Naar hoofdinhoud

RvS-16475

đŸ›ïž Raad van State 📅 2025-10-13 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.475 van 13 oktober 2025 in de zaak A. 245.302/VII-42.953 In zake : 1. XXXXX 2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan Waldmann kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 juli 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 327.906 van 10 juni 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 juli 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van “de materiĂ«le motiveringsplicht” zoals vervat in artikel 39/65 van de van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) en artikel 149 van de Grondwet. De verzoekende partijen hadden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.475 VII-42.953-1/7 aangevoerd dat de verwerende partij hun nieuwe bewijsstukken (vakbondsbrieven) zonder deugdelijk onderzoek naast zich neerlegde en dat zij hen niet had gehoord. Het bestreden arrest antwoordt volgens de verzoekende partijen niet adequaat op deze grief. 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in zijn arrest onder meer het volgende: “[
] Verzoekende partijen leggen uit dat hen niet kan worden verweten dat zij de nieuwe stukken, met name de brieven van de vakbond en de vorige werkgever, pas hebben ontvangen nadat het arrest van de Raad gewezen werd. Er kon hen dus niet worden verweten dat zij post factum bijkomende stukken hebben ingediend. Hiermee uiten verzoekende partijen opnieuw kritiek op het motief in de bestreden beslissingen dat handelt over de stukken die zij hebben neergelegd, waarover in de beschikking wordt gesteld dat de commissaris-generaal op afdoende wijze rekening heeft gehouden met de verklaringen en documenten die zij in het kader van hun huidige beschermingsverzoeken aanbrachten. Volledigheidshalve wijst de Raad erop dat de reden waarom deze brieven niet worden aanvaard als nieuwe elementen, drieledig is: (i) nieuwe/bijkomende stukken zijn niet bij machte om een ander licht te werpen op de reeds gedane beoordeling dat hun relaas ongeloofwaardig is; (ii) de timing van het ontvangen van deze stukken is merkwaardig, er kan immers verwacht worden dat men niet meer dan één jaar zou wachten alvorens eens te vragen waarom verzoeker zo plots, zonder hen te informeren, vertrokken is; (iii) dergelijke brieven kunnen door eender wie opgesteld worden waardoor de bewijswaarde van dergelijke stukken gering is. De Raad sluit zich erbij aan dat de bewijswaarde van deze brieven, die door eender wie kunnen zijn opgesteld, gering is en dat de verklaringen van verzoekende partijen ongeloofwaardig zijn, zodat voorgelegde documenten van deze aard de geloofwaardigheid van de verklaringen niet kunnen herstellen. Daarbij komt inderdaad dat de timing opmerkelijk is, maar zoals uitgelegd is dit niet het enige argument waarom ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.475 VII-42.953-2/7 wordt geoordeeld dat deze stukken de geloofwaardigheid van verzoekende partijen niet herstellen. Voor het overige verwijzen verzoekende partijen naar de algemene situatie in hun land van herkomst, waarmee zij geen afbreuk doen aan de bespreking in de bestreden beslissing en in de aanvullende nota van de commissaris-generaal van de veiligheidssituatie in Colombia en in hun regio van herkomst, noch aan de bespreking hiervan in de beschikking. De aanvullende nota die verzoekende partijen ter zitting hebben neergelegd, bevat als bijlagen een verklaring van verzoekende partijen zelf en arbeidsovereenkomsten op hun beider naam. Zij verklaren in dit verband dat zij hier werken, hun leven willen uitbouwen en niet willen profiteren van de sociale bijstand. Deze documenten kunnen evenwel geen afbreuk doen aan de vaststellingen in de beschikking en hun betoog in dit verband houdt geen verband met de criteria van de Vluchtelingenconventie. [
] Er wordt dus geen afbreuk gedaan aan voormelde in de beschikking aangevoerde grond (en de in de bestreden beslissingen gedane vaststellingen). Bijgevolg brengen verzoekende partijen geen elementen aan die de kans aanzienlijk groter maken dat zij in aanmerking komen voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van diezelfde wet.” Uit het voorgaande volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geantwoord heeft op de middelen van de verzoekende partijen en aldus voldaan heeft aan de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Anders dan de verzoekende partijen het zien, is daarmee eveneens duidelijk waarom de voorgelegde brieven volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen nieuwe elementen of bevindingen zijn in de zin van artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet en waarom er geen schending is van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Voor zover de verzoekende partijen in de uiteenzetting van het middel verwijzen naar een schending van “de formele en materiĂ«le motiveringsplicht”, en daarmee (ook) de jurisdictionele motiveringsplicht zouden bedoelen, betwisten de verzoekende partijen in die uiteenzetting de motieven van het bestreden arrest inhoudelijk. Dit houdt echter geen verband met de mogelijke schending van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Bovendien treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. In de mate dat de verzoekende partijen nog aanvoeren dat artikel 159 van de Grondwet geschonden is omdat het bestreden arrest de beslissing van de verwerende partij “kritiekloos” bevestigt en de toepassing “van onwettige bepalingen [had] moeten ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.475 VII-42.953-3/7 weigeren”, vertrekken zij vanuit een verkeerde lezing van het bestreden arrest en verduidelijken zij evenmin welk besluit niet toegepast had mogen worden. 4. De verzoekende partijen tonen geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. 5. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel 6. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het begrip “nieuwe elementen of feiten” in de zin van artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet verkeerd heeft geĂŻnterpreteerd en toegepast. Volgens de verzoekende partijen oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de vakbondsbrieven niet als nieuwe elementen kunnen gelden omdat zij “louter betrekking hebben op reeds ongeloofwaardig bevonden elementen”. Deze benadering gaat volgens de verzoekende partijen uit van de veronderstelling dat niets wat verband houdt met vroeger onaannemelijk geachte verklaringen ooit nog als nieuw element kan worden aangemerkt. Zoals blijkt uit de supra geciteerde passage van het bestreden arrest, kan deze lezing van het bestreden arrest niet worden bijgetreden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er namelijk op dat de reden waarom de brieven niet aanvaard worden als nieuwe elementen drieledig is. Daarna benadrukt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de timing “niet het enige argument [is] waarom wordt geoordeeld dat deze stukken de geloofwaardigheid van verzoekende partijen niet herstellen”. Het uitgangspunt van het middel vertrekt vanuit een verkeerde lezing van het bestreden arrest. 7. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middel 8. Het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel zijn als algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.475 VII-42.953-4/7 Voor zover de verzoekende partijen een schending van de jurisdictionele motiveringsplicht inroepen, wordt verwezen naar de bespreking van het eerste middel supra. 9. Het derde middel is kennelijk niet ontvankelijk. Vierde middel 10. Met de opgeworpen schending van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet waarbij de verzoekende partijen voorhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geconcludeerd heeft dat subsidiaire bescherming niet aan de orde is zonder een deugdelijke individuele risicobeoordeling, gaan de verzoekende partijen voorbij aan de vaststellingen in het bestreden arrest dat “verzoekende partijen [verwijzen] naar de algemene situatie in hun land van herkomst, waarmee zij geen afbreuk doen aan de bespreking in de bestreden beslissing en in de aanvullende nota van de commissaris-generaal van de veiligheidssituatie in Colombia en in hun regio van herkomst, noch aan de bespreking hiervan in de beschikking”, dat “[e]r [
] geen afbreuk [wordt] gedaan aan voormelde in de beschikking aangevoerde grond (en in de bestreden beslissingen gedane vaststellingen)”, en dat “verzoekende partijen geen elementen aan[brengen] die de kans aanzienlijk groter maken dat zij in aanmerking komen [
] voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van [de vreemdelingenwet]”. In dat verband kan ook worden verwezen naar de in het bestreden arrest overgenomen beschikking van 11 maart 2025, waarin wordt uiteengezet dat de verwerende partij wel degelijk een geĂŻndividualiseerd onderzoek deed naar de bijkomende stavingstukken en dit meenam in haar beoordeling. Bovendien is de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd om de beoordeling van de zaak zelf opnieuw over te doen. 11. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Vijfde middel 12. In een eerste middelonderdeel voeren de verzoekende partijen een schending aan van artikel 39/59, § 2, van de vreemdelingenwet. Zoals in het bestreden arrest wordt vastgesteld, wordt de verwerende partij die niet verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. Deze duidelijke tekst vergt geen nadere interpretatie. Artikel 39/59, § 2, van de vreemdelingenwet ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.475 VII-42.953-5/7 houdt alleszins niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van de afwezigheid van de verwerende partij ter terechtzitting verplicht zou zijn het beroep gegrond te verklaren en aldus de verzoekende partijen te erkennen als vluchteling of hen de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen. Evenmin houdt deze bepaling een omkering van de bewijslast in. Zij heeft enkel tot gevolg dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de eventuele excepties en het verweer ten gronde in de nota met opmerkingen van de verwerende partij niet dient te beantwoorden. Het eerste onderdeel van het vijfde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 13. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden, geldt bij afwezigheid ter terechtzitting geen verschillende behandeling waarbij de verzoekende partij “een formeel sanctiemechanisme ondergaat en de andere partij hieraan ontsnapt”. Zowel in hoofde van de verzoekende partij als van de verwerende partij wordt een sanctie toegepast in geval van afwezigheid ter terechtzitting. Zoals hiervoor uiteengezet moet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij afwezigheid van de verwerende partij de eventuele excepties en het verweer ten gronde in de nota met opmerkingen niet beantwoorden. Vermits de verzoekende partijen een onjuiste betekenis aan artikel 39/59, § 2, van de vreemdelingenwet geven, door voor te houden dat bij afwezigheid in hoofde van de verzoekende partij een formeel sanctiemechanisme wordt toegepast en dit niet het geval is bij afwezigheid van de verwerende partij, is er geen sprake van een verschillende behandeling en faalt het tweede onderdeel van het vijfde middel naar recht. 14. In een derde middelonderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het administratief dossier aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd bezorgd zonder de wettelijk verplichte inventaris van de stukken, zoals vereist door artikel 7 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 ‘betreffende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen’. Uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt niet dat dit middelonderdeel werd ingeroepen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het middelonderdeel is nieuw en kan bijgevolg niet voor het eerst in graad van cassatie worden ingeroepen. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.475 VII-42.953-6/7 15. De verzoekende partijen zetten niet anders dan met de voormelde ongegrond bevonden kritiek uiteen op welke wijze het recht op een eerlijk proces werd geschonden. Het vierde onderdeel van het vijfde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. In het licht van de voorgaande vaststellingen zijn de voorgestelde prejudiciĂ«le vragen niet dienstig voor de oplossing van het geschil. 16. Het vijfde middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien oktober tweeduizend vijfentwintig, door: FrĂ©dĂ©ric Vanneste, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts FrĂ©dĂ©ric Vanneste ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.475 VII-42.953-7/7

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot