RvS-16449
🏛️ Raad van State
📅 2025-09-22
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 29 juli 1991, 30 november 2006, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.449 van 22 september 2025
in de zaak A. 245.153/VII-42.936
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Jonathan Waldmann
kantoor houdend te 4000 Luik
Rue Paul Devaux 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 25 juni 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 327.054 van 21 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 4 juli 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, noch de materiëlemotiveringsplicht en
de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing
op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met
hervormingsbevoegdheid is gedaan.
Het enige middel is in die mate kennelijk niet ontvankelijk.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.449 VII-42.936-1/8
2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door
artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied,
het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet)
aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht
heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de
voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet
die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele
motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een
gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de
motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering
een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken,
maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke
motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet
antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd,
maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
3. Verzoeker voert over het al dan niet voorhanden zijn van voldoende,
actuele en betrouwbare informatie over de toestand in Afghanistan in essentie aan dat de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen “geen of alleszins niet afdoende uitleg [geeft] waarom zij
ondanks deze vaststellingen alsnog tot de conclusie […] komt dat er wel actuele betrouwbare
informatie is en […] haar stelling niet afdoende [motiveert], terwijl dit […] onder meer de
kern van het betoog van verzoeker betreft”. Verder zou de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen verzoekers grieven, uiteengezet in het verzoekschrift, niet
beantwoorden. Verzoeker stelt “dat er geen afweging en onderzoek van de argumenten die
door verzoeker werden aangehaald in het verzoekschrift en de aanvullende nota heeft
plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zonder verdere
motivering volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit”.
4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in punt 2.3 van
het bestreden arrest naar de bij de aanvullende nota van de verwerende partij gevoegde
geüpdatete informatie, waaronder een Country Guidance van het EUAA over Afghanistan van
mei 2024, een COI Query Afghanistan van het EUAA van 2 februari 2024, een COI Focus
Afghanistan van 14 december 2023, een Country Focus van november 2024 en een rapport
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.449 VII-42.936-2/8
van UNAMA van juni 2023. Daarnaast vermeldt hij ook verzoekers aanvullende nota van
10 april 2025 met de bijgebrachte documenten.
Wat betreft de aanwezigheid van voldoende actuele en objectieve
landeninformatie, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.7 van het
bestreden arrest:
“Er kan opgemerkt worden dat, in vergelijking met de periode vóór de machtsovername,
waarin bijzonder veel bronnen en organisaties in Afghanistan actief waren en over de
veiligheidssituatie rapporteerden, heden minder gedetailleerde en betrouwbare
informatie over de situatie in Afghanistan voorhanden is. Er blijkt echter duidelijk dat
de berichtgeving uit en over Afghanistan niet is gestopt, dat tal van bronnen nog steeds
beschikbaar zijn en dat nieuwe bronnen zijn verschenen, zoals wordt geattesteerd door
de voorgelegde landeninformatie. Bij het opstellen van de rapporten heeft onder meer
de EUAA daarenboven gebruik gemaakt van informatie afkomstig van zowel
gouvernementele als niet-gouvernementele (internationale) organisaties. Bovendien
zijn verschillende gezaghebbende experten, analisten en (internationale) instellingen de
situatie in het land blijven opvolgen en rapporteren zij over gebeurtenissen en
incidenten. De verbeterde veiligheidssituatie heeft verder als gevolg dat meer regio’s
dan vroeger toegankelijk zijn. In tegenstelling tot wat verzoeker doorheen zijn kritiek
tracht te laten uitschijnen, oordeelt de Raad dat er te dezen en op heden wel degelijk
actuele, betrouwbare, eensluidende en omvattende informatie voorhanden is die toelaat
om een gedegen inschatting te maken van de situatie in verzoekers land en regio van
herkomst en om tot een oordeel te komen omtrent de door verzoeker voorgehouden
nood aan internationale bescherming, in het licht van deze situatie, in de zin van de
artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet.”
In de mate dat verzoeker vreest te zullen worden vervolgd omwille
van zijn leven in België, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat de risico’s bij
een eventuele terugkeer naar Afghanistan na een verblijf in Europa worden afgewogen in de
voor hem bestreden beslissing en overweegt hij in het bestreden arrest:
“In zijn verzoekschrift en ook in de aanvullende nota stelt verzoeker nog erg algemeen
te vrezen bij een terugkeer naar Afghanistan te zullen worden vervolgd omwille van een
zogenaamde toegeschreven verwestering. Hij wijst daarbij op het feit dat hij
daadwerkelijk westerse waarden overgenomen zou hebben en geen zicht zou hebben op
de concrete invulling die de Taliban zouden geven aan hun richtlijnen en dit zeker na
de machtsovername. Wat dit echter concreet inhoudt, wordt niet aangegeven door
verzoeker. Uit de objectieve landeninformatie waarover de Raad beschikt blijkt heden
evenwel niet dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die
terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor
vervolging kan worden aangenomen. Uit de meest recente informatie waarover de Raad
beschikt blijkt veeleer dat Afghanen die terugkeren uit het buitenland in regel weinig of
niets in de weg wordt gelegd (cf. EUAA Afghanistan Country Focus, mei 2024 en
aanvulling/actualisatie van november 2024).
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.449 VII-42.936-3/8
Verzoeker maakt ook niet aannemelijk dat hij een specifiek risicoprofiel heeft dat zou
toelaten te besluiten dat hij toch een ernstig risico loopt om te worden vervolgd.
Verzoeker toont niet aan dat hij tijdens zijn verblijf in West-Europa een opvatting,
gedachte, mening, kenmerk of geloof heeft ontwikkeld waardoor hij de negatieve
belangstelling van potentiële actoren van vervolging, zoals de taliban, andere
groeperingen of zijn lokale gemeenschap in Afghanistan, heeft gewekt of kan wekken.
Evenmin maakt hij concreet aannemelijk dat hem een gedachte, opvatting, mening,
kenmerk of geloof kan worden toegedicht door de taliban of zijn lokale gemeenschap
waardoor hij in de problemen zou kunnen komen.
De Raad merkt ook op dat verzoeker, volgens zijn verklaringen, werd geboren en
opgroeide in Afghanistan, dat hij op volwassen leeftijd – en dus toen hij reeds voor een
belangrijk deel was gevormd door de samenleving waarin hij opgroeide – naar Europa
reisde, dat hij een praktiserende moslim is en dat hij een beperkt aantal jaren in West-
Europa verblijft en er dus niet zo maar kan worden aangenomen dat hij zich bepaalde
westerse denkbeelden – waarvan niet kan worden verwacht dat hij eraan verzaakt –
eigen heeft gemaakt.
Verzoeker toont ook niet aan uiterlijke kenmerken te hebben die, zelfs al zouden zij
betekenisloos zijn, toch zouden kunnen worden aanzien als een reden om hem als
afwijkend te beschouwen en hem te vervolgen. Verzoeker is van mening dat hem niet
gevraagd werd naar de risico’s bij een eventuele terugkeer naar Afghanistan na een
verblijf in Europa. Dit blijkt echter niet te kloppen wanneer de weergave van het
persoonlijk onderhoud nagelezen wordt. […].
Op grond van de recente, objectieve landeninformatie in het rechtsplegingsdossier kan
niet worden besloten dat blijkt dat het loutere gegeven enige tijd in het Westen te hebben
verbleven volstaat om bij een terugkeer uit Europa naar Afghanistan door de taliban of
de maatschappij met argwaan te worden bekeken. Deze terugkeerders kunnen eventueel
met stigmatisering of uitstoting worden geconfronteerd, maar deze stigmatisering of
uitstoting kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden beschouwd als vervolging. Wat
betreft de negatieve perceptie ten aanzien van terugkeerders uit het Westen blijkt
nergens in de aanwezige informatie dat dit gegeven op zich aanleiding zou geven tot
daden van vervolging, doch dat dit samen met andere individuele elementen dient te
worden beoordeeld.”
Verder in het bestreden arrest antwoordt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen bij zijn beoordeling in het licht van artikel 48/4 van de
vreemdelingenwet expliciet op verzoekers kritiek in zijn aanvullende nota van 10 april 2025
aangaande de actuele veiligheidssituatie in Afghanistan:
“Verzoeker stelt op algemene wijze dat uit rapporten blijkt dat er in Afghanistan sprake
is van geweld, van een humanitaire crisis en van een strikte interpretatie van de sharia
die het met name voor zogenaamde terugkeerders uiterst moeilijk zou maken in de
huidige Afghaanse maatschappij, maar toont hiermee niet aan dat hij zelf een reëel risico
loopt op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2 van de Vreemdelingenwet.
Het blijkt wel dat verzoeker allerhande algemene informatie aanvoert die hij ten dele
chronologisch geordend heeft. Deze informatie heeft echter vaak betrekking op feiten
van enerzijds jaren geleden en anderzijds provincies of regio’s waar verzoeker helemaal
niet uit afkomstig is. De Raad stelt zich dan ook de vraag naar het belang van het
opwerpen van deze argumenten.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.449 VII-42.936-4/8
In de aanvullende nota werpt verzoeker dan weer op dat, in tegenstelling tot wat
beweerd wordt, de veiligheidssituatie nog verder verslechterd zou zijn, dat de Taliban
de greep op de samenleving zou verhogen door meer controle in checkpoints, dat de
economische verwachtingen pessimistisch zijn en dat hij een risico loopt om in een
situatie van ernstige materiële deprivatie zou kunnen terechtkomen. Verzoeker herhaalt
zijn zogenaamde risico omwille van zijn beweerde betrekking. Gedwongen
repatriëringen zouden ook onverminderd afgeraden blijven.
Betreffende verzoekers betoog dat hij in Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige
schade zoals bedoeld in artikel 48/4, § 2, c) van de Vreemdelingenwet moet worden
opgemerkt dat hij aangaf afkomstig te zijn uit de provincie […] en dat uit de informatie
waarover de Raad heden beschikt weliswaar blijkt dat er in deze provincie nog sprake
is van willekeurig geweld, maar dat dit geweld actueel geen hoog niveau bereikt […].
Bovendien wordt een aanzienlijk deel van de burgerdoden in deze provincie beschouwd
als het gevolg van veiligheidsincidenten van gerichte aard. Verzoekers standpunt dat uit
oudere cijfers nog geen conclusies kunnen worden getrokken wijzigt hier niets aan.
Tevens kan nog worden geduid dat de UNAMA in juni 2023 nog een nieuw verslag
heeft uitgebracht, waarin ook wordt geconcludeerd dat het aantal burgerdoden in
Afghanistan significant is gedaald sinds de machtsovername door de taliban […]. In dit
verslag wordt er eveneens op gewezen dat slachtoffers meestal vielen bij aanslagen die
waren gericht tegen religieuze en etnische minderheden en overheidspersoneel.
Soortgelijke inlichtingen kunnen worden teruggevonden in andere recente verslagen
[…]. In het EUAA COI rapport van november 2024 over de veiligheidssituatie in
Afghanistan wordt aangegeven dat de veiligheidssituatie positief blijft evolueren. Er
zijn weliswaar nog enkele verzetsgroepen actief (National Resistance Front en
Afghanistan Freedom Front) en ook ISKP blijft aanvallen uitvoeren tegen burgerdoelen
en de zogenaamde autoriteiten. Uit de gegevens van verschillende actoren blijkt echter
dat er een aanzienlijke daling is in het aantal geregistreerde gebeurtenissen sedert 2022.
Er is weliswaar een lichte stijging van het aantal burgerdoden, deze betreffen echter ook
incidenten die verband houden met drugs en landconflicten, hetgeen losstaat van wat
wordt beoordeeld in artikel 48/4, § 2, c) van de Vreemdelingenwet.
Er kan dus niet worden geoordeeld dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen
dat verzoeker louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een
bedreiging van zijn leven of persoon. Verzoeker maakt ook niet aannemelijk dat er
gegevens eigen aan zijn persoon zijn die toelaten te besluiten dat hij, in vergelijking met
een ander persoon, een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig
geweld.
Het klopt dat sinds de machtsovername door de Taliban van enkele jaren geleden de
Sharia inderdaad geldt als wettelijk kader. Door de verschillende interpretaties ter
plaatse en het gebrek aan een formeel juridisch kader is er eigenlijk slechts sprake van
instructies die erg vaag geformuleerd worden en opnieuw voor interpretatie vatbaar zijn.
Met name het onderscheid tussen de verschillende geslachten is een basisidee in deze
instructies. In ieder geval is de handhaving van deze instructies niet overal gelijk en
vaak niet eens uit te voeren. Hoe dan ook is de handhaving ervan minder streng dan
tijdens het voorgaande bewind van de Taliban tussen 1996 en 2001. Voornamelijk voor
vrouwen en meisjes is er sprake van aanzienlijke beperkingen. Verzoeker is echter een
jonge man en toont niet aan dat er sprake is van groepsvervolging waarbij alle
Afghaanse mannen het slachtoffer worden van vervolging of onmenselijke of
vernederende behandeling of bestraffing door de taliban. Een individuele beoordeling
blijft bijgevolg noodzakelijk. Door in zijn verzoekschrift of aanvullende nota louter te
verwijzen naar algemene landeninformatie zonder deze informatie op zijn persoonlijke
situatie te betrekken, werpt verzoeker hier geen ander licht op.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.449 VII-42.936-5/8
De Raad merkt op dat verzoeker meent dat hem de subsidiaire beschermingsstatus kan
worden toegekend omdat hij een reëel risico loopt op schade zoals bedoeld in
artikel 48/4, § 2, b) van de Vreemdelingenwet.
Verzoeker zet hierbij, met verwijzing naar tal van documenten, de socio-economische
situatie in Afghanistan uiteen en stelt te vrezen dat hij bij een terugkeer naar dat land in
een situatie van extreme armoede dreigt terecht te komen waarbij hij niet in zijn
elementaire levensbehoeften zal kunnen voorzien. Hij betoogt dat de verergering van de
socio-economische toestand in Afghanistan is veroorzaakt door de gedragingen van de
nieuwe taliban-regering. Dat de minder goede socio-economische situatie in
Afghanistan, na de machtsovername door de taliban, in augustus 2021, nog verder is
verslechterd wordt niet betwist.
De kernvraag is evenwel of de huidige algemene precaire socio-economische en
humanitaire situatie in Afghanistan overwegend (‘predominantly’) wordt veroorzaakt
door gedragingen van derden, in casu de actoren vermeld in artikel 48/5, § 1 van de
Vreemdelingenwet, dan wel of deze situatie eerder het gevolg is van objectieve factoren,
zoals ontoereikende voorzieningen door een gebrek aan overheidsmiddelen, al dan niet
in combinatie met natuurlijke fenomenen, waardoor de voormelde situatie in
Afghanistan niet valt onder het toepassingsgebied van artikel 48/4, § 2, b) van de
Vreemdelingenwet.
Na lezing van de beschikbare landeninformatie in het rechtsplegingsdossier kan de Raad
niet oordelen dat verweerder verkeerdelijk concludeerde dat de precaire socio-
economische en humanitaire situatie in Afghanistan het gevolg is van een complexe
wisselwerking tussen verschillende elementen en economische factoren, waarvan een
aantal factoren reeds voor de machtsovername door de taliban in het land aanwezig
waren. De huidige socio-economische situatie in Afghanistan is overduidelijk het
gevolg van een combinatie van beslissingen genomen door buitenlandse regeringen en
internationale instellingen, enerzijds, alsook door bepaalde beleidsbeslissingen van de
taliban gepaard met hun falen om tegemoet te komen aan bepaalde eisen in ruil voor
internationale bijstand, anderzijds. Ten slotte zijn er milieuomstandigheden zoals de
aanhoudende ernstige droogte en andere natuurrampen die een aanzienlijke impact
hebben.
Er kan uit het geheel van de beschikbare landeninformatie dan ook niet worden afgeleid
dat de huidige precaire socio-economische en humanitaire situatie overwegend wordt
veroorzaakt door gedragingen van de taliban of enige andere actor, laat staan wordt
veroorzaakt door het opzettelijk handelen of nalaten van de taliban of enige andere actor.
Ook de meest recente gegevens uit de EUAA COI Afghanistan van november 2024
laten niet toe te besluiten dat deze humanitaire situatie dermate gewijzigd zou zijn dat
een andere beoordeling zich opdringt.
Voorts blijkt niet dat verzoeker in deze context persoonlijk wordt geviseerd of dat hij
behoort tot een groep van geviseerde personen. Hij toont niet aan dat hij bij terugkeer
naar Afghanistan door de taliban of enige andere actor op intentionele en gerichte wijze
zou worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling, met name een situatie van
extreme armoede waarbij hij niet zou kunnen voorzien in zijn elementaire
levensbehoeften. Bij gebrek aan een actor in de zin van artikel 48/5, § 1 van de
Vreemdelingenwet en een element van opzettelijkheid, blijkt dat in casu geen
toepassing kan worden gemaakt van artikel 48/4, § 2, b) van de Vreemdelingenwet en
dat de huidige precaire socio-economische en humanitaire situatie in Afghanistan dan
ook geen aanleiding geeft tot het toekennen van internationale bescherming.
Verzoekers betoog dat de precaire humanitaire situatie in Afghanistan voornamelijk is
te wijten aan het handelen van de taliban kan niet worden bijgetreden.
Gelet op wat voorafgaat, concludeert de Raad dat het risico voor verzoeker om bij
terugkeer naar Afghanistan terecht te komen in een situatie van extreme armoede die
wordt gekenmerkt door de onmogelijkheid om te voorzien in elementaire
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.449 VII-42.936-6/8
levensbehoeften zoals voedsel, hygiëne en huisvesting, in deze stand van zaken niet valt
onder het toepassingsgebied van artikel 48/4, § 2, b) van de Vreemdelingenwet.
De uitvoerige uiteenzetting van verzoeker, waarbij hij ook verwijst naar minder recente
informatie, naar de situatie in andere provincies en naar doelgerichte aanslagen, laat de
Raad niet toe tot een ander besluit te komen. Gezien de informatie in het
rechtsplegingsdossier kan verzoeker ook niet worden bijgetreden in zijn standpunt dat
er geen deugdelijke doorstroming van objectieve informatie meer is aangaande de
situatie in Afghanistan, dat een analyse van de veiligheidssituatie dus niet mogelijk is
en dat niet kan worden geoordeeld dat de situatie is verbeterd.
Evenmin heeft verzoeker belang bij het verwijzen naar de inperking van de rechten van
de meisjes en vrouwen in Afghanistan, nu hij zelf een jonge man is en dan ook a priori
niet getroffen wordt door deze omstandigheden die uiteraard wel een grote impact
hebben op de daadwerkelijk betrokkenen.
De Raad kan enkel vaststellen dat niet blijkt dat verzoeker nood heeft aan de subsidiaire
beschermingsstatus, zoals voorzien in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet.”
Met de voorgaande omstandige motivering beantwoordt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoekers standpunt betreffende het (volgens
verzoeker) niet voorhanden zijn van voldoende objectieve informatie over de algemene
situatie in Afghanistan, in het bijzonder voor terugkeerders uit het Westen. Bovendien wordt
in het bestreden arrest uitdrukkelijk verwezen naar verzoekers aanvullende nota en de
informatie waarnaar hij verwijst in die nota. Uit dit alles blijkt duidelijk dat en waarom de
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat hij, ondanks bepaalde problemen,
toch van oordeel is over voldoende informatie te beschikken.
5. Verzoeker toont geen schending aan van de in artikel 149 van de
Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht
als vormvereiste. In de mate dat verzoeker het ten gronde niet eens is met de gemaakte
beoordeling, houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht, doch vraagt hij
in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als
cassatierechter niet bevoegd is.
6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.449 VII-42.936-7/8
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig september
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.449 VII-42.936-8/8