RvS-16450
🏛️ Raad van State
📅 2025-09-23
🌐 FR
Beschikking
Rechtsgebied
bestuursrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
18 juli 1966, 30 november 2006, Burgerlijk Wetboek, Gerechtelijk Wetboek, Grondwet
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.450 van 23 september 2025
in de zaak A. 245.331/VII-42.954
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Tristan Wibault
kantoor houdend te 1060 Brussel
Henri Jasparlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door
de minister van Asiel en Migratie
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 16 juli 2025, strekt tot de cassatie van
arrest nr. 328.435 van 17 juni 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 5 augustus 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Verzoeker voert in een eerste middel aan dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet antwoordt op het eerste onderdeel van
zijn eerste middel betreffende de voorgehouden schending van de artikelen 17 en 41 van de
gecoördineerde wet van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’. Verzoeker
voert in een tweede middel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden
arrest niet antwoordt op het tweede en derde onderdeel van zijn eerste middel betreffende de
voorgehouden schending van artikel 24 van het Gerechtelijk Wetboek en het beginsel van het
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.450 VII-42.954-1/3
gezag van gewijsde. Hij acht daarom zowel de in artikel 149 van de Grondwet vervatte
jurisdictionele motiveringsplicht en de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek als
de in de voormelde middelonderdelen ingeroepen bepalingen geschonden.
2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden
arrest:
“Zoals de Raad reeds heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 311.377 van 14 augustus 2024,
heeft een vreemdeling in beginsel geen rechtmatig belang bij een beroep tegen een bevel
om het grondgebied te verlaten indien hij onderworpen is aan een nog geldend
ministerieel terugwijzingsbesluit dat gepaard gaat met een inreisverbod. Zolang dit
verwijderingsbevel niet is opgeheven of geschorst overeenkomstig artikel 74/12 of
46bis van de vreemdelingenwet, blijven de rechtsgevolgen – waaronder het verbod op
verblijf – voortduren en kan elk later bevel enkel als uitvoering van die maatregel
worden beschouwd.
In de huidige zaak blijkt dat verzoeker op 4 juli 2005 een ministerieel besluit tot
terugwijzing ter kennis werd gebracht, dat van kracht werd op het einde van de
strafuitvoering (11 februari 2020), en thans wordt gelijkgesteld aan een inreisverbod
van tien jaar (Grondwettelijk Hof nr. 151/2019 van 24 oktober 2019). Het inreisverbod
houdt in dat de toegang tot en het verblijf op het grondgebied voor een bepaalde termijn
verboden wordt (artikel 1, §1, 8°, van de vreemdelingenwet).
De Raad erkent evenwel dat de vordering tot schorsing in uitzonderlijke gevallen
ontvankelijk kan zijn, indien de verzoeker een verdedigbare grief aanvoert waaruit blijkt
dat zijn verwijdering een risico inhoudt op een behandeling in strijd met de door het
EVRM gewaarborgde rechten, zoals artikel 3 of artikel 8 EVRM. Dit volgt uit de
rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende de
effectiviteit van rechtsmiddelen in de zin van artikel 13 EVRM (zie o.a. EHRM
21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, §§ 289 en 293; EHRM
5 februari 2002, Čonka t. België, § 75; EHRM 25 maart 1983, Silver e.a. t. VK, § 113).
De Raad onderzoekt daarom uitsluitend in het licht van deze verplichting of de
ingeroepen middelen een verdedigbare grief in de zin van het EVRM inhouden. Enkel
de middelonderdelen die potentieel een schending van een fundamenteel recht
aanvoeren, worden hierna onderzocht. De overige middelen worden, wegens het
ontbreken van belang, niet behandeld.”
Uit de voorgaande motivering kan verzoeker duidelijk afleiden
waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet het eerste,
tweede en derde onderdeel van het eerste middel behandelt. Verzoeker toont wat dat betreft
geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele
motiveringsplicht. Verder zet hij niet uiteen op welke wijze de artikelen 8.17 en 8.18 van het
Burgerlijk Wetboek zouden zijn geschonden met het bestreden arrest.
Verzoeker gaat in de twee cassatiemiddelen volledig voorbij aan de
voormelde beoordeling in het bestreden arrest, zodat hij de onwettigheid ervan niet aangeeft
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.450 VII-42.954-2/3
en niet kan aantonen. Bijgevolg kan hij ook geen schending van de in het eerste, tweede en
derde onderdeel van zijn eerste middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
ingeroepen bepalingen aantonen.
3. De twee cassatiemiddelen zijn kennelijk niet ontvankelijk.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig september
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.450 VII-42.954-3/3