Naar hoofdinhoud

RvS-16460

🏛️ Raad van State 📅 2025-09-25 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 29 juli 1991, 30 november 2006, Grondwet, gw

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.460 van 25 september 2025 in de zaak A. 244.822/VII-42.893 In zake : 1. XXXXX 2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ahmed Sakhi Mir-Baz kantoor houdend te 1083 Ganshoren Broustinlaan 88/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 april 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 324.196 van 27 maart 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 juni 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. Noch artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, noch de zorgvuldigheidsplicht en het fairplay-beginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.460 VII-42.893-1/4 2. In de mate dat de verzoeksters in het opschrift van het middel de schending aanvoeren van artikel 57/34 van de vreemdelingenwet, zetten zij niet uiteen op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest. 3. Waar de verzoeksters artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) geschonden achten, laten zij volledig na om aan te geven op welke wijze dit artikel zou zijn miskend door het bestreden arrest. 4. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Volgens de verzoeksters wordt in het bestreden arrest geen rekening gehouden met bepaald e-mailverkeer tussen hun raadsman en de dienst Vreemdelingenzaken. De verzoeksters blijken in hun beroepschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat e-mailverkeer niet te hebben ingeroepen, zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er niet toe was gehouden hierover te motiveren. Verder kunnen de verzoeksters er zich niet voor het eerst op beroepen in de graad van cassatie. De verzoeksters gaan met hun overige kritiek voorbij aan de omstandige motivering van het bestreden arrest. Waar de verzoeksters in het verzoekschrift tot cassatie stellen dat een welbepaalde overweging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet klopt, kunnen zij daarmee overigens geen schending aantonen van de jurisdictionele motiveringsplicht. In de mate dat de verzoeksters het verder niet eens zijn met de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omdat deze laatste in het bestreden arrest niet heeft vastgesteld dat er tussen eerste verzoekster en de referentiepersoon wel degelijk een werkelijke en actuele huwelijksrelatie zou bestaan, vragen zij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. 5. Ook met hun kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest artikel 8 van het EVRM zou hebben geschonden door niet aan te ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.460 VII-42.893-2/4 nemen dat nog een werkelijke en actuele huwelijksrelatie bestaat tussen eerste verzoekster en de referentiepersoon, vragen de verzoeksters in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Zij gaan bovendien voorbij aan de motivering dienaangaande in het bestreden arrest: “[…] Inzake de aangevoerde schending van artikel 8 van het EVRM, en aangenomen dat dit artikel via de link met de referentiepersoon in België alsnog kan worden ingeroepen door de verzoekende partijen, moet allereerst worden herhaald dat geen afbreuk wordt gedaan aan het motief dat tussen de referentie-persoon en de eerste verzoekende partij niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven blijkt. Nog wordt herhaald dat de referentiepersoon reeds jaren geleden de beslissing heeft genomen om gescheiden van zijn echtgenote en kinderen een leven uit te bouwen buiten Afghanistan. Ondanks zijn in 2019 reeds uitgereikte permanente verblijfstitel in Oekraïne blijkt niet dat hij eerder reeds enige intentie had om de verzoekende partijen te laten overkomen. Zelfs aangenomen dat er nog een gezinsband bestaat tussen de referentiepersoon en zijn voorgehouden kinderen betreft de huidige situatie waarin deze kinderen gescheiden leven van de referentiepersoon en bij hun moeder verblijven zijn eigen keuze. Hij toont ook niet aan dat, net zoals in het verleden, de gezinsbanden niet kunnen worden onderhouden doordat hij gescheiden leeft van zijn kinderen. Daarenboven wordt evenmin het motief onderuit gehaald dat geen geldig bewijs voorligt dat de moeder van de kinderen ermee akkoord gaat dat zij alleen hun vader in België zouden vervoegen. In de gegeven omstandigheden kan geen schending van het recht op eerbiediging van het gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM worden vastgesteld.” 6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeksters worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 26 euro. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.460 VII-42.893-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijfentwintig september tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.460 VII-42.893-4/4

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot