RvS-16502
🏛️ Raad van State
📅 2025-11-03
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.502 van 3 november 2025
in de zaak A. 254.264/VII-42.949
In zake : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE
VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten Tine Bricout en Carmenta Decordier
kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker
Orchideestraat 61A
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
1. XXXXX
2. XXXXX
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 9 juli 2025, strekt tot de cassatie van
arrest nr. 327.674 van 4 juni 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 18 juli 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en artikel 39/65
van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf,
de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te
motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is
gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.502 VII-42.949-1/5
ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen.
Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering.
Artikel 48/6, § 5, van de vreemdelingenwet bepaalt dat de met het
onderzoek belaste instanties het verzoek om internationale bescherming beoordelen “op
individuele, objectieve en onpartijdige wijze”. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft
in zijn arrest van 4 oktober 2018 in de zaak C-624/15, Ahmedbekova en Ahmedbekov tegen
Bulgarije, waaraan de verzoekende partij refereert, eerst gesteld dat “volgens vaste rechtspraak
elke beslissing over de verlening van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire
beschermingsstatus [moet] worden gebaseerd op een individuele beoordeling […], waarmee
moet worden bepaald of, rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de verzoeker, is
voldaan aan de voorwaarden voor verlening van een dergelijke status” en dit vervolgens
genuanceerd als volgt:
“Hoewel uit het voorgaande volgt dat een verzoek om internationale bescherming niet
zonder meer kan worden toegewezen op grond dat een gezinslid van de verzoeker
gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico van ernstige schade loopt, moet,
zoals de advocaat-generaal in punt 32 van zijn conclusie heeft uiteengezet, wel rekening
worden gehouden met dergelijke bedreigingen waaraan een gezinslid van de verzoeker
is blootgesteld, teneinde te bepalen of de verzoeker wegens zijn familieband met die
bedreigde persoon, zelf wordt bedreigd met vervolging of ernstige schade.”
2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden
arrest:
“[…] Vooreerst stipt de Raad aan dat uit de verklaringen van de verzoekende partijen
en de stukken in het dossier blijkt dat zij sinds 2016 een relatie hebben en samen een
zoon hebben die geboren werd in 2018.
De Raad stelt vast dat uit de bestreden beslissingen en de stukken van het dossier blijkt
dat de verwerende partij de moeder en de destijds minderjarige zus van eerste
verzoekende partij heeft erkend als vluchteling.
Niettegenstaande de commissaris-generaal in de bestreden beslissingen terecht opmerkt
dat de toekenning van de vluchtelingenstatus aan een familielid niet noodzakelijk tot
gevolg heeft dat ook aan de familieleden een internationale beschermingsstatus moet
worden verleend, herinnert de Raad er aan dat in het arrest N. R. K. Ahmedbekova, en
R. E. O. Ahmedbekov het Hof van Justitie de advocaat-generaal bijtrad in zijn stelling
dat de individuele beoordeling niet verhindert dat ‘wel rekening moet worden gehouden
met de bedreigingen waaraan een gezinslid van een verzoeker is blootgesteld, teneinde
te bepalen of deze verzoeker wegens zijn familieband met die bedreigde persoon, zelf
wordt bedreigd met vervolging of ernstige schade’ (HvJ 4 oktober 2018, N. R. K.
Ahmedbekova, en R. E. O. Ahmedbekov, nr. C652/16, punten 50-51). Het Hof verwijst
in dit verband meer specifiek naar overweging 36 van de Kwalificatierichtlijn:
‘Gezinsleden zijn louter door hun verwantschap met de vluchteling normaal gezien op
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.502 VII-42.949-2/5
zodanige wijze kwetsbaar voor daden van vervolging dat zulks een grond voor de
toekenning van de status van vluchteling zou kunnen vormen’.
Er dient vastgesteld te worden dat de Raad geen kennis heeft over de grondslag, in de
zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet, van de erkenningsbeslissingen in hoofde
van de moeder en destijds minderjarige zus van de eerste verzoekende partij. Evenmin
beschikt de Raad over deze gehoren. Daarenboven wijst de Raad erop dat de verwerende
partij ter terechtzitting afwezig was en geen nadere toelichting kon geven hieromtrent.
Dergelijke kennis van de gehoren en erkenningsbeslissingen zijn nochtans essentieel
om een mogelijk verband of de implicaties van deze erkenningen in te schatten op de
persoonlijke situatie van eerste en tweede verzoekende partij bij terugkeer naar
El Salvador alsook om de aannemelijkheid van de gevreesde problemen met bendeleden
en de nood aan internationale bescherming zorgvuldig evenals op prospectieve wijze te
kunnen beoordelen. Immers blijkt uit de notities van haar persoonlijk onderhoud dat de
eerste verzoekende partij verklaarde dat haar moeder, die tevens afkomstig is uit
San Salvador […] El Salvador ook ontvluchtte omwille van problemen met bendes […].
De Raad heeft in deze stand van het geding geenszins kennis van andere problemen van
de moeder en zus van de eerste verzoekende partij aangehaald in het kader van hun
beschermingsverzoek daar de erkenningsbeslissingen in hunner hoofde en de
gehoorverslagen ontbreken in het administratief dossier.
De Raad benadrukt zodoende dat zonder nader onderzoek geen abstractie kan gemaakt
worden van de erkenning van de moeder en zus van de eerste verzoekende partij en de
redenen voor vervolging in hunner hoofde.
Gelet op bovenstaande vaststellingen kan de Raad in deze stand van het geding zonder
nader onderzoek en bij gebrek aan kennis van essentiële elementen de commissaris-
generaal niet bijtreden in het oordeel dat de erkenning van de moeder en zus van de
eerste verzoekende partij niets kan wijzigen aan de appreciatie in de bestreden
beslissingen.
[…] Gezien de grenzen van de ondervraging tijdens de terechtzitting en gelet op
ontbreken van verdere mogelijkheden tot onderzoek, kan de Raad de
beschermingsverzoeken van de verzoekende partijen niet op nuttige wijze evalueren in
het kader van een devolutief beroep.
Rekening houdend met wat voorafgaat alsook met het gegeven dat hij niet de nodige
onderzoeksbevoegdheid heeft, ontbreekt het de Raad aldus aan essentiële elementen om
te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet bedoelde
bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten
bevelen. Bijgevolg dienen de bestreden beslissingen te worden vernietigd
overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° van de Vreemdelingenwet en
artikel 39/76, § 2 van de Vreemdelingenwet.”
3. Met de voormelde motivering stelt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen niet dat de huidige verwerende partijen internationale
bescherming moeten krijgen, enkel omdat de moeder en de destijds minderjarige zus van de
eerste verwerende partij als vluchteling werden erkend. De Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen, die vaststelt geenszins kennis te hebben van andere problemen
van de moeder en zus van de huidige eerste verwerende partij aangehaald in het kader van hun
beschermingsverzoek daar de erkenningsbeslissingen in hunner hoofde en de gehoorverslagen
ontbreken in het administratief dossier, is enkel van oordeel dat zonder nader onderzoek geen
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.502 VII-42.949-3/5
abstractie kan gemaakt worden van de erkenning van de moeder en zus van de huidige eerste
verwerende partij en de redenen voor vervolging in hunnen hoofde. Het nader onderzoek naar
de omstandigheden waarin de moeder en zus van de huidige eerste verwerende partij werden
erkend als vluchteling op grond van – blijkbaar – hetzelfde asielmotief dat in de aanvankelijk
bestreden beslissing echter niet wordt aanvaard in hoofde van de huidige verwerende partijen,
doet op zich geen afbreuk aan het individuele karakter van de beoordeling van het verzoek om
internationale bescherming van die verwerende partijen. Er blijkt derhalve geen schending van
artikel 48/6, § 5, van de vreemdelingenwet iuncto artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU van
13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad ‘inzake normen voor de erkenning
van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming
genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking
komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming
(herschikking)’.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit evenmin tot een
omkering van de bewijslast, zodat geen schending van artikel 48/6, § 1, van de
vreemdelingenwet blijkt.
Verder behoort het tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter om te oordelen of hij al dan niet
beschikt over voldoende elementen om tot de bevestiging of de hervorming van de voor hem
aangevochten beslissing te komen zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten
bevelen.
Tot slot vormt het geen tegenstrijdigheid van motieven in het
bestreden arrest door enerzijds aan te nemen dat elk verzoek om internationale bescherming
individueel moet worden beoordeeld en anderzijds te oordelen dat zonder nader onderzoek
geen abstractie kan gemaakt worden van de erkenning van de moeder en de zus van de huidige
eerste verwerende partij en de redenen voor vervolging in hunnen hoofde. De Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen wil enkel onderzoeken of de erkenning als vluchteling van de
moeder en de zus van de eerste verwerende partij inderdaad geen afbreuk kan doen aan de
appreciatie van de verzoeken van de huidige verwerende partijen. Dit behoort tot het
onderzoek van de individuele omstandigheden van de zaak en doet geen afbreuk aan een
individuele beoordeling, net omwille van een richtlijnconforme interpretatie van
artikel 48/6, § 5, van de vreemdelingenwet overeenkomstig de supra aangehaalde rechtspraak
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.502 VII-42.949-4/5
van Hof van Justitie van de Europese Unie. De verzoekende partij toont in dat opzicht geen
schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de
vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
4. Het enige middel is kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op
een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie november
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.502 VII-42.949-5/5