RvS-16501
đïž Raad van State
đ
2025-11-03
đ FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Burgerlijk Wetboek, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.501 van 3 november 2025
in de zaak A. 245.454/VII-42.975
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Gaëlle Jordens
kantoor houdend te 1060 Brussel
Maurice Van Meenenplein 14/6
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 30 juli 2025, strekt tot de cassatie van
arrest nr. 328.783 van 25 juni 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 8 augustus 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 âtot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van Stateâ.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste onderdeel van het enige middel
1. Verzoeker voert in essentie aan dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen de jurisdictionele motiveringsplicht, zoals vervat in
artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 âbetreffende
de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingenâ (hierna: vreemdelingenwet) heeft geschonden, omdat âde [Raad voor
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.501 VII-42.975-1/8
Vreemdelingenbetwistingen] volledig stil blijft over het argument dat verzoeker kampt met
een ernstige en actuele psychologische kwetsbaarheid, zoals gedetailleerd uiteengezet in de
aanvullende nota van 27.04.2025â, dat verzoekers aanvullende nota twee bijlagen bevatte,
âwaarvan de tweede â een briefwisseling van 25.04.2025 tussen verzoekers psychologe [âŠ]
en zijn raadsvrouw â volledig onbesproken blijft in het bestreden arrestâ, en dat het
âonbegrijpelijk [is] dat de Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen] dit stuk volledig buiten
beschouwing laat, zonder enige vermelding of beoordeling in het arrestâ, terwijl verzoeker er
in zijn aanvullende nota âexpliciet op [had] gewezen [âŠ] dat dit stuk van bijzonder belang is
voor de beoordeling van de actuele psychische toestand van verzoeker in het licht van zijn
mogelijke terugkeer naar Griekenlandâ.
2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door
artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 âbetreffende de toegang tot het grondgebied,
het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingenâ (hierna: vreemdelingenwet)
aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht
heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de
voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet
die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele
motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een
gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de
motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering
een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken,
maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke
motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet
antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd,
maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden
arrest:
â[âŠ] Verzoekende partij gaat ter terechtzitting in op haar psychologische situatie
waarvan zij reeds eerder een psychologisch attest neergelegd heeft bij het CGVS. Zij
toont hiermee volgens haar een bijzondere kwetsbaarheid aan inzake de mogelijkheid
om zich staande te kunnen houden in Griekenland. Bijkomend legde verzoekende partij
op 27 april 2025 via een aanvullende nota een psychologisch attest neer waaruit blijkt
dat verzoekende partij door een arts van het Rode Kruis werd doorverwezen wegens
uitingen van stress en slapeloosheid. Zij lijdt aan angst- en depressieve stoornissen en
vertoont een significante psychische kwetsbaarheid en suĂŻcidale gedachten. Het attest
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.501 VII-42.975-2/8
bevat een opsomming van meerdere symptomen en stelt dat verzoekende partij
Diazepam neemt. Verder stelt verzoekende partij ter terechtzitting en in deze
aanvullende nota ook nog dat haar verhoogde psychologische kwetsbaarheid
samenhangt met de huidige situatie in Palestina.
Hoewel de verzoekende partij een psychologisch attest neerlegt en stelt te kampen met
mentale klachten, wordt in de hierboven gestelde beschikking gesteld dat de
verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij omwille van haar
gezondheidstoestand over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die haar zou
verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in
Griekenland. Noch uit het bijgebrachte psychologisch attest noch uit haar verklaringen
kan worden afgeleid dat haar psychische aandoeningen belangrijke negatieve gevolgen
voor haar zelfstandig functioneren, autonomie en zelfredzaamheid met zich
meebrengen. Evenmin blijkt dat de verzoekende partij omwille van haar
gezondheidstoestand zeer moeilijk of niet in Griekenland zal kunnen werken of beroep
zal kunnen doen op sociale bijstand. Ook blijkt niet dat de gezondheidstoestand van de
verzoekende partij de toegang tot gezondheidszorg, huisvesting en tewerkstelling
onredelijk moeilijk of zelf onmogelijk maakt(e). Hoewel er niet ontkend wordt dat de
huidige situatie in Palestina een invloed kan hebben op de mentale toestand van
verzoekende partij, toont zij niet aan dat zij op heden met dermate ernstige
psychologische problemen kampt dat deze en invloed zouden hebben op haar
zelfstandig functioneren. Uit de verklaringen van verzoekende partij blijkt bovendien
dat zij in BelgiĂ« in staat is om te werken in een verpakkingsbedrijf [âŠ].
In de mate verdere psycho-medische opvolging noodzakelijk is, toont de verzoekende
partij niet aan dat zij in Griekenland geen toegang zal hebben tot eventuele benodigde
medische en/of psychologische ondersteuning. Zo is haar verblijfsvergunning nog
geldig. Voorts blijkt uit niets en de verzoekende partij toont niet aan dat zij, om redenen
voorzien in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet, in Griekenland geen toegang zou
hebben tot de gezondheidszorg.
In de mate dat kan worden aangenomen dat er in Griekenland een kwaliteitsverschil
mogelijk is in vergelijking met België op vlak van gezondheidszorg en sociale
bescherming, volstaat dit op zich niet om te besluiten dat de verzoekende partij bij een
terugkeer naar Griekenland zou belanden in een situatie die kan worden beschouwd als
onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het
Handvest van de Grondrechten van de EU. Evenmin houdt zulk kwaliteitsverschil
verband met de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet. Hetzelfde geldt
immers voor de Griekse onderdanen. Bovendien hebben personen die internationale
bescherming genieten, recht op een ziektekostenverzekering onder de voorwaarden die
de wet aan Griekse burgers stelt. Het komt de verzoekende partij toe, in navolging van
de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie, om in concreto aan te tonen dat zij
haar rechten en voordelen niet zou kunnen laten gelden in Griekenland en zij, zoals
in casu aangevoerd, als statushouder geen toegang heeft tot medische zorg. De
verzoekende partij slaagt hier echter niet in. De verzoekende partij toont hoe dan ook
niet concreet aan en maakt niet aannemelijk dat zij in Griekenland, dit mogelijks met de
hulp van de Griekse autoriteiten of hulporganisaties, geen toegang zal hebben tot of
kunnen genieten van de nodige sociale bijstand en gezondheidszorg.
Bijgevolg liggen er geen overtuigende elementen voor waaruit zou blijken dat de
verzoekende partij omwille van haar gezondheidstoestand over een bijzondere
kwetsbaarheid beschikt die het haar dermate moeilijk maakt om zich staande te houden
en zelfstandig haar rechten uit te oefenen, verbonden aan haar status toegekend in
Griekenland, zodat er een ernstig risico is dat zij bij terugkeer naar Griekenland zal
terechtkomen in leefomstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of
waardoor zij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.501 VII-42.975-3/8
behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het
Handvest.â
Met de voorgaande motivering beantwoordt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoekers standpunt omtrent de door hem
ingeroepen bijzondere kwetsbaarheid. Verder wordt in het bestreden arrest uitdrukkelijk
verwezen naar verzoekers aanvullende nota van 27 april 2025 en worden de vaststellingen uit
het psychologisch attest van 11 april 2025 erin hernomen. Bovendien toont verzoeker niet aan
dat het bij zijn aanvullende nota gevoegde e-mailverkeer niet in overweging zou zijn genomen
door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een e-mail van 16 april 2025 vraagt
verzoekers raadsman een verduidelijking van voornoemd psychologisch attest. De reactie van
verzoekers psychologe van 24 april 2025, die overigens wordt geciteerd in verzoekers
aanvullende nota van 27 april 2025, bevat geen elementen die zouden ingaan tegen of tot een
andere conclusie zouden moeten leiden dan de conclusie van de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen dat â[n]och uit het bijgebrachte psychologisch attest noch uit
[verzoekers] verklaringen kan worden afgeleid dat [zijn] psychische aandoeningen belangrijke
negatieve gevolgen voor [zijn] zelfstandig functioneren, autonomie en zelfredzaamheid met
zich meebrengen. Evenmin blijkt dat de verzoekende partij omwille van haar
gezondheidstoestand zeer moeilijk of niet in Griekenland zal kunnen werken of beroep zal
kunnen doen op sociale bijstand. Ook blijkt niet dat de gezondheidstoestand van de
verzoekende partij de toegang tot gezondheidszorg, huisvesting en tewerkstelling onredelijk
moeilijk of zelf onmogelijk maakt(e). Hoewel er niet ontkend wordt dat de huidige situatie in
Palestina een invloed kan hebben op de mentale toestand van verzoekende partij, toont zij niet
aan dat zij op heden met dermate ernstige psychologische problemen kampt dat deze [e]en
invloed zouden hebben op haar zelfstandig functioneren. Uit de verklaringen van verzoekende
partij blijkt bovendien dat zij in BelgiĂ« in staat is om te werken in een verpakkingsbedrijfâ.
Verzoeker toont met zijn kritiek geen schending aan van de in
artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele
motiveringsplicht als vormvereiste. In de mate dat verzoeker het ten gronde niet eens is met
de gemaakte beoordeling, houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht,
doch vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State
als cassatierechter niet bevoegd is.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.501 VII-42.975-4/8
4. In de mate dat verzoeker een schending opwerpt van
artikel 39/76, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet, artikel 13 van het Europees Verdrag
tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en artikel 47 van
het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zet verzoeker niet anders uiteen dan
met de voormelde ongegrond bevonden kritiek op welke wijze deze bepalingen zouden zijn
geschonden met het bestreden arrest.
5. Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk,
kennelijk ongegrond.
Tweede onderdeel van het enige middel
6. De bewijskracht van een akte, afgeleid uit de artikelen 8.17 en 8.18
van het Burgerlijk Wetboek, bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen schriftelijk is
vastgelegd in die akte. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent de bewijskracht van
een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring
toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die
er wel in voorkomt. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische
of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de
draagwijdte ervan.
Uit de supra geciteerde passage van het bestreden arrest blijkt dat de
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan verzoekers aanvullende nota van 27 april 2025 en
meer in het bijzonder aan de bij die nota gevoegde reactie van verzoekers psychologe op de
vraag tot verduidelijking van verzoekers raadsman geen inhoud toekent die in strijd is met de
bewoordingen ervan, noch ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in
voorkomt. Waar verzoekers psychologe stelt: â[p]our rĂ©pondre Ă votre question, je pense que
les conditions de vie que vous dĂ©crivez en GrĂšce sont effectivement susceptibles dâaltĂ©rer
davantage lâĂ©tat psychologique de Monsieur. La santĂ© mentale de celui-ci Ă©tant dĂ©jĂ fragile,
il serait pertinent de le maintenir dans un environnement stable, soutenant et sécuritaire pour
Ă©viter dâexacerber ses vulnĂ©rabilitĂ©s existantesâ, bevat deze toelichting, zoals reeds werd
vastgesteld bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel supra, geen elementen die
zouden ingaan tegen of tot een andere conclusie zouden moeten leiden dan de conclusie van
de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
verkeerde feitelijke of juridische gevolgen zou trekken uit de verduidelijking van verzoekers
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.501 VII-42.975-5/8
psychologe, vormt geen schending van de in de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk
Wetboek vervatte bewijskracht van akten.
In de mate dat verzoeker verwijst naar een e-mail van 11 juli 2025,
gaat het om een stuk dat dateert van na het bestreden arrest. Het stuk is nieuw en verzoeker
kan er zich bijgevolg niet voor het eerst in graad van cassatie op beroepen.
7. Tot slot werpt verzoeker een schending op van de artikelen 48/3 en
48/4 van de vreemdelingenwet, doch zet hij niet anders uiteen dan met de voormelde
ongegrond bevonden kritiek op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het
bestreden arrest.
8. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover
ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
Derde onderdeel van het enige middel
9. In een derde middelonderdeel acht verzoeker de artikelen 8.17 en 8.18
van het Burgerlijk Wetboek geschonden, omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in
het bestreden arrest aan het psychologisch attest van 11 april 2025 âeen uitlegging toe[kent]
die onverenigbaar is met de bewoordingen van de akte zelfâ.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in het bestreden
arrest uitdrukkelijk naar voormeld psychologisch attest en stelt vast dat de âverzoekende partij
op 27 april 2025 via een aanvullende nota een psychologisch attest neer[legde] waaruit blijkt
dat verzoekende partij door een arts van het Rode Kruis werd doorverwezen wegens uitingen
van stress en slapeloosheid. Zij lijdt aan angst- en depressieve stoornissen en vertoont een
significante psychische kwetsbaarheid en suĂŻcidale gedachten. Het attest bevat een opsomming
van meerdere symptomen en stelt dat verzoekende partij Diazepam neemtâ. Door vervolgens
onder meer te overwegen dat â[h]oewel de verzoekende partij een psychologisch attest
neerlegt en stelt te kampen met mentale klachten, [âŠ] in de hierboven gestelde beschikking
[wordt] gesteld dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij omwille van haar
gezondheidstoestand over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die haar zou verhinderen
haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenlandâ en dat
â[n]och uit het bijgebrachte psychologisch attest noch uit [de verzoekende partij] haar
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.501 VII-42.975-6/8
verklaringen kan worden afgeleid dat haar psychische aandoeningen belangrijke negatieve
gevolgen voor haar zelfstandig functioneren, autonomie en zelfredzaamheid met zich
meebrengenâ, kent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan het psychologisch attest van
11 april 2025 geen inhoud toe die in strijd is met de bewoordingen ervan, noch ontkent hij dat
dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Voor zover de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen verkeerde feitelijke of juridische gevolgen zou trekken uit
voormeld psychologisch attest, vormt dit geen schending van de in de artikelen 8.17 en 8.18
van het Burgerlijk Wetboek vervatte bewijskracht van akten.
Indien verzoeker het ten gronde niet eens is met de gemaakte
beoordeling, houdt dit geen verband met de bewijskracht van een akte, afgeleid uit de
artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek, doch vraagt hij in wezen een andere en
nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet
bevoegd is.
10. In de mate dat verzoeker in het opschrift van het middel âhet recht van
verdedigingâ nog geschonden acht, laat hij na, minstens anders dan met de voormelde
ongegrond bevonden kritiek, uiteen te zetten op welke wijze dit recht zou zijn geschonden met
het bestreden arrest.
11. Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk,
kennelijk ongegrond.
Conclusie
12. Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk,
kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.501 VII-42.975-7/8
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie november
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.501 VII-42.975-8/8