RvS-16498
🏛️ Raad van State
📅 2025-10-30
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Burgerlijk Wetboek, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.498 van 30 oktober 2025
in de zaak A. 246.074/VII-43.041
In zake : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE
VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten Tine Bricout en Carmenta Decordier
kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker
Orchideestraat 61A
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
XXXXX
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 6 oktober 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 332.035 van 2 september 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 15 oktober 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste onderdeel van het enige middel
1. De verzoekende partij richt zich tegen de toepassing in het bestreden
arrest van het vermoeden van artikel 48/7 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de
toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’
(hierna: vreemdelingenwet). Volgens de verzoekende partij is het bestreden arrest “volkomen
[…] gesteund op een hypothetische feitelijke toestand, hetgeen aldus neerkomt op een
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.498 VII-43.041-1/7
miskenning van de bewijskracht van de concrete stukken van het administratief dossier”, meer
bepaald door de vaststelling van een gegronde vrees voor re-infibulatie te steunen op de
premisse dat verweerster in cassatie zich in België zou laten desinfibuleren, hetgeen louter een
mondelinge verklaring van verweerster in cassatie vormt.
2. De door artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de
vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om
zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte
draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de
redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt
de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis
aan motivering.
De bewijskracht van een akte als bedoeld in artikel 8.18 van het
Burgerlijk Wetboek bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen schriftelijk is vastgelegd
in die akte. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift,
waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan
wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. De schending van
de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de
rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan.
3. De verzoekende partij betwist niet de vaststelling in het bestreden
arrest dat de vrouwelijke genitale verminking waarvan verweerster in cassatie reeds het
slachtoffer is geweest, kan worden gekwalificeerd als een eerdere vervolging.
Na te hebben verwezen naar artikel 48/7 van de vreemdelingenwet,
overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze dat de omstandigheid
dat verweerster in cassatie reeds het slachtoffer is geworden van een daad van vervolging, “een
duidelijke aanwijzing vormt dat de vrees voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen
zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen”, dat “[d]eze ‘goede
redenen’ [inhouden] dat de asielinstantie bij reeds ondergane vervolging of ernstige schade
voldoende tegenindicaties aanbrengt om aan te nemen dat deze vervolging of ernstige schade
zich niet opnieuw zal voordoen” en dat de gehanteerde bewijsstandaard bij de beoordeling of
die goede redenen er zijn, deze van de “redelijke mate van waarschijnlijkheid” is. Mede met
verwijzing naar artikel 48/6, § 5, van de vreemdelingenwet overweegt de Raad voor
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.498 VII-43.041-2/7
Vreemdelingenbetwistingen nog “dat, bij de beoordeling van de redelijke waarschijnlijkheid
voor verzoekster om bij terugkeer naar Somalië te worden blootgesteld aan vervolging dan
wel een reëel risico op ernstige schade, haar specifieke en individuele omstandigheden moeten
worden beoordeeld en afgewogen in het licht van de algemene omstandigheden in Somalië,
zoals beschreven in objectieve bronnen”. De verzoekende partij betwist de wettigheid van deze
overwegingen niet.
4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden
arrest met betrekking tot de verklaringen van verweerster in cassatie over haar wens om een
hersteloperatie (desinfibulatie) te ondergaan het volgende:
“[…] Uit het neergelegde medisch attest blijkt dat verzoekster op heden nog geen
hersteloperatie onderging. Ter terechtzitting werd verzoekster hieromtrent bevraagd.
Verzoekster geeft hierbij aan dat zij tegen VGV is en dat zij ook erg veel last heeft van
de door haar ondergane VGV, onder meer tijdens haar menstruatie. Gevraagd waarom
zij nog geen hersteloperatie heeft ondergaan, repliceert verzoekster dat zij wel degelijk
een hersteloperatie wenst, doch dat zij bang is dat zij bij een terugkeer naar Somalië
opnieuw zal worden geïnfibuleerd, indien zij zou besluiten om alhier een hersteloperatie
te ondergaan. Deze verklaring ligt ook in lijn met de verklaringen afgelegd bij het
CGVS, waar zij aangaf dat zij bij een terugkeer vreesde opnieuw te worden besneden,
omdat men zou denken dat zij in het buitenland seksuele betrekking zou hebben gehad
[…]. Verzoekster verduidelijkt ter terechtzitting dat zij zeker een hersteloperatie zou
ondergaan, indien zij niet zou moeten terugkeren naar Somalië. Hoewel de Raad de
commissaris-generaal kan volgen in zijn betoog in zijn verweernota dat aldus geen
stukken voorliggen waaruit blijkt dat een hersteloperatie gepland staat, kan er niet
voorbijgegaan worden aan de hiervoor door verzoekster verstrekte verantwoording, met
name haar vrees om bij een terugkeer naar Somalië een re-infibulatie te moeten
ondergaan. Verzoekster beschouwt een beschermingsstatuut aldus als een
noodzakelijke voorwaarde om een einde te kunnen maken aan de voortdurende VGV,
zonder zich bloot te stellen aan het risico op een herhaling ervan. De Raad acht het
hierbij noodzakelijk om een analyse te maken van de landeninformatie omtrent het
risico op herinfibulatie, voor een meisje dat zich voorhuwelijks laat desinfibuleren,
teneinde een inschatting te kunnen maken van de aangevoerde rechtvaardigingsgrond
voor het gebrek aan een hersteloperatie.”
Na een grondige analyse van de voornoemde landeninformatie, “acht
de Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen] verzoeksters jonge leeftijd, die haar geschikt
maakt om te huwen en kinderen te krijgen, in casu een relevante risicoverhogende
omstandigheid en dit ongeacht de geloofwaardigheid van de voorgehouden poging tot een
gedwongen huwelijk met een lid van Al-Shabaab”. Volgens hem betreffen “[h]et huwen en
het stichten van een familie […] immers de fundamenten van de Somalische samenleving,
zodat redelijkerwijze kan worden aangenomen dat verzoekster zal worden verwacht zich
hiernaar te conformeren teneinde tegemoet te komen aan de verwachtingen van de Somalische
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.498 VII-43.041-3/7
samenleving en teneinde haar, in de Somalische context benodigde, netwerken te kunnen
behouden […]”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit aldus:
“[…] Uit bovenstaande vaststellingen blijkt aldus dat er in hoofde van verzoekster
voldoende risicobepalende omstandigheden aanwezig zijn die toelaten vast te stellen
dat er in haar geval – indien zij in België de door haar gewenste hersteloperatie zou laten
ondergaan – sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat zij bij terugkeer
naar Somalië aan re-infibulatie zal worden onderworpen.
waarbij de Raad volgende elementen onderstreept:
(a) verzoekster onderging in het verleden reeds VGV type III;
(b) verzoeksters verklaringen ter terechtzitting, alwaar zij een uitdrukkelijke wens
formuleert om een hersteloperatie te ondergaan, doch waarbij zij aangeeft zich te laten
tegenhouden door een vrees voor re-infibulatie bij een terugkeer naar Somalië en
waarbij uit de beschikbare landeninformatie blijkt dat deze door verzoekster
opgeworpen vrees een voldoende aannemelijke reden vormt waarom zij op heden nog
geen hersteloperatie heeft ondergaan, ondanks een wil hiertoe;
(c) de beschikbare landeninformatie, waaruit blijkt dat een intacte infibulatie de
maagdelijkheid en deugdzaamheid van een ongehuwd meisje/jonge vrouw verzekert,
waarbij een voorhuwelijkse desinfibulatie over het algemeen niet aanvaardbaar is en het
niet hebben van een intacte infibulatie op de huwelijksnacht wordt gezien als bewijs
voor voorhuwelijkse seksuele betrekkingen en dus immoreel gedrag;
(d) verzoekster is afkomstig uit de regio […], wat blijkens de bestreden beslissing als
dusdanig niet wordt betwist nu de evaluatie van de veiligheidssituatie wordt gemaakt
ten opzichte van deze regio en waarbij in Zuid-Somalië (waartoe de regio […] behoort)
wordt verwacht dat de bruidegom zijn echtgenote zelf opent tijdens de huwelijksnacht;
(e) verzoekster op heden een jonge vrouw, van net achttien jaar oud, ongehuwd en
kinderloos is;
(f) het huwelijk en het stichten van een familie fundamentele waarden in Somalië zijn,
waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat verzoekster zich hieraan zal moeten
conformeren;
(g) uit de beschikbare landeninformatie verder blijkt dat een verzoekster zich niet kan
beroepen op de Somalische overheid, de religieuze leiders, de clanauthoriteiten of ngo’s
voor bescherming;
(h) de Raad wijst er in deze op dat de commissaris-generaal ook de mogelijkheid heeft
om, na de erkenning van de vluchtelingenstatus, verzoeksters dossier op te volgen en
eventueel kan nagaan of verzoeksters toekomstige gedragingen in lijn liggen met haar
verklaringen en de vrees voor herhaalde vervolging. Indien verzoekster, ondanks het
bekomen van een beschermingsstatuut en in weerwil met haar huidige verklaringen,
alsnog niet blijkt te willen overgaan tot een hersteloperatie, staat het de commissaris-
generaal vrij hier de nodige gevolgen aan te verbinden.
[…] Gelet op de beschikbare landeninformatie, verzoeksters individuele situatie en
persoonlijke omstandigheden en het voorhanden zijn van voldoende risicobepalende
omstandigheden, dient de Raad dan ook vast te stellen dat in casu geen goede redenen
in de zin van artikel 48/7 van de Vreemdelingenwet voorliggen om aan te nemen dat
verzoekster niet opnieuw het slachtoffer zal worden van VGV. De Raad is dan ook van
oordeel dat in hoofde van verzoekster een gegronde vrees voor vervolging in de zin van
artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag, zoals bepaald in artikel 48/3 van de
Vreemdelingenwet kan worden aangenomen in geval van een terugkeer naar Somalië,
omwille van het behoren tot een specifieke sociale groep, dan wel een (toegedichte)
godsdienstige overtuiging. Er is in Somalië voor verzoekster geen redelijke
bescherming voorhanden.”
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.498 VII-43.041-4/7
Uit de voormelde motivering blijkt dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen geen inhoud toekent aan de notities van het onderhoud met
verweerster in cassatie die in strijd is met de bewoordingen van dat stuk. De Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen stelt immers uitdrukkelijk dat het gaat om “een uitdrukkelijke
wens […] om een hersteloperatie te ondergaan, doch waarbij zij aangeeft zich te laten
tegenhouden door een vrees voor re-infibulatie bij een terugkeer naar Somalië”. Dat de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen verkeerde feitelijke of juridische gevolgen zou trekken uit
die verklaring van verweerster in cassatie, vormt geen schending van de in artikel 8.18 van het
Burgerlijk Wetboek vervatte bewijskracht van akten.
5. De verzoekende partij betwist in wezen dat de “wens” van verweerster
in cassatie om een hersteloperatie te laten uitvoeren, afbreuk kan doen aan de in artikel 48/7
van de vreemdelingenwet bedoelde “goede gronden” om aan te nemen dat de vervolging zich
opnieuw zal voordoen bij een terugkeer naar Somalië, daar het enkel om een hypothese zou
gaan.
De vraag of de wens om een hersteloperatie in België te ondergaan al
dan niet afbreuk doet aan “goede gronden” om aan te nemen dat de vervolging zich niet
opnieuw zal voordoen bij een terugkeer naar Somalië, behoort tot de soevereine
appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter. De Raad van State treedt als cassatierechter niet
in de beoordeling van de zaak zelf. Bovendien mist de kritiek van de verzoekende partij
feitelijke grondslag nu de beoordeling in het bestreden arrest niet “louter” is gesteund op de
voormelde wens van verweerster in cassatie, maar nu deze wens in het geheel van de
individuele omstandigheden van verweerster in cassatie en de voorhanden zijnde algemene
landeninformatie wordt beoordeeld.
6. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schendt noch zijn in
artikel 39/2 van de vreemdelingenwet bepaalde hervormingsbevoegdheid noch
artikel 48/6, § 5, van de vreemdelingenwet door de door verweerster in cassatie geuite wens
om een hersteloperatie te ondergaan mede in zijn beoordeling te betrekken.
7. Volgens de verzoekende partij bevat het bestreden arrest geen
motivering over de motieven van haar beslissing waarin werd uiteengezet om welke redenen
de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.498 VII-43.041-5/7
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is in zijn beoordeling van
het door verweerster in cassatie ingestelde beroep niet gebonden door de motieven van de voor
hem aangevochten beslissing. De in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele
motiveringsplicht vereist niet dat ieder motief van die aangevochten beslissing wordt
weerlegd. De verzoekende partij geeft niet aan welke door haar aangevoerde kritiek die een
afzonderlijk middel vormt, niet zou zijn beantwoord in het bestreden arrest.
Tweede onderdeel van het enige middel
8. Wat betreft het al dan niet uitvoeren van de door verweerster in
cassatie geuite wens om een hersteloperatie te ondergaan, geeft de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen slechts aan “dat de commissaris-generaal ook de mogelijkheid
heeft om, na de erkenning van de vluchtelingenstatus, verzoeksters dossier op te volgen en
eventueel kan nagaan of verzoeksters toekomstige gedragingen in lijn liggen met haar
verklaringen en de vrees voor herhaalde vervolging” en dat, “[i]ndien verzoekster, ondanks
het bekomen van een beschermingsstatuut en in weerwil met haar huidige verklaringen, alsnog
niet blijkt te willen overgaan tot een hersteloperatie, […] het de commissaris-generaal vrij
[staat] hier de nodige gevolgen aan te verbinden”.
Vermits het bestreden arrest enkel een “mogelijkheid” vermeldt voor
de verzoekende partij, mist de kritiek van de verzoekende partij dat haar een” verregaande
opvolgingsplicht” wordt opgelegd, feitelijke grondslag.
Conclusie
9. Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk,
kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op
een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.498 VII-43.041-6/7
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig oktober
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.498 VII-43.041-7/7