RvS-16434
đïž Raad van State
đ
2025-09-17
đ FR
Beschikking
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 29 juli 1991, 30 november 2006
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.434 van 17 september 2025
in de zaak A. 245.171/VII-42.939
In zake : 1. XXXXX
2. XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Mathias Verbist
kantoor houdend te 2800 Mechelen
Willem Geetsstraat 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 26 juni 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 327.222 van 26 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 18 juli 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 âtot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van Stateâ.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste middel
1. Het âHandvest van het persoonlijk onderhoudâ van het
commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vormt een âgedragscode voor
de protection officerâ met als doel het garanderen van het kwalitatieve verloop van het
persoonlijk onderhoud van de verzoeker om internationale bescherming. Als dusdanig bevat
het geen in rechte afdwingbare regels. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.434 VII-42.939-1/7
derhalve op wettige wijze in het bestreden arrest geoordeeld dat het voornoemde handvest
slechts een richtlijn vormt en als dusdanig geen juridisch bindende voorschriften bevat.
Daarenboven stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het
bestreden arrest vast dat volgens de verzoekende partijen het verhoor van verzoeker bijna
acht uur heeft geduurd en dat van verzoekster bijna zeven uur, dat het onderhoud met
verzoeker echter vier uur en vijfenvijftig minuten heeft geduurd en dat met verzoekster
twee uur en eenenvijftig minuten, dat dus enkel verzoeker meer dan vier uren werd gehoord,
dat er pauzes werden ingelast (van 11.35u tot 14.20u en van 15.59u tot 16.16u), dat uit de
stukken niet blijkt dat verzoeker heeft aangegeven dat hij het moeilijk kreeg of dat het
onderhoud te lang heeft geduurd en hij zich om deze reden niet langer in staat voelde om
verklaringen af te leggen en dat ook niet blijkt dat verzoeker om bijkomende pauzes heeft
verzocht of dat deze hem geweigerd zouden zijn. Volgens de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen kunnen de verzoekende partijen âdus niet gevolgd worden in hun
uiteenzetting over de duur van de persoonlijke onderhouden en de impact die dit zou hebben
gehad op hun verklaringenâ, waarbij nog komt âdat zij niet in concreto aanduiden op welk van
hun afgelegde verklaringen dit een impact zou hebben gehadâ, en kan het â[l]outer verwijzen
naar âde tegenstrijdighedenâ [âŠ] in dit verband niet volstaan, te meer er in casu tal van
tegenstrijdigheden werden vastgesteldâ. Met enkel de verwijzing naar het âHandvest van het
persoonlijk onderhoudâ van het commissariaat-generaal tonen de verzoekende partijen de
onwettigheid van deze beoordeling niet aan.
2. Het eerste middel is kennelijk niet ontvankelijk.
Tweede middel
3. De verzoekende partijen zetten omstandig uiteen dat hun leven âwel
degelijk in gevaar [is] aangezien zij het slachtoffer zijn van vervolging door de Bacrim
(verzamelnaam voor drugbendes in Colombia) en criminele bendes die actief zijn in de stad
[âŠ]â, âdat Colombia niet in staat is om hen de bescherming van [hun] leven te gevenâ, dat er
âwijdverspreide corruptie binnen de staatsveiligheidsdiensten van Colombiaâ is, dat zij âaldus
geen toegang [hebben] tot doeltreffende bescherming vanwege de Colombiaanse overhedenâ,
dat hen âvolstrekt ten onrechteâ de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus
worden geweigerd, dat zij ânaar genoegen van recht [âŠ] hun reĂ«le vrees hebben aangetoondâ
en dat âalle elementen samen genomen niet anders kunnen dan aanwijzen dan dat verzoekers
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.434 VII-42.939-2/7
een gegronde vrees voor vervolging hebben [âŠ], minstens een reĂ«el risico lopen op ernstige
schadeâ.
Met die argumentatie en kritiek ten gronde vragen de verzoekende
partijen in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als
cassatierechter niet bevoegd is.
4. Het bestreden arrest is niet enkel gesteund op de eenvoudige
vaststelling dat de verzoekende partijen geen klacht hebben ingediend bij de overheid in
Colombia. Deze vaststelling vormt slechts één van de in aanmerking genomen elementen van
de zaak. De motivering dienaangaande luidt als volgt:
âVolgens verzoekende partijen is het inzake de mogelijke bescherming van autoriteiten
niet relevant of er al dan niet een klacht werd ingediend maar wel of zij hebben
aangetoond dat zij in hun geval geen toegang hebben tot doeltreffende
overheidsbescherming.
De Raad merkt in dit verband op dat uit de beschikbare landeninformatie (administratief
dossier, map âLandeninformatieâ, COI Focus, âColombia.
Beschermingsmogelijkhedenâ van 14 mei 2024) blijkt dat Colombia beschikt over een
robuust wettelijk kader met toegankelijke en transparante procedures om bescherming
aan te vragen. Colombiaanse onderdanen hebben via de FiscalĂa toegang tot een
juridisch systeem voor opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van
handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, hetgeen ook blijkt uit het aantal
jaarlijks ingediende klachten bij de FiscalĂa. Er rijzen evenwel vragen omtrent de
effectiviteit van de Colombiaanse overheidsbescherming. De Raad benadrukt in dit
verband dat de bescherming die de nationale overheid biedt, volgens
artikel 48/5, § 2, tweede lid van de Vreemdelingenwet, doeltreffend moet zijn. Ze hoeft
echter niet absoluut te zijn en bescherming te bieden tegen elk feit begaan door derden;
het volstaat dat redelijke maatregelen zijn genomen. De overheid heeft de plicht om
burgers te beschermen, maar deze plicht houdt geenszins een resultaatsverbintenis in.
De Raad betwist niet dat het Colombiaanse rechtssysteem pijnpunten kent waardoor de
FiscalĂa er bijvoorbeeld veelal niet in slaagt om alle ingediende klachten om te zetten in
een rechtszaak en daders te veroordelen. Uit de voorliggende landeninformatie blijkt
evenwel niet dat er in Colombia sprake is van een systematisch falen of structurele
ontoereikendheid in overheidsbescherming, laat staan dat elke overheidsbescherming
totaal afwezig zou zijn. Evenmin blijkt uit de algemene landeninformatie dat elke
procedure om overheidsbescherming te verkrijgen bij voorbaat zinloos dan wel
ondoeltreffend of zelfs gevaarlijk zou zijn of dat er geen enkele overheidsbescherming
toegankelijk zou zijn waar redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het
lijden van ernstige schade worden getroffen. De Raad besluit dat het Colombiaanse
rechtssysteem niet perfect is, maar ook niet uitsluitend in theorie bestaat. Er kan dan
ook worden aangenomen dat de Colombiaanse overheden in het algemeen bescherming
kunnen en willen bieden.
Verzoekende partijen tonen, gelet op voormelde pertinente vaststellingen van de
bestreden beslissingen, evenmin aan dat zij geen bescherming en/of hulp zouden hebben
(kunnen) verkrijgen van de in Colombia aanwezige beschermingsautoriteiten.
Verzoekende partijen hebben immers een klacht neergelegd inzake de autodiefstal en
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.434 VII-42.939-3/7
deze werd door de FiscalĂa ook genoteerd (administratief dossier verzoeker,
Documenten, stuk 11 en aanvullende nota verzoeker, stuk 14; aanvullende nota
verzoekster, stuk 12). De vaststelling dat verzoekende partijen niet de moeite namen om
alle nationale beschermingsmogelijkheden in Colombia uit te putten, ondermijnt dan
ook wel degelijk de geloofwaardigheid van hun vluchtrelaas. Verzoekende partijen
kunnen aldus niet stellen dat zij geen toegang hebben tot overheidsbescherming. Het
betoog dat het niet relevant is of er al dan niet een klacht werd ingediend om effectieve
bescherming te verkrijgen, kan niet worden gevolgd nu dit een belangrijk mechanisme
is in het kader van toegang tot overheidsbescherming.â
Naar luid van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980
âbetreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingenâ (hierna: vreemdelingenwet) wordt de vluchtelingenstatus toegekend aan de
vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het internationaal verdrag
betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te GenĂšve op 28 juli 1951 (hierna:
vluchtelingenverdrag). Artikel 1.A van het vluchtelingenverdrag definieert de vluchteling als
een persoon die een gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin koestert en
die âzich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van
dat land niet kan, of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepenâ. De Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen vermocht in het kader van deze laatste voorwaarde zonder
schending van de voornoemde bepalingen te onderzoeken of de verzoekende partijen al dan
niet een beroep konden doen op bescherming door de Colombiaanse overheid en daarbij meer
bepaald nagaan of de Colombiaanse overheid bij een klacht in het algemeen al dan niet
bescherming kan of wil bieden. Nu hij bevestigend antwoordt op deze vragen, mocht de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen eveneens het niet indienen van een klacht door de
verzoekende partijen in aanmerking nemen.
5. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
Derde middel
6. In een eerste middelonderdeel achten de verzoekende partijen
artikel 48/3 van de vreemdelingenwet geschonden omdat âde verwerende partij evenwel
verkiest om spijkers op laag water te zoeken en feitlijkheden elementen uit het dossier wenst
te negeren louter en alleen omdat verzoekers tegenstrijdiger verklaringen zouden hebben
afgelegd â quod nonâ, terwijl volgens hen âvaststaat aan de hand van die stukken dat
verzoekers zich niet kunnen wenden tot hun eigen overheid voor bescherming, wel integendeel
deze overheid, indien zij al bestaat, dermate gedesorganiseerd is dat er geen sprake kan zijn
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.434 VII-42.939-4/7
van een Colombiaanse staatâ, omdat âde verklaringen van verzoeker consistent zijn,
onderschreven worden door de getuigenissen en door verzoekers bijgebrachte documentenâ
en omdat in het bestreden arrest de motivering van de beslissing van de verwerende partij
wordt overgenomen âen alle andere objectieve elementen uit het dossierâ worden genegeerd.
Met deze kritiek vragen de verzoekende partijen in wezen een nieuwe
beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
7. In een tweede middelonderdeel achten de verzoekende partijen
artikel 48/4 van de vreemdelingenwet geschonden omdat âzij onbetwistbaar inwoners zijn van
Colombia, die dermate instabiel én gevaarlijk is gelet op het niet door de RvV ontkende
gewapend conflictâ, omdat âgelet op de terreur, de interne corruptie en het gewapend conflict
geen sprake is van een binnenlands vluchtalternatiefâ, omdat âeveneens aan de hand van
stukken wordt aangetoond dat er sprake is van een gewapend conflictâ en âmeteen vaststaat
dat verzoekers veiligheid niet kan worden gegarandeerd in Colombia in welke regio of
provincie dan ookâ en omdat in het bestreden arrest de motivering van de beslissing van de
verwerende partij wordt overgenomen.
Opnieuw vragen de verzoekende partijen met deze kritiek in wezen
een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet
bevoegd is.
8. Het derde middel is in zijn beide onderdelen kennelijk niet
ontvankelijk.
Vierde middel
9. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 âbetreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingenâ noch het zorgvuldigheidsbeginsel en
het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing
op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak is gedaan
met hervormingsbevoegdheid over een beroep tegen de weigering van de vluchtelingenstatus
en de subsidiaire beschermingsstatus.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.434 VII-42.939-5/7
10. In een eerste middelonderdeel achten de verzoekende partijen de
motivering van het bestreden arrest âin dezelfde zin en bijna even lapidairâ overgenomen uit
de beslissing van de verwerende partij. Met uitsluitend een verwijzing naar artikel 57/6 van de
vreemdelingenwet, dat enkel van toepassing is op de beslissing van de verwerende partij en
niet op de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, tonen de verzoekende
partijen geen schending aan van de motiveringsplicht in het bestreden arrest. De verzoekende
partijen lichten overigens niet in het minst toe in welke zin de motieven uit de beslissing van
de verwerende partij niet zouden voldoen, in de mate dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen er zich bij aansluit. Verder gaan de verzoekende partijen voorbij
aan de vaststelling in het bestreden arrest âdat verzoekende partijen in de verzoekschriften het
niet eens zijn met de motieven van de bestreden beslissingen, doch dat zij geen concrete poging
ondernemen om de pertinente motieven dienaangaande te verklaren of te weerleggenâ. Tot
slot gaan zij ook voorbij aan de eigen motieven in de punten 3.3.4 en 3.3.5 van het bestreden
arrest.
11. In een tweede middelonderdeel voeren de verzoekende partijen aan
dat het bestreden arrest âis gemotiveerd in strijd met de inhoud van het dossier en getuigt van
onzorgvuldigheid minstens onredelijkheidâ. Ook deze kritiek heeft betrekking op de grond
van de zaak, doch de Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de
zaak zelf.
12. Het vierde middel is in zijn beide onderdelen kennelijk niet
ontvankelijk.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep,
begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 26 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.434 VII-42.939-6/7
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien september
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.434 VII-42.939-7/7