Naar hoofdinhoud

RvS-16433

🏛️ Raad van State 📅 2025-09-17 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 29 juli 1991, 30 november 2006, Burgerlijk Wetboek

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.433 van 17 september 2025 in de zaak A. 245.116/VII-42.932 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Toumtou Fadiga kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 177/10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 juni 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 326.871 van 16 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 juli 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. De artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker kan dan ook geen schending van deze bepalingen inroepen omdat het bestreden arrest geen voldoende motivering zou bevatten. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.433 VII-42.932-1/4 2. Waar verzoeker zich beroept op richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 ‘over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven’ gaat hij eraan voorbij dat noch het bestreden arrest, noch de daaraan voorafgaande beslissing van de verwerende partij een verwijderingsmaatregel inhoudt. 3. In de mate dat verzoeker in het opschrift van het middel de schending aanvoert van de artikelen 42, § 1, 62, § 2, 74/11 en 74/13 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) en artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), zet hij niet uiteen op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. 4. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending opgeworpen van artikel 74/12, § 6, van de vreemdelingenwet, noch wordt dit artikel betrokken in het bestreden arrest. Hij kan een eventuele schending van deze bepaling dus niet voor het eerst inroepen in de graad van administratieve cassatie. 5. Het enige middel is in de aangegeven mate kennelijk niet ontvankelijk. 6. Met zijn kritiek dat “de eerste rechter, door te oordelen dat verzoeker geen verblijfsrecht had, op de enkele grond dat hem eerder door de Nederlandse autoriteiten de toegang tot het Schengengebied was ontzegd, ontegenzeggelijk inbreuk heeft gemaakt op de bepalingen van de artikelen 40bis, § 2, 1° en 2° en 40ter, § 2, 1° van de Vreemdelingenwet en de artikelen 1475 tot en met 1479 van het oude Burgerlijk Wetboek inzake de status van wettelijke samenwoning, die een afgeleid verblijfsrecht vestigen ten gunste van de buitenlandse partner wiens verklaring van wettelijke samenwoning is geregistreerd”, gaat verzoeker voorbij aan onder andere onderstaande overwegingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Door louter erop te wijzen dat zij volgens haar alle nodige documenten heeft neergelegd en dat zij en haar partner een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd op 4 september 2023 en dat deze werd geregistreerd in het bevolkingsregister op 4 januari 2024, werpt de verzoekende partij geen ander licht op de pertinente ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.433 VII-42.932-2/4 vaststellingen in de bestreden beslissing. Er wordt immers niet betwist dat de verzoekende partij en haar partner een wettelijke samenwoning zijn aangegaan. Daarnaast toont de loutere overtuiging in hoofde van de verzoekende partij dat zij alle nodige documenten heeft neergelegd, op geen enkele wijze aan dat de in de bestreden beslissing opgenomen motieven foutief, onzorgvuldig, kennelijk onredelijk of in strijd zijn met de toepasselijke wettelijke bepalingen. Het louter voorleggen van documenten leidt bovendien niet ipso facto tot de vaststelling dat deze documenten ook het voldaan zijn aan de voorwaarden kunnen aantonen. Door voorts enkel te stellen dat haar verblijfstitel werd geannuleerd op 19 november 2024 zodat zij het risico loopt te worden aangehouden, toont zij evenmin aan dat de in de bestreden beslissing opgenomen motieven foutief, onzorgvuldig, kennelijk onredelijk of in strijd zijn met de toepasselijke wettelijke bepalingen. De verzoekende partij meent dat door de bestreden beslissing haar privé- en gezinsleven geschonden wordt daar zij niet rustig kan verder leven gelet op de angst gearresteerd te worden. Vooreerst wijst de Raad erop dat waar de verzoekende partij tracht voor te houden dat zij legaal op het grondgebied verbleef, niet blijkt, en de verzoekende partij niet aantoont, dat zij op het Belgische grondgebied van een niet-precair verblijf heeft genoten. Ook uit het loutere feit dat de verklaring tot wettelijke samenwoning nog geldig is en het ingestelde onderzoek positief was, volgt niet automatisch een recht op verblijf. Daarnaast stelt de Raad vast dat het gezins- en privéleven van de verzoekende partij met haar wettelijk samenwonende partner niet wordt betwist, maar dat er in de bestreden beslissing op wordt gewezen dat niet voldaan is aan de binnenkomstvoorwaarden omwille van het geldende inreisverbod, zodat de verzoekende partij – gelet op het feit dat ook niet blijkt dat de referentiepersoon dusdanig afhankelijk is van de verzoekende partij dat, indien de verzoekende partij het Schengengrondgebied verlaat, zij zou gedwongen zijn de verzoekende partij te vergezellen – geen aanspraak kan maken op een verblijfsrecht.” 7. Waar verzoeker een schending van artikel 8 van het EVRM opwerpt, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoeker gaat namelijk voorbij aan de uitgebreide motivering dienaangaande in het bestreden arrest onder punt 3.6., waarin de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bovendien de motieven uit de voor hem bestreden beslissing betrekt en oordeelt dat “[g]elet op voorgaande uitgebreide motivering, […] de verzoekende partij geenszins [kan] gevolgd worden in haar betoog dat de verwerende partij geen belangenafweging heeft gemaakt betreffende haar gezins- en privéleven” en dat “[d]e verzoekende partij voorts met haar betoog geenszins concreet aannemelijk [maakt] dat voormelde uitgebreide beoordeling en belangenafweging in het licht van artikel 8 van het EVRM, foutief, kennelijk onredelijk of onzorgvuldig is”. 8. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.433 VII-42.932-3/4 B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien september tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.433 VII-42.932-4/4

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot