RvS-16488
🏛️ Raad van State
📅 2025-10-21
🌐 FR
Beschikking
Rechtsgebied
bestuursrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
30 november 2006, GW, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID
VAN EEN CASSATIEBEROEP
nr. 16.488 van 21 oktober 2025
in de zaak G/A 245.343/IX-10.704
In zake : R.H.
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Christophe Vangeel
kantoor houdend te 2018 Antwerpen
Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de UNIVERSITEIT HASSELT
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 juli 2025, strekt tot de nie-
tigverklaring van arrest nr. RSTVB-2425-0827 van de Raad voor betwistingen in-
zake studievoortgangsbeslissingen van 11 juni 2025.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is onderworpen aan de procedure tot toela-
ting, bedoeld bij artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd
op 12 januari 1973, en bij de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit
van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van
State’.
Het dossier van de zaak is door de griffie ontvangen op 3 oktober
2025.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.488 IX-10.704-1/8
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör-
dineerd op 12 januari 1973.
III. De toelaatbaarheid
a. feiten
3. Verzoeker is tijdens het academiejaar 2024-2025 ingeschreven
in de opleiding ‘Bachelor of Laws in de rechten’ van de verwerende partij. Hij
dient een vrijstellingsaanvraag in voor het opleidingsonderdeel ‘Moot Court’. De
vrijstelling wordt geweigerd. Hij stelt beroep in bij de interne beroepsinstantie van
de onderwijsinstelling. Op 3 oktober 2024 verklaart de beroepsinstantie het intern
beroep ongegrond. Tegen deze beslissing stelt verzoeker een beroep in bij de Raad
voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Bij arrest nr. RSTVB-
2425-0581 van 28 februari 2025 vernietigt deze Raad de beslissing van 3 oktober
2024. Vervolgens neemt de interne beroepsinstantie op 26 maart 2025 een nieuwe
beslissing, waarbij zij het intern beroep zonder voorwerp verklaart. Tegen deze
beslissing stelt verzoeker andermaal beroep in bij de Raad voor betwistingen in-
zake studievoortgangsbeslissingen. Met het thans bestreden arrest nr. RSTVB-
2425-0827 verwerpt deze Raad op 11 juni 2025 dat beroep als onontvankelijk. Ge-
concludeerd wordt dat verzoeker “geen voldoende actueel belang meer heeft”.
b. eerste, tweede en derde middel
4.1. Een eerste middel luidt: “Belang, recht op toegang tot de rechter
(art. 6.1 EVRM), recht op een effectief rechtmiddel (art. 13 EVRM), gelijkheids-
en non-discriminatiebeginsel (art. 10 en 11 GW).” Een tweede middel luidt: “Art.
11.225 CHO.” Een derde middel luidt: “Bevoegdheidsoverschrijding.”
4.2. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet
het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” bevatten. Onder
“cassatiemiddel” moet worden begrepen een voldoende duidelijke omschrijving
van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel. Onder
“uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.488 IX-10.704-2/8
rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak wordt miskend.
4.3. Verzoeker geeft op een dertiental bladzijden met enkele interlinie
commentaar op het bestreden arrest. Hij herhaalt zijn argumenten die hij aan de
bodemrechter heeft voorgelegd en gaat eraan voorbij dat de Raad van State geen
rechter is die in hoger beroep uitspraak doet. Hij mengt feit en recht en vult zijn
betoog aan met tal van feiten, bijvoorbeeld door een “equivalentieonderzoek” aan
de Raad van State voor te leggen. De Raad van State treedt als cassatierechter niet
in de beoordeling van de feiten. Dat betekent dat de Raad van State evenmin een
middel kan beoordelen waarbij hij noodzakelijk kennis moet nemen van de feiten
van het geding.
Verzoeker vergelijkt de bestreden uitspraak met vroegere recht-
spraak van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Hij
formuleert hypotheses over de gevolgen van de gevraagde vrijstelling, om alsnog
zijn belang aan te tonen. Hij becommentarieert (rechtspraak over) artikel 19 RvS-
Wet, dat op de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen niet
van toepassing is. Hij bespreekt de duur van de procedure. Hij betoogt dat de Raad
voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ingaat tegen rechtspraak
van het Grondwettelijk Hof, wat geen norm is waaraan de Raad van State als cas-
satierechter kan toetsen. Hij voert aan dat de bodemrechter onduidelijk of niet mo-
tiveert, zonder evenwel de schending van artikel 149 van de Grondwet in één van
deze drie middelen aan te voeren. Hij voert nog bezwaren aan tegen de initieel
beroepen beslissing van de onderwijsinstelling, die niet het voorwerp is van het
cassatieberoep. Hij stelt zich vele vragen.
4.4. Met een dergelijk betoog komt verzoeker er niet toe om op ont-
vankelijke wijze een cassatiemiddel te formuleren, zoals vereist in het cassatiepro-
cedurereglement.
Het eerste, het tweede en het derde middel zijn kennelijk onont-
vankelijk.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.488 IX-10.704-3/8
c. vierde middel
5.1. Het vierde middel luidt: “recht op tegenspraak (art. 6 EVRM).”
Volgens verzoeker werd de ontvankelijkheid van zijn beroep
door de partijen niet betwist en is het punt van de niet-ontvankelijkheid gedurende
de gehele procedure aan geen enkel debat onderworpen.
5.2. In de initieel beroepen beslissing besluit de beroepsinstantie dat
het beroep “zonder voorwerp” is omdat verzoeker ondertussen voor het betrokken
opleidingsonderdeel een credit heeft behaald. Blijkens het bestreden arrest voert
verzoeker in een eerste middel tegen die beslissing van de beroepsinstantie aan dat
het beroep niet zonder voorwerp kan zijn, maar dat mogelijk is bedoeld dat het
beroep onontvankelijk was bij gebrek aan belang. Voorts somt de bodemrechter
achtereenvolgens de “vier belangen” op die volgens verzoeker nog volstaan als
belang bij het beroep en verwerpt hij deze.
Aldus was het feit dat verzoeker voor dat opleidingsonderdeel
een credit heeft behaald en dat dit een weerslag kan hebben op zijn belang onte-
gensprekelijk in het tegensprekelijk debat gebracht.
5.3. Het vierde middel mist kennelijk feitelijke grondslag.
d. vijfde middel
6.1. Een vijfde middel luidt: “motivering (art. 149 GW).”
Volgens verzoeker is artikel 149 van de Grondwet niet alleen ge-
schonden als het arrest geen motivering bevat, maar ook “wanneer het arrest wel
een motivering bevat maar die redenen onduidelijk of onnauwkeurig zijn en een
wettigheidstoezicht hierdoor verhinderd wordt”. Hij merkt op dat het gebrek aan
motivering over enkele standpunten, het hem onmogelijk maakt om in te schatten
of er cassatiegronden zijn en welke deze juist zijn.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.488 IX-10.704-4/8
De administratieve rechter biedt geen inzicht in hoe hij tot de in-
vulling van artikel II.225 van de Codex Hoger Onderwijs komt. Waar hij wel laat
blijken dat hij de onmogelijkheid om te verzaken aan een creditbewijs absoluut
acht én dat dit absoluut onverenigbaar zou zijn met het verkrijgen van een vrijstel-
ling, wordt niet duidelijk op welke motieven deze veronderstelling steunt. Thans
wijkt de administratieve rechter af van zijn vroegere rechtspraak die een toetsing
van de Raad van State doorstond.
De administratieve rechter komt ook tot het besluit dat verzoeker
geen belang heeft op basis van de mogelijkheid van de deliberatiecommissie om
rekening te houden met de punten achter vrijstellingen, waarin het examenregle-
ment van de verwerende partij wel voorziet. De Raad meent dat er geen rekening
gehouden dient te worden met deze resultaten. Het is verzoeker volledig onduide-
lijk of de Raad hiermee tracht te stellen dat, zelfs als de deliberatiecommissie hier-
mee akkoord gaat, dit onmogelijk is of dat het wel mogelijk is maar de deliberatie-
commissie hiertoe niet gedwongen kan worden.
Verzoeker merkt ook op dat de administratieve rechter er geen
graten in ziet dat hij de vorige twee academiejaren niet was ingeschreven aan de
UHasselt onder een diplomacontract. Dit jaar heeft de instelling zijn inschrijving
onder diplomacontract verwerkt en alle eerder behaalde opleidingsonderdelen aan
de instelling zelf vrijgesteld met overname van punten. Echter, de contracten van
de vroegere jaren vallen niet onder het diplomacontract waardoor de examenresul-
taten niet kunnen worden overgenomen zonder dat hierin voorzien wordt in het
Onderwijs- en examenreglement (OER). Deze voorziening is er aan de UHasselt
niet, daar in casu de overname van punten nadelig was voor verzoeker en dus niet
ressorteert onder artikel 16.10 (3) OER. Verzoeker stelt zich vragen bij deze interne
tegenstrijdigheid in het arrest waar de administratieve rechter geen duidelijkheid
over schept.
6.2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde
verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een
vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de
rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die reden-
geving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.488 IX-10.704-5/8
Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd
is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling
van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde ge-
volgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is
er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de
motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering – of daarmee
gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schen-
ding uit van artikel 149 van de Grondwet.
Voor zover het middel een andere opvatting over de jurisdictio-
nele motiveringsplicht huldigt, faalt het middel kennelijk naar recht.
6.3. De opmerking van verzoeker over artikel II.225 van de Codex
Hoger Onderwijs ziet op de volgende overweging van de Raad voor betwistingen
inzake studievoortgangsbeslissingen over het aangevoerde financieel nadeel:
“[Verzoeker] stelt in de eerste plaats dat de hogeronderwijsinstelling een
deel van het inschrijvingsgeld moet terugbetalen, mocht [hij] toch nog een
vrijstelling bekomen voor het opleidingsonderdeel.
Een student kan evenwel niet verzaken aan een creditbewijs (artikel II.225,
§ 1, derde lid CHO).
Nog los van de vraag of een student zich voorlopig kan inschrijven voor
een opleidingsonderdeel, is het in elk geval dus niet mogelijk om een cre-
ditbewijs te verwerven onder voorbehoud van een eventuele vrijstelling van
latere datum voor hetzelfde opleidingsonderdeel.
Anders gezegd, het is onmogelijk, zoals de verzoekende partij lijkt voor te
houden, om nog een vrijstelling te bekomen voor een opleidingsonderdeel,
wanneer een student al een creditbewijs voor dit opleidingsonderdeel ver-
worven heeft.”
Aldus heeft de bodemrechter aangegeven hoe hij de bedoelde be-
paling leest, wat verzoeker in staat stelt om de eventuele onwettigheid van die le-
zing aan te voeren bij de cassatierechter. De bodemrechter die bij veronderstelling
terugkomt op vroegere rechtspraak, schendt niet artikel 149 van de Grondwet aan-
gezien tegenstrijdige motieven enkel onwettig zijn indien ze in hetzelfde arrest te-
rug te vinden zijn.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.488 IX-10.704-6/8
In zoverre faalt het middel kennelijk naar recht.
6.4. Verzoeker wijst in de toelichting bij het middel niet de passus
aan van het arrest waarin de administratieve rechter zou besluiten “dat verzoekende
partij geen belang heeft op basis van de mogelijkheid van de deliberatiecommissie
om rekening te houden met de punten achter vrijstellingen, waarvoor het examen-
reglement van verwerende partij wel voorziet”. Geen van de vier door verzoeker
aangevoerde nadelen heeft betrekking op “punten achter vrijstellingen”, noch komt
die term bij de beoordeling door de bodemrechter in zijn arrest voor.
In zoverre is het middel kennelijk onontvankelijk.
6.5. In de beoordeling door de Raad voor betwistingen inzake studie-
voortgangsbeslissingen komt nergens ter sprake dat verzoeker “vorige twee acade-
miejaren niet was ingeschreven aan de UHasselt onder een diplomacontract” en
evenmin dat “de contracten van de eerdere jaren [niet vallen] onder het diploma-
contract waardoor de examenresultaten niet kunnen overgenomen worden zonder
dat hierin voorzien wordt in het OER”. Verzoeker laat alleszins na te preciseren in
welke passus van het arrest dit vermeende motiveringsgebrek is terug te vinden,
laat staan dat hij aantoont dat het refereert aan het dragende motief waarom het
actueel belang aan verzoeker wordt ontzegd, namelijk omdat hij voor het betrokken
opleidingsonderdeel een creditbewijs heeft behaald.
In zoverre is het middel kennelijk onontvankelijk.
6.6. Het vijfde middel kan kennelijk niet tot cassatie leiden.
e. besluit
7. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dat het niet vol-
doet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, § 2, van
de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.488 IX-10.704-7/8
B E S L I S S I N G:
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep,
begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro.
Aldus te Brussel verleend, op eenentwintig oktober tweeduizend vijfentwintig,
door:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.488 IX-10.704-8/8