RvS-16448
🏛️ Raad van State
📅 2025-09-19
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.448 van 19 september 2025
in de zaak A. 245.492/VII-42.979
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Dirk Geens
kantoor houdend te 2018 Antwerpen
Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 4 augustus 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 329.020 van 27 juni 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 19 augustus 2025 aangekomen ter
griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste middel
1. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden
arrest onder meer:
“De Raad kan niet anders dan vaststellen dat de grondslag van de door verzoekende
partij in de aanvullende nota aangehaalde elementen, behoudens 1 korte passage in de
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.448 VII-42.979-1/5
aanvullende nota (p. 34 – 36) waarbij wordt verwezen naar en gedeeltelijk geciteerd uit
een publicatie van RSA van maart 2025, reeds bestond op het ogenblik dat zij het
verzoekschrift heeft ingediend. De overige rapporten aangehaald in de aanvullende nota
die volgens de uitleg in de aanvullende nota toelaten rekening te houden met de ‘actuele
situatie’ dateren van voor het indienen van het verzoekschrift. Daarnaast haalt
verzoekende partij slechts, en bovendien op algemene wijze, louter bijkomende
argumenten aan tegen de motieven van de bestreden beslissing. Verzoekende partij licht
echter niet toe en de Raad ziet niet in waarom zij deze argumenten/elementen niet reeds
kon aanvoeren in haar verzoekschrift. Ter zitting expliciet gevraagd te duiden in welke
mate er nieuwe elementen aangevoerd worden, blijft verzoekende partij een afdoende
uitleg schuldig.
Derhalve wordt, gelet op het voorgaande, vastgesteld dat verzoekende partij in haar
aanvullende nota die 45 pagina’s telt, afgezien van voormelde passage van 2 pagina’s
met verwijzing naar info van RSA van maart 25, geen nieuwe elementen conform
artikel 39/76, § 1, tweede lid van de Vreemdelingenwet ter kennis brengt, waardoor haar
aanvullende nota voor het overgrote deel uit de debatten wordt geweerd.
Daargelaten nog dat geen internetlink wordt vermeld inzake de publicatie van RSA van
maart 2025, bevestigt de passage uit de publicatie die wordt aangehaald louter dat
statushouders die terugkeren naar Griekenland er in een moeilijke situatie terecht
kunnen komen, hetgeen op zich geenszins wordt betwist doch al eerder uitgebreid ter
sprake kwam en als gegeven mee in acht wordt genomen. Uit de in de publicatie
aangehaalde passage met verhalen van/info over 3 naar Griekenland teruggekeerde
begunstigden van internationale bescherming kan echter geenszins blijken of worden
afgeleid dat elke statushouder die terugkeert naar Griekenland er in een situatie van zeer
verregaande materiële deprivatie belandt/zal belanden. Integendeel, verzoekende partij
haar eigen persoonlijke situatie, gelet op haar situatie bij/na terugkeer naar Griekenland
in april 2023, duidt net op het tegendeel.”
2. Verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met
het weren uit het debat van zijn aanvullende nota van 1 april 2025 “ook de verwijzing naar het
rapport van RSA van maart 2025” heeft geweerd, mist feitelijke grondslag.
3. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
Tweede middel
4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in punt 5.1 van
zijn met toepassing van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de
toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’
(hierna: vreemdelingenwet) genomen beschikking van 11 februari 2025 onder meer:
“In het verzoekschrift werpt verzoekende partij op dat haar Griekse verblijfstitel
ondertussen vervallen is. Uit het administratief dossier blijkt inderdaad dat aan
verzoekende partij Griekse verblijfstitel werd afgegeven op 7 maart 2021 geldig tot
6 maart 2024 […].
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.448 VII-42.979-2/5
Uit de door beide partijen verstrekte informatie blijkt dat de hernieuwing en/of de
verlenging van een ADET van begunstigden van een internationale beschermingsstatus
die vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie naar Griekenland terugkeren uiterst
moeilijk is en enkele maanden of zelfs meer dan een jaar kan duren. Als de ADET
vervalt, wordt de AFM automatisch gedeactiveerd waardoor een risico ontstaat dat een
individu bepaalde rechten verliest, zoals uitkeringen verbonden aan tewerkstelling dan
wel werkloosheid.
Het al dan niet hebben van een geldige ADET is dus een belangrijke factor voor de
beoordeling van het risico voor begunstigden van een internationale beschermingsstatus
in Griekenland om dakloos te worden of om in een situatie van zeer verregaande
materiële deprivatie terecht te komen. Het ontbreken ervan dient in aanmerking te
worden genomen bij een toekomstgerichte beoordeling van de te verwachten
levensomstandigheden van verzoekende partij als persoon die internationale
bescherming geniet bij terugkeer naar Griekenland. Tevens blijkt uit de
landeninformatie in het rechtsplegingsdossier zeer duidelijk dat de situatie voor
statushouders in Griekenland dermate precair is dat het voor een begunstigde van
internationale bescherming wiens ADET is vervallen, naast een zekere mate van
zelfredzaamheid en de afwezigheid van bijzondere kwetsbaarheden, ook noodzakelijk
is dat hij beschikt over middelen, een netwerk of andere ondersteuning om, in
afwachting van de verlenging van zijn Griekse verblijfsdocumenten, het hoofd te
kunnen bieden aan de moeilijkheden waarmee hij na zijn terugkeer naar Griekenland
tijdens deze wachtperiode te maken kan krijgen wat betreft de toegang tot de
gezondheidszorg, de arbeidsmarkt, de sociale bijstand en de huisvesting.
Er moet bijgevolg worden nagegaan of verzoekende partij beschikt over middelen, een
netwerk of andere ondersteuning om, in afwachting van de verlenging van haar Griekse
verblijfsdocumenten, het hoofd te kunnen bieden aan de moeilijkheden waarmee zij na
haar terugkeer naar Griekenland tijdens deze wachtperiode te maken kan krijgen. Uit
het administratief dossier blijkt onder andere dat verzoekende partij in Griekenland zelf
in haar levensbehoeften kon voorzien en zij tevens over een sociale netwerk beschikte
die haar ingeval van nood kon steunen. Zo dient uit haar verklaringen in het kader van
haar eerste verzoek vastgesteld te worden dat zij in staat was om op verschillende
gelegenheden geld bijeen te krijgen om te blijven proberen Griekenland te verlaten […].
Verder blijkt uit haar verklaringen dat zij seizoenswerk deed in de landbouw, in een
bakkerij en als schilder […]. Bovendien kon verzoekende partij ook beroep doen op
haar netwerk om haar bij te staan in geval van terugkeer naar Griekenland. Zo kon zij
rekenen op de financiële steun van haar tante […]. Uit haar verklaringen blijkt dat zij
tevens kan rekenen op de steun van haar broer, hij woont in België immers bij hem […].
Zij is met behulp van haar broer van Griekenland naar België gereisd aangezien hij haar
vliegtuigticket betaalde […]. Bovendien werkt verzoekende partij hier in België in
dezelfde metaalfabriek als haar broer, waardoor zij over financiële middelen kan
beschikken. Aldus kan niet ingezien worden waarom verzoekende partij geen beroep
zou kunnen doen op haar broer en/of haar tante om haar financiële ondersteuning te
bieden tijdens de periode die zij dient te overbruggen tussen het aanvragen en het
effectief ontvangen van een nieuw verblijfsdocument. Uit bovenstaande blijkt dat
verzoekende partij over financiële ondersteuning beschikt om het hoofd te kunnen
bieden aan de moeilijkheden waarmee zij na haar terugkeer naar Griekenland tijdens
deze wachtperiode te maken kan krijgen.
Verzoekende partij brengt in haar verzoekschrift geen elementen aan die een ander licht
kunnen werpen op de voorgaande vaststellingen. Deze blijven derhalve onverminderd
overeind.”
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.448 VII-42.979-3/5
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt vervolgens in
het bestreden arrest:
“Met haar beknopte en algemene verwijzing naar gedeeltelijk aangehaalde, recente
algemene landeninformatie brengt verzoekende partij dan ook geen dienstige, op haar
eigen persoon(lijke situatie) betrokken elementen aan die vermogen een ander licht te
werpen op hetgeen concreet wordt vastgesteld en uitvoerig uiteengezet in de
beschikking inzake haar eigen, concrete en persoonlijke situatie als Grieks statushouder,
namelijk dat zij niet aantoont dat haar situatie in Griekenland er een was van of dat bij
terugkeer naar Griekenland een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie dreigt
zoals geduid door het Hof van Justitie in de al eerder ruim aangehaalde relevante
[…] Verzoekende partij haar betoog ter zitting betreft in wezen immers niets meer dan
een loutere herhaling van elementen en argumenten die zij al eerder aanbracht, waarbij
zij o.a. opnieuw wijst op het feit dat zij jaren geleden in 2018 in Griekenland als
vluchteling werd erkend en de algemene problematiek voor statushouders in
Griekenland op het vlak van de vernieuwing van de AMKA- en ADET-kaart alsook het
feit dat zij in België een broer met verblijfstoelating in België heeft en ze hier in België
naar een psycholoog is gegaan en hiervan eerder een stuk bijbracht. Voor het overige
volhardt zij louter in het verzoekschrift.
Met die elementen werd evenwel reeds terdege rekening gehouden en hierop wordt
concreet en uitgebreid ingegaan op de beschikking van 11 februari 2025.
Verzoekende partij doet ter zitting echter niet de minste poging of moeite om concreet
en inhoudelijk op de vaststellingen gedaan in de beschikking in het kader van haar
huidig volgend verzoek om internationale bescherming in te gaan, laat staan deze van
concrete en dienstige repliek te voorzien, waardoor de inhoud van de beschikking
onverminderd overeind blijft.”
5. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen zowel met algemene landeninformatie als met verzoekers
individuele situatie rekening heeft gehouden. Verzoeker wijst op de vereiste van een
individueel en actueel onderzoek, maar hij beperkt zich daarbij tot algemene opmerkingen,
zonder in het licht van de concrete motieven van het bestreden arrest aannemelijk te maken
dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalde elementen op onwettige wijze buiten
beschouwing zou hebben gelaten of bepaalde kritiek niet of onvoldoende zou hebben
beantwoord.
6. Het tweede middel is kennelijk ongegrond.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.448 VII-42.979-4/5
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negentien september
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.448 VII-42.979-5/5