RvS-16457
🏛️ Raad van State
📅 2025-09-23
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
30 november 2006, Grondwet
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.457 van 23 september 2025
in de zaak A. 245.503/VII-42.981
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Dirk Geens
kantoor houdend te 2018 Antwerpen
Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 5 augustus 2025, strekt tot de cassatie
van het arrest nr. 329.821 van 14 juli 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 19 augustus 2025 aangekomen ter
griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Volgens verzoeker is de in het bestreden arrest gemaakte beoordeling
onvolledig doordat geen onderzoek is gevoerd betreffende de middelen of andere
ondersteuning waarover verzoeker kan beschikken bij een terugkeer naar Griekenland en
doordat het onderzoek naar verzoekers netwerk is beperkt tot een verwijzing naar de situatie
in april 2024 en dus niet actueel is. Verzoeker acht daardoor zowel artikel 3 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.457 VII-42.981-1/6
(hierna: EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als
de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht geschonden.
2. Na een omstandige analyse van de algemene situatie voor
statushouders in Griekenland en de mogelijkheden voor en problemen bij de aanvraag en de
hernieuwing of verlenging van de in Griekenland vereiste administratieve documenten,
overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest “dat er een zeer
precaire situatie is waardoor de grootste voorzichtigheid en zorgvuldigheid zijn geboden bij
de beoordeling van beschermingsverzoeken van begunstigden van internationale bescherming
in Griekenland” en dat “rekening [moet] worden gehouden met ‘alle gegevens van de zaak’
[…] en […] het noodzakelijk [is] om het verzoek om internationale bescherming van
verzoeker op basis van zijn individuele omstandigheden te beoordelen”, waarbij “het aan
verzoeker toe[komt] om in dit verband de nodige concrete elementen aan te reiken die van
aard zijn om het vermoeden dat hij zich op de beschermingsstatus die hem in Griekenland
werd verleend en de daaruit voortvloeiende rechten kan beroepen en dat hij niet terechtkomt
in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, te weerleggen”. De Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen overweegt dan:
“Verzoeker beroept zich in zijn verzoekschrift op de moeilijke situatie van begunstigden
van internationale bescherming in Griekenland. Hij volhardt in zijn verklaringen
aangaande zijn ervaringen in Griekenland, waaronder politiegeweld en discriminatie,
en wijst op algemene landeninfomatie aangaande de situatie van statushouders in
Griekenland die volgens hem een ernstig risico uitmaken op onmenselijke of
vernederende behandeling.
De vraag die thans rijst is of verzoeker in het kader van zijn huidig beschermingsverzoek
nieuwe elementen aanhaalt waaruit kan blijken dat hij bij terugkeer naar Griekenland
zal worden blootgesteld aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende
behandeling.
[…] Te dezen wordt in de bestreden beslissing inzake de door verzoeker aangehaalde
nieuwe elementen die betrekking hebben op zijn vrees bij terugkeer naar Griekenland
met reden als volgt gemotiveerd:
‘Uit de verklaringen in het kader van uw huidig verzoek en uit stukken aanwezig in uw
administratief dossier blijkt dat u op 23/04/2024 door België naar Griekenland bent
teruggestuurd.
U verwijst in het kader van uw huidig en vierde verzoek in navolging van uw eerdere
verzoeken naar de algemene situatie in Griekenland. Aanvullend voegt u eraan toe
schrik te hebben om bij terugkeer naar Griekenland drugsverslaafd of crimineel te
worden (Verklaring volgend verzoek, dd. 05/08/2024, nr. 16, 17 en nr. 20).
Het CGVS merkt in het licht van bovenstaande op dat u er blijkbaar in België ook niet
voor terugdeinst om strafbare feiten te plegen. Zo blijkt uit informatie in uw
administratief dossier dat u op 12/02/2024 opgesloten werd in de gevangenis van Haren
tengevolge een veroordeling tot een gevangenisstraf van 8 maanden door de
Correctionele Rechtbank van Leuven voor inbreuken op de drugswetgeving. Op
10/04/2024 betekende de DVZ u een bevel om het grondgebied te verlaten met
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.457 VII-42.981-2/6
vasthouding met het oog op verwijdering (13 septies) en kreeg u een inreisverbod voor
6 jaar voor België (13 sexies), waarna u op 23/04/2024 vanuit België naar Griekenland,
waar u internationale bescherming geniet, gerepatrieerd werd. Uit informatie in uw
administratief dossier blijkt tevens dat u op 19/08/2024 opnieuw opgesloten werd voor
inbreuken op de drugswetgeving, ditmaal in de gevangenis van Antwerpen, tengevolge
een veroordeling tot 6 maanden gevangenisstraf uitgesproken door de Correctionele
Rechtbank van Brussel op 14/03/2024.
Het hoeft geen betoog dat uit uw vrees om in Griekenland in de criminaliteit te belanden
of drugsverslaafd te worden geen nood aan internationale bescherming kan worden
afgeleid. Het CGVS merkt in dit verband trouwens op dat niets u belet om u als
statushouder in Griekenland bij eventuele problemen voor hulp en bescherming zich tot
de bevoegde instanties in Griekenland te wenden.
Voor wat betreft de door u aangehaalde problemen waarmee u naar eigen zeggen na uw
terugkeer naar Griekenland af te rekenen kreeg, met name scheve blikken van Arabieren
en Koerden omwille van uw lange haren, merkt het CGVS op dat de door u geschetste
problemen onvoldoende ernstig zijn om gekwalificeerd te worden als daden van
vervolging of situaties van ernstige schade zoals voorzien in de artikelen 48/3, §2 en
48/4, §2 van de Vreemdelingenwet (Verklaring volgend verzoek, nr. 17). Ook voor
bovenvermelde problemen oordeelt het CGVS dat u zich voor hulp en bescherming
sowieso tot de bevoegde Griekse instanties dient te wenden.
Wat tot slot uw verklaring betreft als zou u in België willen blijven omdat u hier een
sociaal leven (vrienden) hebt merkt het CGVS het volgende op.
In het kader van uw vorig derde verzoek onderzocht het CGVS grondig uw individuele
en uw persoonlijke ervaringen in Griekenland en kwam na grondige analyse tot het
besluit dat u er niet in slaagt aan te tonen dat u bij terugkeer naar Griekenland terecht
zal komen in een situatie van verregaande materiële deprivatie. De exacte motieven op
grond waarvan de Commissaris-generaal tot deze bevinding kwam worden duidelijk
uiteengezet in de beslissing van het CGVS van 24/11/2023. U haalde in het kader van
uw huidig vierde verzoek geen nieuwe elementen aan die het CGVS anders doen
besluiten.
In dit verband stipt het CGVS bovendien aan dat u het kader van uw huidig verzoek
expliciet verklaart geen medische problemen te hebben (Verklaring volgend verzoek,
dd. 05/08/2024, nr.13 + Vragenlijst ‘bijzondere procedurele noden’ DVZ, dd.
05/08/2024). Tevens merkt het CGVS op dat uit uw verklaringen in het kader van uw
huidig verzoek tevens blijkt dat u nog steeds over een netwerk in Griekenland beschikt.
Zo kon u na uw repatriëring naar Griekenland in april 2024 achtereenvolgens bij
vrienden in Athene en Rhodos terecht (Verklaring volgend verzoek, dd. 05/08/2024,
nr. 16).
Voor wat betreft het in uw vorig verzoek aangehaalde probleem met uw vervallen
Griekse verblijfskaart en uw vrees voor moeilijkheden bij terugkeer naar Griekenland
tengevolge het ontbreken van dit stuk, wenst het CGVS volledigheidshalve op te merken
dat zowel uit uw verklaringen in het kader van uw huidig verzoek (Verklaring volgend
verzoek, dd. 05/08/2024, nr.16) als uit stukken aanwezig in uw administratief dossier
blijkt dat u ondertussen in het bezit bent van een geldige Griekse verblijfstitel die geldig
is tot 01/06/2025.’
Uit het bovenstaande blijkt dat de commissaris-generaal in de bestreden beslissing wel
degelijk omstandig heeft gemotiveerd waarom verzoekers voorzienbare
levensomstandigheden in Griekenland niet beantwoorden aan de bijzonder hoge
drempel van zwaarwegendheid die dient te worden bereikt opdat van een ernstig risico
op onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest
sprake zou zijn. Op grond van deze pertinente motieven dient te worden besloten dat
verzoeker niet aannemelijk maakt dat in zijn hoofde sprake is van een bijzondere
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.457 VII-42.981-3/6
kwetsbaarheid die hem zou verhinderen de rechten verbonden aan zijn status in
Griekenland uit te oefenen.
Verzoeker volhardt in zijn ervaringen in Griekenland en bekritiseert verweerders
appreciatie en terechte gevolgtrekkingen doch brengt hiermee en met zijn verwijzingen
naar algemene informatie waarmee reeds rekening is gehouden en die ook de Raad in
zijn analyse heeft betrokken (supra) geenszins valabele elementen bij die voorgaande
overwegingen met betrekking tot zijn concrete situatie kunnen weerleggen.
Daar op heden, in tegenstelling tot ten tijde van de bestreden beslissing, moet
vastgesteld worden dat verzoekers Griekse verblijfskaart is vervallen hetgeen zoals
hoger weergegeven (supra cf. 4.4.5.) implicaties heeft zoals de automatische de-
activatie van zijn AFM en AMKA en de administratieve obstakels waarmee hij bij
terugkeer naar Griekenland zal worden geconfronteerd bij het hernieuwen van zijn
ADET en het aanvragen alsook activeren van zijn AFM en AMKA, wordt nog op het
volgende gewezen.
Nu vast staat dat verzoekers Griekse verblijfskaart ondertussen is vervallen, moet
worden nagegaan of verzoeker actueel beschikt over middelen, een netwerk of andere
ondersteuning die hem in staat kunnen stellen om, in geval van terugkeer naar
Griekenland, de mogelijke lange periode voor de verlenging van zijn Griekse
verblijfsvergunning te overbruggen en het hoofd te bieden aan de moeilijkheden
waarmee hij na zijn terugkeer naar Griekenland tijdens deze wachtperiode te maken kan
krijgen wat betreft de toegang tot de gezondheidszorg, de arbeidsmarkt, de sociale
bijstand en de huisvesting, hetgeen hierbij tevens moet worden onderzocht en in
overweging worden genomen.
In dit verband merkt de Raad op dat in tegenstelling tot verzoekers bewering dat hij
sinds zijn vertrek uit Griekenland geen band noch enige huisvesting heeft in
Griekenland, er samen met de commissaris-generaal kan vastgesteld worden dat
verzoeker, die overigens expliciet verklaarde geen medische klachten te hebben
((Verklaring volgend verzoek van 5 augustus 2024, vraag nr. 13; vragenlijst bijzondere
procedure noden van 5 augustus 2024) wel degelijk nog beschikt over een netwerk in
Griekenland. Zo gaf verzoekers immers aan dat hij na zijn repatriëring naar Griekenland
in april 2024 achtereenvolgens bij vrienden in Athene en Rhodos terecht kon
(Verklaring volgend verzoek van 5 augustus 2024, vraag nr.16).
In de huidige stand van zaken kan aldus afdoende worden vastgesteld dat verzoeker
over dergelijke middelen, netwerk of andere ondersteuning beschikt.”
3. Met het bestreden arrest wordt uitspraak gedaan over verzoekers
beroep tegen de verwerping van zijn derde volgend (in totaal vierde) verzoek om internationale
bescherming. Er wordt in overwogen dat zijn vorig verzoek om internationale bescherming
“definitief werd afgewezen omdat aan verzoeker reeds in een andere lidstaat van de Europese
Unie, zijnde Griekenland, internationale bescherming werd toegekend en niet bleek dat
verzoeker zich niet langer op die bescherming kan beroepen”, zodat “in casu [dient] te worden
beoordeeld of er nieuwe feiten of elementen aan de orde zijn, of door verzoeker worden
bijgebracht, die van aard zijn de verdere toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de
Vreemdelingenwet te verhinderen en aldus de kans aanzienlijk groter maken dat verzoeker in
aanmerking komt voor de toekenning van een internationale beschermingsstatus in België”.
Verzoeker betwist deze motivering niet.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.457 VII-42.981-4/6
Verzoeker, die thans aanvoert dat onvoldoende onderzoek is gevoerd
betreffende zijn middelen, netwerk of andere ondersteuning bij een terugkeer naar
Griekenland, gaat voorbij aan de vaststelling in het bestreden arrest dat hij in zijn vierde
verzoek om internationale bescherming geen elementen aanhaalt die anders doen besluiten dan
de beoordeling van zijn vorig verzoek om internationale bescherming. Met slechts te verwijzen
naar “(1) de middelen, (2) het netwerk of (3) andere ondersteuning waarop verzoeker beroep
kan doen bij een terugkeer naar Griekenland”, toont verzoeker niet aan dat hij nieuwe
elementen heeft aangevoerd die in het bestreden arrest op onwettige wijze buiten beschouwing
zouden zijn gelaten of waarover niet zou zijn gemotiveerd. Verder wordt in het bestreden arrest
wel degelijk ingegaan op het feit dat verzoekers ADET-kaart intussen is vervallen: er wordt
vastgesteld dat verzoeker voorheen reeds een verlenging van die kaart had verkregen en dat
hij na zijn repatriëring naar Griekenland in april 2024 (dit is vóór de verlenging van zijn
ADET-kaart tot 1 juni 2025) beschikte over een netwerk (en huisvesting) in Griekenland
vermits hij achtereenvolgens kon verblijven bij vrienden in Athene en op Rhodos. Door aan te
voeren dat de actualiteit van deze laatste vaststelling niet is onderzocht, toont verzoeker niet
aan dat hij dienaangaande enig concreet “nieuw element” heeft ingeroepen waarop de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte niet is ingegaan. Bijgevolg toont hij op die
wijze ook geen schending aan van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van
de grondrechten van de Europese Unie.
4. Het enige middel is kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.457 VII-42.981-5/6
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig september
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.457 VII-42.981-6/6