Naar hoofdinhoud

RvS-16499

🏛️ Raad van State 📅 2025-10-30 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

strafrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.499 van 30 oktober 2025 in de zaak A. 246.137/VII-43.054 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hind Elgazi kantoor houdend te 2000 Antwerpen Terninckstraat 13 bus C1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 oktober 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 333.766 van 3 oktober 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 oktober 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. Het zorgvuldigheidsbeginsel is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beroepen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak is gedaan met hervormingsbevoegdheid over een beroep tegen de weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.499 VII-43.054-1/6 2. Verzoekster laat gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in antwoord op haar kritiek dat de verwerende partij niet had voldaan aan haar verplichting tot een individueel onderzoek zoals vereist door artikel 48/6, § 5, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), “zich [beperkt] tot een loutere herhaling van de motieven van het CGVS omtrent vermeende inconsistenties, zonder na te gaan of dat onderzoek rekening hield met de persoonlijke omstandigheden van verzoekster, waaronder haar traumatische voorgeschiedenis, haar medische toestand, haar kwetsbaarheid als alleenstaande vrouw en haar sociaal-culturele context in Nigeria”. In de mate dat verzoekster zich beroept op een kwetsbaar profiel ingevolge traumatische ervaringen, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast “dat dit niet wordt ondersteund door enig begin van bewijs inzake ondergane trauma's en eventuele behandelingen” en dat zich in het dossier een “medisch dossier” bevindt “waaruit enkel blijkt dat verzoekster problemen heeft met haar linkerknie”. Na uit de beslissing van de verwerende partij de beoordeling te hebben geciteerd dat de laattijdigheid van het verzoek om internationale bescherming afbreuk doet aan de geloofwaardigheid en de ernst van verzoeksters vrees, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verder: “Redelijkerwijze kan worden aangenomen dat een verzoekster om internationale bescherming, die beweert haar land te zijn ontvlucht vanwege een gegronde vrees voor vervolging en een dringende nood te hebben aan internationale bescherming, onmiddellijk bij aankomst in Europa of kort daarna, van wanneer zij daartoe de kans heeft, een verzoek om internationale bescherming zou indienen. Dat verzoekster naliet dit te doen en nagenoeg één jaar wachtte alvorens zulk verzoek in te dienen, getuigt niet van een ernstige en oprechte vrees voor vervolging in haar hoofde. Dit vormt overeenkomstig het gestelde in artikel 48/6, § 4, d) van de Vreemdelingenwet een negatieve indicatie voor verzoeksters algehele geloofwaardigheid. Verzoeksters verweer dat zij niet bekend was met de procedure en slechts informatie verkreeg toen ze al geruime tijd in België verbleef, kan niet aangenomen worden ter verschoning om bijna één jaar te wachten. Verzoekster is een handelaarster, bijgevolg dient aangenomen te worden dat zij in de mogelijkheid is om zich te informeren indien ze daadwerkelijk internationale bescherming meent nodig te hebben. […] De bestreden beslissing motiveert omstandig dat verzoekster de volgende elementen in haar relaas niet geloofwaardig aanvoert: - verzoekster maakt niet aannemelijk dat ze het slachtoffer was van mensenhandel en door haar ex-man werd verkocht en gedwongen zich te prostitueren: (i) verzoekster is tegenstrijdig in haar verklaringen over het moment waarop haar stiefdochter […] werd meegenomen en over wie haar meenam, (ii) uit haar verklaringen bij verweerder blijkt, in tegenstelling met wat ze aangaf bij de DVZ, nergens dat zij zich prostitueerde in België op aangeven van haar ex-man, (iii) verzoekster nam geen enkel initiatief om de ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.499 VII-43.054-2/6 Belgische autoriteiten in te lichten over de vermeende ontvoering van haar jonge stiefdochter; - verzoeksters vrees voor vervolging door haar ex-man bij een terugkeer naar Nigeria is niet geloofwaardig omdat hiervoor geen enkele concrete aanwijzing bestaat aangezien verzoekster noch haar familie nog iets van hem vernam sinds hij verzoekster verliet; - verzoeksters vrees bij terugkeer naar Nigeria opgepakt te worden door de Nigeriaanse autoriteiten en veroordeeld te worden tot een gevangenisstraf naar aanleiding van haar dagvaarding bij het hooggerechtshof van […] is niet plausibel: (i) de door verzoekster geschetste tijdslijn is geheel inconsistent met de door haar aangebrachte documenten ter staving van haar relaas, (ii) er is geen enkel (begin van) bewijs dat de rechtbank zich uitsprak over verzoekster en haar veroordeelde tot de betaling van een boete met een vervangende gevangenisstraf, niettegenstaande ze nog contact heeft met haar broer in Nigeria […] en via hem ook met de voorzitter van de ondernemingsvereniging voor handelaren […], - het is niet plausibel dat verzoekster als ervaren zakenvrouw haar paspoort afgeeft aan haar ex-man, – zelfs indien verklaringen geloofwaardig zouden zijn inzake haar handelsgeschil – quod non – zijn deze van gemeenrechtelijke aard en houden ze geen verband met één van de vluchtelingencriteria bepaald in de Vluchtelingenconventie van Genéve.” Met de voorgaande motivering beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoeksters verwijzingen naar haar voorgehouden traumatische voorgeschiedenis, medische toestand en kwetsbaarheid als alleenstaande vrouw. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat ook in op verzoeksters voorgehouden persoonlijke omstandigheden en individuele situatie, waarvoor hij punt voor punt de elementen uit de voor hem bestreden beslissing aangeeft waarbij hij zich aansluit. Verzoekster toont dan ook geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht noch maakt zij een schending van artikel 48/6 van de vreemdelingenwet aannemelijk doordat geen rekening zou zijn gehouden met haar individuele situatie en persoonlijke omstandigheden. 3. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel 4. Artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.499 VII-43.054-3/6 Noch het bestreden arrest noch de aanvankelijk bestreden beslissing van de verwerende partij bevat een verwijderingsmaatregel. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest op wettige wijze vast dat de bevoegdheid van de verwerende partij te dezen is beperkt tot het onderzoek naar de nood aan internationale bescherming in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet. Verzoekster kan zich derhalve enkel beroepen op artikel 3 van het EVRM in de mate dat de inhoud van deze verdragsbepaling overeenstemt met artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet. Verzoekster laat gelden dat zij zich heeft beroepen op “een reëel risico […] op onmenselijke of vernederende behandeling door haar ex-partner en door de passiviteit van de Nigeriaanse autoriteiten”. Zij acht de in het bestreden arrest “aangehaalde landeninformatie over Boko Haram en gewapende conflicten […] irrelevant voor een zaak die gebaseerd is op gendergerelateerd geweld en structurele discriminatie”. Anders dan verzoekster voorhoudt, is de beoordeling in het licht van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet niet (enkel) gebaseerd op algemene landeninformatie, maar (ook) op de beoordeling van de voormelde elementen uit het asielrelaas, namelijk dat de vrees voor vervolging door haar ex-man ongeloofwaardig is en dat haar vrees voor de Nigeriaanse autoriteiten niet plausibel is. Verzoekster toont derhalve geen schending aan van artikel 3 van het EVRM iuncto artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet, noch van artikel 149 van de Grondwet. Verzoekster gaat eraan voorbij dat zij in het bestreden arrest niet wordt beschouwd als een “getraumatiseerde en sociaal geïsoleerde vrouw”, die zij zelf voorhoudt te zijn. 5. Het tweede middel is; voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middel 6. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig gesteld dat geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6 van het EVRM vallen. (zie EHRM (GK) 5 oktober 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK) 4 februari 2005, ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.499 VII-43.054-4/6 Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008, Hussain/Roemenië; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België) Verzoekster heeft voor de eerste rechter geen schending opgeworpen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet of van het gelijkheidsbeginsel. Zij toont niet aan dat zij daartoe niet in de mogelijkheid was. Bijgevolg kan zij de schending van deze bepalingen en dit beginsel niet voor het eerst opwerpen in de graad van cassatie. 7. Wat de voorgehouden schending van artikel 48/6, § 5, van de vreemdelingenwet betreft, verwijst verzoekster opnieuw naar haar voorgehouden getraumatiseerde en medische toestand. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dit wel degelijk onderzocht en beoordeeld: “Verzoekster voert aan dat zij traumatische ervaringen heeft gehad, dat haar mentale en fysieke gezondheidstoestand speciale aandacht en zorg vergen en dat zij bijgevolge een kwetsbaar profiel heeft als getraumatiseerde vrouw. In de mate dat verzoekster zich beroept op een kwetsbaar profiel ingevolge traumatische ervaringen stelt de Raad vast dat dit niet wordt ondersteund door enig begin van bewijs inzake ondergane trauma's en eventuele behandelingen. In het dossier bevindt zich een ‘medisch dossier’ […] waaruit enkel blijkt dat verzoekster problemen heeft met haar linkerknie.” Verzoekster toont in die mate geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht noch van artikel 48/6, § 5, van de vreemdelingenwet. Verder komt het de Raad van State als cassatierechter niet toe de door de feitenrechter gemaakte beoordeling van verzoeksters toestand over te doen. 8. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.499 VII-43.054-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig oktober tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.499 VII-43.054-6/6

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot