RvS-16426
🏛️ Raad van State
📅 2025-09-10
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 29 juli 1991, 30 november 2006, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.426 van 10 september 2025
in de zaak A. 245.159/VII-42.938
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Jonathan Waldmann
kantoor houdend te 4000 Luik
Rue Paul Devaux 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 25 juni 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 327.056 van 21 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 4 juli 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, noch de materiëlemotiveringsplicht en
de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing
op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met
hervormingsbevoegdheid is gedaan.
Het enige middel is in die mate kennelijk niet ontvankelijk.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.426 VII-42.938-1/7
2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door
artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied,
het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet)
aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht
heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de
voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet
die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele
motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een
gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de
motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering
een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken,
maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke
motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet
antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd,
maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
3. Verzoeker voert over het al dan niet voorhanden zijn van voldoende,
actuele en betrouwbare informatie over de toestand in Afghanistan in essentie aan dat de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen “geen of alleszins niet afdoende uitleg [geeft] waarom zij
ondanks deze vaststellingen alsnog tot de conclusie […] komt dat er wel actuele betrouwbare
informatie is en […] haar stelling niet afdoende [motiveert], terwijl dit […] onder meer de
kern van het betoog van verzoeker betreft”. Verder zou de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen verzoekers grieven, uiteengezet in het verzoekschrift, niet
beantwoorden. Verzoeker stelt “dat er geen afweging en onderzoek van de argumenten die
door verzoeker werden aangehaald in het verzoekschrift en de aanvullende nota heeft
plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zonder verdere
motivering volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit”.
4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in punt 2.3. van
het bestreden arrest naar de bij de aanvullende nota van de verwerende partij gevoegde
geüpdatete informatie, waaronder een Country Guidance van het EUAA over Afghanistan van
mei 2024, een COI Query Afghanistan van het EUAA van 2 februari 2024, een COI Focus
Afghanistan van 14 december 2023, een Country Focus van november 2024 en een rapport
van UNAMA van juni 2023. Daarnaast vermeldt hij ook verzoekers eerste aanvullende nota
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.426 VII-42.938-2/7
van 10 april 2025 en verzoekers tweede aanvullende nota van 11 april 2025 met de
bijgebrachte documenten.
Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de algemene situatie
in Afghanistan voor terugkeerders uit het Westen bespreekt, citeert hij in punt 2.5. van het
bestreden arrest de voor hem bestreden beslissing waarin onder meer wordt beschouwd:
“[…]
Meerdere bronnen geven aan dat er weinig concrete informatie is over de huidige
situatie van Afghanen die terugkeren naar Afghanistan, zowel vanuit het Westen als
vanuit naburige landen. De beschikbare informatie hierover wordt omschreven als
gering, beperkt en vaak eerder anekdotisch. Niettegenstaande er geen systematische
opvolging gebeurt van Afghanen die terugkeren naar Afghanistan, dient erop gewezen
te worden dat verschillende gezaghebbende experten, analisten en (internationale)
instellingen de situatie in het land opvolgen en rapporteren over gebeurtenissen en
incidenten. Indien er ernstige problemen zouden zijn met de manier waarop de Taliban
personen behandelt die terugkeren uit het Westen zou dit gemeld zijn door de talrijke
instellingen, organisaties en instanties die de situatie in het land opvolgen. Dit is
geenszins het geval. Verschillende bronnen geven aan geen weet te hebben van
systematische acties vanwege de de facto autoriteiten ten aanzien van Afghanen die
terugkeren, louter omdat ze zijn teruggekeerd uit een westers land.
Personen die uit Europa terugkeren naar Afghanistan kunnen evenwel door de Taliban
of de Afghaanse gemeenschap met argwaan worden bekeken en kunnen geconfronteerd
worden met stigmatisering of uitstoting, o.a. omwille van de perceptie verwesterd te
zijn. Stigmatisering of uitstoting kunnen echter slechts in uitzonderlijke gevallen
beschouwd worden als vervolging. Personen kunnen worden gezien als ‘verwesterd’,
onder meer omwille van hun gedrag, uiterlijk of geuite meningen die als niet-Afghaans
en/of niet-islamitisch beschouwd worden. Echter, niet elke Afghaan die terugkeert loopt
hetzelfde risico om te worden beschouwd als verwesterd. Evenmin kan gesteld worden
dat het loutere gegeven enige tijd in het Westen te hebben verbleven volstaat om te
besluiten dat u gezien zal worden als zijnde ‘besmet’ door de Westerse waarden, of als
iemand die de sociale normen niet respecteert en om die reden zal vervolgd worden. De
Afghaanse maatschappij wordt immers omschreven als zeer divers en complex,
waardoor er bijgevolg steeds (lokale) variatie in interpretatie en houdingen mogelijk is,
ook wat betreft de wijze waarop mensen die terugkeren naar Afghanistan worden
gepercipieerd en behandeld. Mogelijke reacties ten aanzien van terugkeerders vanwege
de Taliban of vanwege de Afghaanse gemeenschap zullen dus steeds afhankelijk zijn
van verschillende factoren, zoals het individuele profiel van de terugkeerder, het
netwerk in Afghanistan en de plaats, context en familiale situatie in Afghanistan
waarnaar deze persoon terugkeert. Niet elke Afghaan die terugkeert vanuit het Westen
loopt derhalve hetzelfde risico om te worden beschouwd als verwesterd.
Evenmin kan voor elke Afghaan die onder het profiel van toegeschreven verwestering
valt een gegronde vrees voor vervolging worden aangenomen Bij de beoordeling van
de vraag of er sprake kan zijn van een toegeschreven verwestersing die aanleiding kan
geven tot een gegronde vrees voor vervolging is derhalve steeds een individueel
onderzoek vereist, waarbij rekening moet worden gehouden met risicobepalende
omstandigheden, zoals: het geslacht, de gedragingen van de verzoeker, het gebied van
herkomst, de conservatieve omgeving, de leeftijd, de duur van het verblijf in een
Westers land, en de zichtbaarheid van de persoon. De verzoeker om internationale
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.426 VII-42.938-3/7
bescherming dient dan ook in concreto aannemelijk te maken dat hij omwille van zijn
verblijf in Europa nood heeft aan internationale bescherming.
Of een Afghaan wordt beschouwd als verwesterd is afhankelijk van individuele
elementen. Deze elementen dienen door de verzoeker te worden aangereikt. In uw geval
haalt u geen concrete elementen aan waaruit zou blijken dat u, in geval van terugkeer,
dusdanig negatief zou worden gepercipieerd dat er gewag kan worden gemaakt van
vervolging zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie.
Evenmin blijkt uit uw verklaringen en uit de beoordeling ervan dat u voor uw komst
naar België in de specifieke negatieve aandacht van de taliban stond of dat u een
specifiek profiel heeft dat het risico loopt door de taliban te worden vervolgd, waardoor
er redelijkerwijze van uitgegaan kan worden dat de taliban u niet zal viseren bij een
terugkeer naar uw land van herkomst. Bovendien brengt uzelf geen concrete elementen
aan waaruit blijkt dat u in geval van terugkeer vervolging zou dienen te vrezen. Het is
in de eerste plaats aan de verzoeker om internationale bescherming om zijn vrees
aannemelijk te maken. U dient zulks in concreto aannemelijk te maken. Hier blijft u
echter in gebreke.”
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt vervolgens:
“Op grond van de recente en objectieve landeninformatie in het rechtsplegingsdossier
wordt dan ook besloten dat niet blijkt dat het loutere gegeven enige tijd in het Westen
te hebben verbleven volstaat om bij een terugkeer het bestaan van een nood aan die uit
Europa terugkeren naar Afghanistan door de taliban of de maatschappij wel met
argwaan kunnen worden bekeken en met stigmatisering of uitstoting kunnen worden
geconfronteerd, doch dat stigmatisering of uitstoting slechts in uitzonderlijke gevallen
kan worden beschouwd als vervolging, dat wat betreft de negatieve perceptie ten
aanzien van terugkeerders uit het Westen nergens in de aanwezige informatie blijkt dat
dit gegeven op zich aanleiding zou geven tot daden van vervolging, doch dat dit samen
met andere individuele elementen dient te worden beoordeeld.”
In de mate dat verzoeker vreest te zullen worden vervolgd omwille
van zijn leven in België, antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hetgeen volgt:
“[…] Uit de objectieve landeninformatie waarover de Raad beschikt blijkt heden
evenwel niet dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die
terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor
vervolging kan worden aangenomen. Uit de meest recente informatie waarover de Raad
beschikt blijkt veeleer dat Afghanen die terugkeren uit het buitenland in regel weinig of
niets in de weg wordt gelegd (cf. EUAA Afghanistan Country Focus, mei 2024 en
aanvulling/actualisatie van november 2024).
Verzoeker maakt ook niet aannemelijk dat hij een specifiek risicoprofiel heeft dat zou
toelaten te besluiten dat hij toch een ernstig risico loopt om te worden vervolgd.
Verzoeker toont niet aan dat hij tijdens zijn verblijf in West-Europa een opvatting,
gedachte, mening, kenmerk of geloof heeft ontwikkeld waardoor hij de negatieve
belangstelling van potentiële actoren van vervolging, zoals de taliban, andere
groeperingen of zijn lokale gemeenschap in Afghanistan, heeft gewekt of kan wekken.
Evenmin maakt hij concreet aannemelijk dat hem een gedachte, opvatting, mening,
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.426 VII-42.938-4/7
kenmerk of geloof kan worden toegedicht door de taliban of zijn lokale gemeenschap
waardoor hij in de problemen zou kunnen komen.
De Raad merkt ook op dat verzoeker, volgens zijn verklaringen, werd geboren en
opgroeide in Afghanistan, dat hij op volwassen leeftijd – en dus toen hij reeds voor een
belangrijk deel was gevormd door de samenleving waarin hij opgroeide – naar Europa
reisde en dat hij een beperkt aantal jaren in West-Europa verblijft en er dus niet zo maar
kan worden aangenomen dat hij zich bepaalde westerse denkbeelden – waarvan niet kan
worden verwacht dat hij eraan verzaakt – eigen heeft gemaakt.
Verzoeker toont ook niet aan uiterlijke kenmerken te hebben die, zelfs al zouden zij
betekenisloos zijn, toch zouden kunnen worden aanzien als een reden om hem als
afwijkend te beschouwen en hem te vervolgen. Verzoeker is van mening dat hem niet
gevraagd werd naar de risico’s bij een eventuele terugkeer naar Afghanistan na een
verblijf in Europa. Dit blijkt echter niet te kloppen wanneer de weergave van het
persoonlijk onderhoud nagelezen wordt. […]”
Verder in het bestreden arrest maakt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen bij zijn beoordeling in het licht van artikel 48/4 van de
vreemdelingenwet nog volgende overwegingen over de beschikbaarheid van objectieve
informatie over de situatie in Afghanistan:
“Het blijkt wel dat verzoeker allerhande algemene informatie aanvoert die hij ten dele
chronologisch geordend heeft. Deze informatie heeft echter vaak betrekking op feiten
van enerzijds jaren geleden en anderzijds provincies of regio’s waar verzoeker helemaal
niet uit afkomstig is. De Raad stelt zich dan ook de vraag naar het belang van het
opwerpen van deze argumenten.
In de aanvullende nota merkt verzoeker nog uiterst algemeen op dat hij hiermee de
meest recente informatie wenst aan te voeren. De Raad stelt echter vast dat deze
informatie veelal niet recenter is dan deze waarover de Raad zelf beschikt en dat deze
informatie erg algemeen uitéén gezet wordt zonder ook maar enige verduidelijking hoe
deze algemene bronnen en veelal loutere anderstalige citaten ook daadwerkelijk
betrekking zouden hebben op zijn persoon. Dit des te meer daar een aanzienlijk deel
van deze nota uitéén zet wat de positie is van de vrouwen en meisjes is in Afghanistan.
Dat deze inperkingen een grote impact hebben op het leven van de betrokkenen staat
buiten kijf. Dat verzoeker hier zelf door getroffen zou worden, is erg bedenkelijk nu hij
zelf een jonge man is en a priori dan ook niet getroffen wordt door deze maatregelen.
[…]
De uitvoerige uiteenzetting van verzoeker, waarbij hij ook verwijst naar minder recente
informatie, naar de situatie in andere provincies en naar doelgerichte aanslagen, laat de
Raad niet toe tot een ander besluit te komen. Gezien de informatie in het
rechtsplegingsdossier kan verzoeker ook niet worden bijgetreden in zijn standpunt dat
er geen deugdelijke doorstroming van objectieve informatie meer is aangaande de
situatie in Afghanistan, dat een analyse van de veiligheidssituatie dus niet mogelijk is
en dat niet kan worden geoordeeld dat de situatie is verbeterd.
De Raad kan enkel vaststellen dat niet blijkt dat verzoeker nood heeft aan de subsidiaire
beschermingsstatus, zoals voorzien in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet.
2.6.2 De Raad oordeelt dat verzoeker geen argumenten, gegevens of tastbare stukken
aanbrengt die een ander licht kunnen werpen op de beoordeling door de commissaris-
generaal. De bestreden beslissing is gesteund op pertinente en draagkrachtige motieven.
Er is geen reden om de bestreden beslissing te vernietigen. Er kan niet worden besloten
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.426 VII-42.938-5/7
dat verzoeker een gegronde vrees heeft voor vervolging, in de zin van artikel 48/3 van
de Vreemdelingenwet, of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van
artikel 48/4 van deze wet.”
Met de voorgaande overwegingen beantwoordt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoekers standpunt betreffende het (volgens
verzoeker) niet voorhanden zijn van voldoende objectieve informatie over de algemene
situatie in Afghanistan, in het bijzonder voor terugkeerders uit het Westen. Bovendien wordt
in het bestreden arrest expliciet verwezen naar verzoekers aanvullende nota en de informatie
waarnaar hij verwijst in die nota. Uit dit alles blijkt duidelijk dat en waarom de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat hij, ondanks bepaalde problemen, toch van
oordeel is over voldoende informatie te beschikken.
5. Verzoeker toont geen schending aan van de in artikel 149 van de
Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht
als vormvereiste. In de mate dat verzoeker het ten gronde niet eens is met de gemaakte
beoordeling, houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht, doch vraagt hij
in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als
cassatierechter niet bevoegd is.
6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.426 VII-42.938-6/7
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tien september
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.426 VII-42.938-7/7