Naar hoofdinhoud

RvS-16427

🏛️ Raad van State 📅 2025-09-11 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 29 juli 1991, 30 november 2006, Grondwet, gw

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.427 van 11 september 2025 in de zaak A. 245.158/VII-42.937 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan Waldmann kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 juni 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 327.055 van 21 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 4 juli 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, noch de materiëlemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan. Het enige middel is in die mate kennelijk niet ontvankelijk. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.427 VII-42.937-1/7 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 3. Verzoeker voert over het al dan niet voorhanden zijn van voldoende, actuele en betrouwbare informatie over de toestand in Afghanistan in essentie aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geen of alleszins niet afdoende uitleg [geeft] waarom zij ondanks deze vaststellingen alsnog tot de conclusie […] komt dat er wel actuele betrouwbare informatie is en […] haar stelling niet afdoende [motiveert], terwijl dit […] onder meer de kern van het betoog van verzoeker betreft”. Verder zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers grieven, uiteengezet in het verzoekschrift, niet beantwoorden. Verzoeker stelt “dat er geen afweging en onderzoek van de argumenten die door verzoeker werden aangehaald in het verzoekschrift en de aanvullende nota heeft plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zonder verdere motivering volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit”. 4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in punt 2.3 van het bestreden arrest naar de bij de aanvullende nota van de verwerende partij gevoegde geüpdatete informatie, waaronder een Country Guidance van het EUAA over Afghanistan van mei 2024, een COI Query Afghanistan van het EUAA van 2 februari 2024, een COI Focus Afghanistan van 14 december 2023, een Country Focus van november 2024 en een rapport ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.427 VII-42.937-2/7 van UNAMA van juni 2023. Daarnaast vermeldt hij ook verzoekers aanvullende nota van 11 april 2025. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de algemene situatie in Afghanistan voor terugkeerders uit het Westen bespreekt, citeert hij in punt 2.5 van het bestreden arrest de voor hem bestreden beslissing waarin onder meer wordt beschouwd: “[…] Meerdere bronnen geven aan dat er weinig concrete informatie is over de huidige situatie van Afghanen die terugkeren naar Afghanistan, zowel vanuit het Westen als vanuit naburige landen. De beschikbare informatie hierover wordt omschreven als gering, beperkt en vaak eerder anekdotisch. Niettegenstaande er geen systematische opvolging gebeurt van Afghanen die terugkeren naar Afghanistan, dient erop gewezen te worden dat verschillende gezaghebbende experten, analisten en (internationale) instellingen de situatie in het land opvolgen en rapporteren over gebeurtenissen en incidenten. Indien er ernstige problemen zouden zijn met de manier waarop de Taliban personen behandelt die terugkeren uit het Westen zou dit gemeld zijn door de talrijke instellingen, organisaties en instanties die de situatie in het land opvolgen. Dit is geenszins het geval. Verschillende bronnen geven aan geen weet te hebben van systematische acties vanwege de de facto autoriteiten ten aanzien van Afghanen die terugkeren, louter omdat ze zijn teruggekeerd uit een westers land. Personen die uit Europa terugkeren naar Afghanistan kunnen evenwel door de Taliban of de Afghaanse gemeenschap met argwaan worden bekeken en kunnen geconfronteerd worden met stigmatisering of uitstoting, o.a. omwille van de perceptie verwesterd te zijn. Stigmatisering of uitstoting kunnen echter slechts in uitzonderlijke gevallen beschouwd worden als vervolging. Personen kunnen worden gezien als ‘verwesterd’, onder meer omwille van hun gedrag, uiterlijk of geuite meningen die als niet-Afghaans en/of niet-islamitisch beschouwd worden. Echter, niet elke Afghaan die terugkeert loopt hetzelfde risico om te worden beschouwd als verwesterd. Evenmin kan gesteld worden dat het loutere gegeven enige tijd in het Westen te hebben verbleven volstaat om te besluiten dat u gezien zal worden als zijnde ‘besmet’ door de Westerse waarden, of als iemand die de sociale normen niet respecteert en om die reden zal vervolgd worden. De Afghaanse maatschappij wordt immers omschreven als zeer divers en complex, waardoor er bijgevolg steeds (lokale) variatie in interpretatie en houdingen mogelijk is, ook wat betreft de wijze waarop mensen die terugkeren naar Afghanistan worden gepercipieerd en behandeld. Mogelijke reacties ten aanzien van terugkeerders vanwege de Taliban of vanwege de Afghaanse gemeenschap zullen dus steeds afhankelijk zijn van verschillende factoren, zoals het individuele profiel van de terugkeerder, het netwerk in Afghanistan en de plaats, context en familiale situatie in Afghanistan waarnaar deze persoon terugkeert. Niet elke Afghaan die terugkeert vanuit het Westen loopt derhalve hetzelfde risico om te worden beschouwd als verwesterd. Evenmin kan voor elke Afghaan die onder het profiel van toegeschreven verwestering valt een gegronde vrees voor vervolging worden aangenomen Bij de beoordeling van de vraag of er sprake kan zijn van een toegeschreven verwestersing die aanleiding kan geven tot een gegronde vrees voor vervolging is derhalve steeds een individueel onderzoek vereist, waarbij rekening moet worden gehouden met risicobepalende omstandigheden, zoals: het geslacht, de gedragingen van de verzoeker, het gebied van herkomst, de conservatieve omgeving, de leeftijd, de duur van het verblijf in een Westers land, en de zichtbaarheid van de persoon. De verzoeker om internationale ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.427 VII-42.937-3/7 bescherming dient dan ook in concreto aannemelijk te maken dat hij omwille van zijn verblijf in Europa nood heeft aan internationale bescherming. Of een Afghaan wordt beschouwd als verwesterd is afhankelijk van individuele elementen. Deze elementen dienen door de verzoeker te worden aangereikt. In uw geval haalt u geen concrete elementen aan waaruit zou blijken dat u, in geval van terugkeer, dusdanig negatief zou worden gepercipieerd dat er gewag kan worden gemaakt van vervolging zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie. Evenmin blijkt uit uw verklaringen en uit de beoordeling ervan dat u voor uw komst naar België in de specifieke negatieve aandacht van de taliban stond of dat u een specifiek profiel heeft dat het risico loopt door de taliban te worden vervolgd, waardoor er redelijkerwijze van uitgegaan kan worden dat de taliban u niet zal viseren bij een terugkeer naar uw land van herkomst. Bovendien brengt uzelf geen concrete elementen aan waaruit blijkt dat u in geval van terugkeer vervolging zou dienen te vrezen. Het is in de eerste plaats aan de verzoeker om internationale bescherming om zijn vrees aannemelijk te maken. U dient zulks in concreto aannemelijk te maken. Hier blijft u echter in gebreke.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt vervolgens: “Op grond van de recente en objectieve landeninformatie in het rechtsplegingsdossier wordt dan ook besloten dat niet blijkt dat het loutere gegeven enige tijd in het Westen te hebben verbleven volstaat om bij een terugkeer het bestaan van een nood aan die uit Europa terugkeren naar Afghanistan door de taliban of de maatschappij wel met argwaan kunnen worden bekeken en met stigmatisering of uitstoting kunnen worden geconfronteerd, doch dat stigmatisering of uitstoting slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden beschouwd als vervolging, dat wat betreft de negatieve perceptie ten aanzien van terugkeerders uit het Westen nergens in de aanwezige informatie blijkt dat dit gegeven op zich aanleiding zou geven tot daden van vervolging, doch dat dit samen met andere individuele elementen dient te worden beoordeeld.” In de mate dat verzoeker vreest te zullen worden vervolgd omwille van zijn leven in België, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hetgeen volgt: “[…] Uit de objectieve landeninformatie waarover de Raad beschikt blijkt heden evenwel niet dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen. Uit de meest recente informatie waarover de Raad beschikt blijkt veeleer dat Afghanen die terugkeren uit het buitenland in regel weinig of niets in de weg wordt gelegd (cf. EUAA Afghanistan Country Focus, mei 2024 en aanvulling/actualisatie van november 2024). Verzoeker maakt ook niet aannemelijk dat hij een specifiek risicoprofiel heeft dat zou toelaten te besluiten dat hij toch een ernstig risico loopt om te worden vervolgd. Verzoeker toont niet aan dat hij tijdens zijn verblijf in West-Europa een opvatting, gedachte, mening, kenmerk of geloof heeft ontwikkeld waardoor hij de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging, zoals de taliban, andere groeperingen of zijn lokale gemeenschap in Afghanistan, heeft gewekt of kan wekken. Evenmin maakt hij concreet aannemelijk dat hem een gedachte, opvatting, mening, ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.427 VII-42.937-4/7 kenmerk of geloof kan worden toegedicht door de taliban of zijn lokale gemeenschap waardoor hij in de problemen zou kunnen komen. De Raad merkt ook op dat verzoeker, volgens zijn verklaringen, werd geboren en opgroeide in Afghanistan, dat hij op volwassen leeftijd – en dus toen hij reeds voor een belangrijk deel was gevormd door de samenleving waarin hij opgroeide – naar Europa reisde, dat hij een praktiserende moslim is en dat hij een beperkt aantal jaren in West- Europa verblijft en er dus niet zo maar kan worden aangenomen dat hij zich bepaalde westerse denkbeelden – waarvan niet kan worden verwacht dat hij eraan verzaakt – eigen heeft gemaakt. Verzoeker toont ook niet aan uiterlijke kenmerken te hebben die, zelfs al zouden zij betekenisloos zijn, toch zouden kunnen worden aanzien als een reden om hem als afwijkend te beschouwen en hem te vervolgen. Verzoeker is van mening dat hem niet gevraagd werd naar de risico’s bij een eventuele terugkeer naar Afghanistan na een verblijf in Europa. Dit blijkt echter niet te kloppen wanneer de weergave van het persoonlijk onderhoud nagelezen wordt. […]” Verder in het bestreden arrest maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij zijn beoordeling in het licht van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet nog volgende overwegingen over de beschikbaarheid van objectieve informatie over de situatie in Afghanistan: “Het blijkt wel dat verzoeker allerhande algemene informatie aanvoert die hij ten dele chronologisch geordend heeft. Deze informatie heeft echter vaak betrekking op feiten van enerzijds jaren geleden en anderzijds provincies of regio’s waar verzoeker helemaal niet uit afkomstig is. De Raad stelt zich dan ook de vraag naar het belang van het opwerpen van deze argumenten. In de aanvullende nota merkt verzoeker nog uiterst algemeen op dat hij hiermee de meest recente informatie wenst aan te voeren. De Raad stelt echter vast dat deze informatie veelal niet recenter is dan deze waarover de Raad zelf beschikt en dat deze informatie erg algemeen uitéén gezet wordt zonder ook maar enige verduidelijking hoe deze algemene bronnen en veelal loutere anderstalige citaten ook daadwerkelijk betrekking zouden hebben op zijn persoon. Dit des te meer daar een aanzienlijk deel van deze nota uitéén zet wat de positie is van de vrouwen en meisjes is in Afghanistan. Dat deze inperkingen een grote impact hebben op het leven van de betrokkenen staat buiten kijf. Dat verzoeker hier zelf door getroffen zou worden, is erg bedenkelijk nu hij zelf een jonge man is en a priori dan ook niet getroffen wordt door deze maatregelen. […] De uitvoerige uiteenzetting van verzoeker, waarbij hij ook verwijst naar minder recente informatie, naar de situatie in andere provincies en naar doelgerichte aanslagen, laat de Raad niet toe tot een ander besluit te komen. Gezien de informatie in het rechtsplegingsdossier kan verzoeker ook niet worden bijgetreden in zijn standpunt dat er geen deugdelijke doorstroming van objectieve informatie meer is aangaande de situatie in Afghanistan, dat een analyse van de veiligheidssituatie dus niet mogelijk is en dat niet kan worden geoordeeld dat de situatie is verbeterd. De Raad kan enkel vaststellen dat niet blijkt dat verzoeker nood heeft aan de subsidiaire beschermingsstatus, zoals voorzien in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. 2.6.2 De Raad oordeelt dat verzoeker geen argumenten, gegevens of tastbare stukken aanbrengt die een ander licht kunnen werpen op de beoordeling door de commissaris- generaal. De bestreden beslissing is gesteund op pertinente en draagkrachtige motieven. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.427 VII-42.937-5/7 Er is geen reden om de bestreden beslissing te vernietigen. Er kan niet worden besloten dat verzoeker een gegronde vrees heeft voor vervolging, in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet, of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van deze wet.” Met de voorgaande overwegingen beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoekers standpunt betreffende het (volgens verzoeker) niet voorhanden zijn van voldoende objectieve informatie over de algemene situatie in Afghanistan, in het bijzonder voor terugkeerders uit het Westen. Bovendien wordt in het bestreden arrest expliciet verwezen naar verzoekers aanvullende nota en de informatie waarnaar hij verwijst in die nota. Uit dit alles blijkt duidelijk dat en waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat hij, ondanks bepaalde problemen, toch van oordeel is over voldoende informatie te beschikken. 5. Verzoeker toont geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. In de mate dat verzoeker het ten gronde niet eens is met de gemaakte beoordeling, houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht, doch vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. 6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.427 VII-42.937-6/7 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf september tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.427 VII-42.937-7/7

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot