wat betreft het gebrek aan dan wel de zeer gebrekkige inspanningen van verzoekende
partij om zich te integreren in de samenleving waar zij internationale bescherming heeft
bekomen, door er onder meer werk en huisvesting te zoeken en de taal te leren, verwijst
de Raad naar punt 6 van de beschikking, vaststellingen die verzoekende partij ter zitting
ongemoeid laat. Ze gaat er niet in het minst op in, waardoor die vaststellingen
onverminderd overeind blijven.
De Raad benadrukt dat verzoekende partij over een geldige Griekse verblijfsvergunning
beschikt die nog tot in maart 2027 geldig is. Wat betreft het feit dat, zoals ter zitting
wordt aangevoerd, verzoekende partij bij een terugkeer naar Griekenland nog lange tijd
zal moeten wachten op een mogelijkheid tot werken, komt het haar als statushouder toe
om in Griekenland zo snel en goed als mogelijk de vereiste administratieve stappen te
zetten om hiertoe de benodigde documenten te verkrijgen, hetgeen ze dus in het verleden
naliet, daar ze bijna meteen Griekenland verliet van zodra het mogelijk was.
Daarenboven blijkt nergens uit en maakt verzoekende partij niet aannemelijk dat zij de
periode tussen het aanvragen van en het verkrijgen van de nodige documenten niet zou
kunnen overbruggen, dat zij in tussentijd niet op enige hulp en bescherming van de
Griekse autoriteiten zou kunnen rekenen en dat een situatie van zeer verregaande
materiële deprivatie zoals omschreven door het Hof van Justitie dreigt.
In dit verband wijst de Raad erop dat verzoekende partij blijk geeft van een grote mate
van zelfstandigheid en zelfredzaamheid. […]”
Het vormt geen tegenstrijdigheid van motieven door enerzijds te
aanvaarden dat het verkrijgen van een ADET- en een AMKA-kaart vaak moeilijk verloopt en
dat het belangrijk is over die kaarten te beschikken en anderzijds vast te stellen dat verzoeker
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.420 VII-42.973-3/8
Griekenland heeft verlaten binnen de maand na het verkrijgen van internationale bescherming,
dat verzoeker heeft nagelaten stappen te zetten om de AMKA-kaart te verkrijgen en dat
verzoeker niet aantoont de periode tussen het aanvragen en het verkrijgen van de nodige
documenten niet te kunnen overbruggen. Verzoekers kritiek gaat uit van een onvolledige
lezing van het bestreden arrest.
Tweede onderdeel van het enige middel
2. Verzoekers voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
aangevoerde argumentatie en bijgebrachte informatie hebben betrekking op het aanvragen van
ADET- en AMKA-kaarten in Griekenland, zowel voor het eerst als voor een verlenging of
hernieuwing. Het vormt geen schending van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65
van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht om deze informatie niet
van toepassing te achten voor gevallen van verlies of diefstal van een reeds toegekende
verblijfsvergunning.
Verzoeker bevestigt in het verzoekschrift tot cassatie dat hij op
12 maart 2024 in Griekenland werd erkend als vluchteling en “tegen het einde van maart 2024
[…] de Griekse verblijfskaart (ADET) en de reispas voor erkende vluchtelingen [ontving]”.
Wat dat betreft, gaat het dus inderdaad om een verlies of diefstal van zijn reeds verkregen
verblijfskaart. Wat de moeilijkheden betreft om een AMKA-kaart te verkrijgen, gaat verzoeker
voorbij aan het motief betreffende zijn eigen houding in (en zijn vertrek uit) Griekenland en
zijn mogelijkheid om de periode tussen de aanvraag van de vereiste documenten en het
verkrijgen ervan te overbruggen:
“De Raad benadrukt dat verzoekende partij over een geldige Griekse
verblijfsvergunning beschikt die nog tot in maart 2027 geldig is. Wat betreft het feit dat,
zoals ter zitting wordt aangevoerd, verzoekende partij bij een terugkeer naar
Griekenland nog lange tijd zal moeten wachten op een mogelijkheid tot werken, komt
het haar als statushouder toe om in Griekenland zo snel en goed als mogelijk de vereiste
administratieve stappen te zetten om hiertoe de benodigde documenten te verkrijgen,
hetgeen ze dus in het verleden naliet, daar ze bijna meteen Griekenland verliet van zodra
het mogelijk was. Daarenboven blijkt nergens uit en maakt verzoekende partij niet
aannemelijk dat zij de periode tussen het aanvragen van en het verkrijgen van de nodige
documenten niet zou kunnen overbruggen, dat zij in tussentijd niet op enige hulp en
bescherming van de Griekse autoriteiten zou kunnen rekenen en dat een situatie van
zeer verregaande materiële deprivatie zoals omschreven door het Hof van Justitie
dreigt.”
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.420 VII-42.973-4/8
In het licht van het laatste motief, kan een gebeurlijke onwettigheid
van het motief waarmee de informatie betreffende moeilijkheden in de procedure voor het
verkrijgen van de vereiste documenten in Griekenland niet in aanmerking wordt genomen
omdat ze niet zou gelden voor de situatie van verloren documenten, niet leiden tot de cassatie
van het bestreden arrest.
3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanvaardt in het bestreden
arrest inderdaad het bestaan van een taalbarrière voor wie, zoals verzoeker, geen Grieks of
Engels kent. Na deze vaststelling wat de algemene situatie betreft, maakt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen echter een beoordeling aan de hand van verzoekers persoonlijke
situatie:
“Met haar algemene opmerking ter terechtzitting dat voor haar chronische astma, en/of
andere medische problemen, in Griekenland medische hulp onbereikbaar zou zijn
zonder middelen, gaat verzoekende partij bovendien voorbij aan en ze doet hiermee
geen afbreuk aan hetgeen eerder in voormelde beschikking en de bestreden beslissing
omtrent haar medische situatie en de toegang tot gezondheidszorg in Griekenland
concreet wordt vastgesteld, zoals voor wat betreft de toegang tot medische zorgen
punt 6 van de beschikking.,Verzoekende partij slaagt er niet in hierop een ander licht te
doen schijnen.
De Raad onderstreept de grond van de beschikking waar wordt vastgesteld: ‘Bovendien
blijkt uit haar verklaringen enkel dat wanneer zij naar het ziekenhuis gegaan zou zijn,
zij dan had moeten betalen voor het krijgen van medische zorg […]. Het loutere feit dat
zij dient te betalen voor medische zorg, houdt niet in dat zij er geen toegang toe heeft.
Uit haar verklaringen blijkt daarnaast ook dat zij zelf niet naar een apotheek gegaan is
voor het verkrijgen van een puffer […]. Door tijdens het persoonlijk onderhoud en in
het verzoekschrift op algemene wijze te verklaren dat er geen jobmogelijkheden,
medische verzorging en taalcursussen zijn, toont verzoekende partij niet in concreto aan
dat zij enige stappen ondernomen heeft om haar rechten te doen gelden in Griekenland
of om zich aldaar te integreren […]. Zij maakt met bovenstaande dan ook niet op
concrete wijze aannemelijk dat zij buiten haar eigen wil om in de onmogelijkheid was
om haar rechten in Griekenland te doen gelden. Het komt in dit verband haar toe om de
middelen die het recht en haar status in Griekenland hiertoe bieden terdege te gebruiken,
hetgeen zij evenwel niet aantoont. Zij toont niet aan deze afdoende te hebben benut, laat
staan uitgeput. Bijkomend kan er opgemerkt worden dat verzoekende partij in het
verleden steeds kon rekenen op aanzienlijke financiële ondersteuning van familie en
vrienden […].’
Verzoekende partij laat na concrete en overtuigende elementen aan te brengen die
hierop een ander licht werpen.
Wat betreft de opmerking in de aanvullende nota dat verzoekende partij heeft verklaard
dat zij geen budget had om zelf medicijnen te kopen in Griekenland waardoor de
feitelijke toegang tot zorg onmogelijk wordt zonder inkomsten, blijkt vooreerst nergens
uit dat verzoekende partij dit ergens bij de Griekse instanties officieel zou hebben
aangekaart. Zoals reeds werd aangegeven, komt het verzoekende partij toe de middelen
die het recht en haar status haar bieden ten volle te benutten en uit te putten, hetgeen ze
allerminst aantoont te hebben gedaan in Griekenland, gelet ook en getuige hiervan haar
zeer snelle vertrek aldaar na het verkrijgen van de benodigde (reis)documenten.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.420 VII-42.973-5/8
Bovendien stemt de uitleg van verzoekende partij dat ze geen medicatie kon kopen, zo
werd al eerder opgemerkt, niet overeen met haar uitleg op DVZ dat zij wel medicatie
kreeg voor haar astma, waarvoor zij zelf diende te betalen […].
[…]
Voorts benadrukt de Raad dat in de bestreden beslissing, mede op basis van de
beschikbare informatie, pertinent wordt gewezen op het volgende: ‘Uit informatie blijkt
dat u in Griekenland in afwachting van de afgifte of hernieuwing van de verblijfstitel,
en zodoende zonder sociale zekerheidsnummer (AMKA), toegang heeft tot kosteloze
gezondheidszorg indien u zich tot een openbaar ziekenhuis of medische centrum wendt.
(zie: UNHCR Greece, Living In Greece – Access To Healthcare, en beschikbaar op
https://help.unhcr.org/greece/living-in-greece/access-to-healthcare/; Country Report:
Greece. Update 2023, op. cit.). Redelijkerwijze kan worden aangenomen dat u op die
manier aan een puffer of medicatie zou kunnen geraken om het astmaprobleem of
allergie te behandelen. Hetzelfde geldt voor een zalf voor de aambeien. Uit uw
verklaringen blijkt dat uw medische problemen u in het verleden niet verhinderden om
te werken. Zo had u zowel in Soedan als Zuid-Soedan een job, hoewel u toen ook al
astma had. […] Op dezelfde manier kan worden geoordeeld dat uw medische problemen
u ook in Griekenland niet zouden beletten om er een job uit te oefenen.’ Verzoekende
partij brengt geen concrete, overtuigende en geobjectiveerde elementen bij die anders
doen oordelen.”
In punt 6 van de met toepassing van artikel 39/73, § 2, van de
vreemdelingenwet genomen beschikking van 8 april 2025, waarnaar in het bestreden arrest
uitdrukkelijk wordt verwezen, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
bovendien:
“Het komt aan de begunstigde(n) van internationale bescherming toe om de nodige
inspanningen te doen om zich te integreren in de samenleving waar hij/zij internationale
bescherming heeft bekomen, door er onder meer werk en huisvesting te zoeken en de
taal te leren. Er kan van verzoekende partij verwacht worden dat zij de nodige
procedures doorloopt en geduld uitoefent vooraleer hieromtrent conclusies te trekken.
Zulke inspanningen mogen geenszins blijken uit verzoekende partij haar verklaringen
en gedragingen. Zij stelt tijdens het persoonlijk onderhoud dat zij geen intentie heeft om
terug te keren naar Griekenland omdat het vanaf het begin niet haar plan was om in
Griekenland te blijven […]. Uit haar verklaringen blijkt bovendien dat zij in totaal
slechts ongeveer twee maanden in Griekenland verbleven heeft. Zij heeft aldus zo goed
als geen tijd doorgebracht in Griekenland als begunstigde van internationale
bescherming. Het is voor verzoekende partij dan ook niet mogelijk om conclusies te
trekken omtrent de mogelijkheden op vlak van huisvesting, werkgelegenheid,
gezondheidszorg of het aanbieden van taalcursussen in Griekenland. Uit haar
verklaringen blijkt dat zij er tijdens deze twee maanden bijna altijd in geslaagd is om
een dak boven haar hoofd te hebben. Zij verbleef eerst in een opvangcentrum,
vervolgens verbleef zij 1 nacht op straat en in Athene kon zij bij een vriend verblijven
die een kamer huurde voor een maand […]. Bij hem bleef zij een week alvorens door te
reizen naar België. Verzoekende partij stelt niet naar werk gezocht te hebben omdat zij
niet in Griekenland wilde blijven […]. Wanneer haar gevraagd wordt of zij geprobeerd
heeft om een leven op te bouwen in Athene, antwoordt verzoekende partij verder dat ze
om te overleven een job moest vinden, maar dat zij zonder de taal te kunnen geen job
kon uitoefenen. Zij stelt verder ook simpelweg dat zij geen werkvergunning zou kunnen
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.420 VII-42.973-6/8
krijgen in Griekenland. Uit haar verklaringen blijkt echter dat zij hier enkel om gevraagd
heeft toen zij nog in het kamp verbleef. Daarna heeft zij dit niet meer proberen bekomen
[…].
Tot slot overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog:
“In dit verband wijst de Raad erop dat verzoekende partij blijk geeft van een grote mate
van zelfstandigheid en zelfredzaamheid. De Raad onderstreept volgende vaststelling
van de bestreden beslissing, die door verzoekende partij niet wordt ontkracht of
weerlegd: ‘Daarenboven getuigt uw gedrag tijdens uw reisroute van een bepaalde mate
van zelfredzaamheid die erop wijst dat u ook de nodige stappen zou kunnen zetten om
uw Griekse document te vernieuwen, om een socialezekerheidsnummer en een fiscaal
registratienummer te bekomen en te voorzien in uw basisbehoeften op gebied van
wonen, voedsel, hygiëne. Zo slaagde u erin om zowel in Soedan als Zuid-Soedan een
job te vinden. In Soedan werkte u in de bouw en huurde u samen met drie vrienden een
studio. U kon voor uzelf voorzien. In Zuid- Soedan werkte u als chauffeur van een
watertank. U had deze beide jobs geregeld via vrienden van vrienden. […]’ Buiten
Soedan, waar ze vijf jaar woonde, woonde verzoekende partij een jaar in Oeganda en
elf maanden in Turkije. Eerder werd ook al gewezen op de aanzienlijke financiële
ondersteuning van familie en vrienden aan verzoekende partij.”
Met het voorgaande beantwoordt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen op voldoende wijze verzoekers argumentatie betreffende zijn
gebrek aan taalkennis en de gevolgen daarvan voor het verkrijgen van medische hulp, het
opvolgen van administratieve procedures en de toegang tot huisvesting, dit op basis van de
individuele elementen van de zaak.
In de mate dat verzoeker, anders dan de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen, van oordeel is dat hij bij een terugkeer naar Griekenland wel het
risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
(hierna: EVRM), vraagt hij in wezen een andere beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de
Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
Derde onderdeel van het enige middel
4. Verzoeker gaat ervan uit dat in het bestreden arrest niet wordt
onderzocht of hij bij een terugkeer naar Griekenland een risico loopt op een behandeling in
strijd met artikel 3 van het EVRM. Volgens verzoeker wordt integendeel gesteld dat een
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.420 VII-42.973-7/8
mogelijke schending van die verdragsbepaling slechts moet worden onderzocht bij het nemen
van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten.
In de met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet
genomen beschikking van 8 april 2025 en in het bestreden arrest wordt meermaals vermeld
dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te
worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of
artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Er staat niet in dat dit
onderzoek enkel bij het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te
verlaten zou moeten gebeuren. Verzoekers kritiek mist feitelijke grondslag.
Conclusie
5. Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk,
kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijf september
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.420 VII-42.973-8/8