RvS-16500
🏛️ Raad van State
📅 2025-10-30
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.500 van 30 oktober 2025
in de zaak A. 246.155/VII-43.055
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Fary Aram Niang
kantoor houdend te 1180 Brussel
Sterrewachtlaan 96
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 16 oktober 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 332.694 van 11 september 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 24 oktober 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Verzoekster werpt in het opschrift van het enige middel een schending
op van de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang
tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna:
vreemdelingenwet), evenwel zonder op enige wijze toe te lichten op welke wijze deze
bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest, dat met toepassing van
artikel 39/59, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet is genomen. Een schending van deze
laatste bepaling wordt evenwel niet opgeworpen.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.500 VII-43.055-1/3
2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door
artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te
motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van
de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen
uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele
motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een
gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de
motieven, maken een schending uit van de voormelde bepalingen. Wanneer de motivering een
verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar
is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek.
In het bestreden arrest wordt vermeld dat verzoekster niet was
verschenen en evenmin werd vertegenwoordigd ter terechtzitting, zodat het beroep wordt
verworpen met toepassing van artikel 39/59, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet. Deze
motieven zetten duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteen waarop het bestreden arrest is
gesteund. Of die motieven juist zijn of niet, houdt geen verband met de jurisdictionele
motiveringsplicht als vormvereiste.
3. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.500 VII-43.055-2/3
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig oktober
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.500 VII-43.055-3/3