RvS-16503
🏛️ Raad van State
📅 2025-11-03
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.503 van 3 november 2025
in de zaak A. 245.743/VII-43.014
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Dirk Geens
kantoor houdend te 2018 Antwerpen
Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 4 september 2025, strekt tot de
cassatie van het arrest nr. 330.703 van 6 augustus 2025 van de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 22 september 2025 aangekomen ter
griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Artikel 48/6, § 4, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de
toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’
(hierna: vreemdelingenwet) bepaalt:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.503 VII-43.014-1/5
“Wanneer de verzoeker bepaalde aspecten van zijn verklaringen niet staaft met
schriftelijke of andere bewijzen, behoeven deze aspecten geen bevestiging indien aan
de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :
a) de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;
b) alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn voorgelegd, en er is
een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere bewijskrachtige
elementen;
c) de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en
zijn niet in strijd met de algemene en specifieke informatie die gekend en relevant is
voor zijn verzoek;
d) de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk
ingediend, of hij heeft goede redenen kunnen aanvoeren waarom hij nagelaten heeft dit
te doen;
e) de algemene geloofwaardigheid van de verzoeker is komen vast te staan.”
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden
arrest dat verzoeker tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het aantal keren dat hij de
grond heeft bezocht waarover betwisting bestond met enkele FARC-leden. Hij zet vervolgens
uiteen dat verzoeker de verschillen tussen zijn verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken
en het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet ontkracht met zijn
kritiek op de wijze waarop zijn verklaringen werden afgenomen op de dienst
Vreemdelingenzaken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen sluit zich verder aan bij de
vaststelling in de aanvankelijk bestreden beslissing dat verzoeker meermaals onnodige risico’s
nam die niet getuigen van een oprechte vrees voor vervolging en hij weerlegt verzoekers
kritiek dienaangaande. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt verder op dat
verzoeker de motieven over het niet-bijbrengen van bepaalde documenten ongemoeid laat.
Daarna gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in op de door verzoeker aangehaalde
redenen om geen klacht in te dienen bij de Colombiaanse overheid na de problemen met het
FARC. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat ook in op de algemene
landeninformatie betreffende de mogelijkheid om bescherming te krijgen van de
Colombiaanse overheid. Tot slot weerlegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de
bewijswaarde van de door verzoeker bijgebrachte stukken. Op grond van al deze vaststellingen
besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “dat niet kan worden aangenomen dat in
dezen is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden zoals bepaald in artikel 48/6, § 4 van de
Vreemdelingenwet om aan verzoeker het voordeel van de twijfel toe te staan”.
Uit het voorgaande blijkt aldus op grond van welke concrete
elementen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat niet is voldaan aan de
in artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet opgenomen cumulatieve voorwaarden. De
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.503 VII-43.014-2/5
motivering van het bestreden is dienaangaande dan ook geenszins beperkt tot “één zinsnede”,
zoels verzoeker voorhoudt. Verzoeker toont in die mate geen schending aan van
artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet, noch van artikel 149 van de Grondwet.
2. Verzoeker voert aan dat het verslag van zijn interview op de dienst
Vreemdelingenzaken volgens het bestreden arrest een bijzondere bewijswaarde geniet, doch
dat dit voorgehouden vermoeden van wettigheid in strijd is met artikel 51/10 van de
vreemdelingenwet.
Met betrekking tot het interview op de dienst Vreemdelingenzaken en
de weergave van verzoekers verklaringen in het verslag ervan, overweegt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest:
“Verzoeker voert in zijn verzoekschrift aan dat ‘de vermeende verschillen’ tussen zijn
verklaringen bij de DVZ en het CGVS niet van die aard zijn ‘om de geloofwaardigheid
te ontnemen aan het asielrelaas’. Verzoeker hekelt in dit verband dat hij bij de DVZ niet
werd bijgestaan door een raadsman of een vertrouwenspersoon, maar licht niet toe hoe
de afwezigheid van een vertrouwenspersoon of raadsman hem zou hebben verhinderd
de kernelementen van zijn persoonlijke relaas bij de DVZ op zelfstandige wijze uiteen
te zetten. In zoverre verzoeker doelt op het Nederlands, waar hij opmerkt dat hij ‘de
taal’ niet spreekt, wijst de Raad erop dat het invullen van de vragenlijst gebeurde in het
Spaans […]. Verzoeker heeft bij aanvang van zijn procedure verklaard Spaans te
spreken en deze taal voldoende te beheersen om de problemen die hebben geleid tot zijn
vlucht te verwoorden en hierover vragen te beantwoorden […]. Uit het verslag van
verzoekers gehoor bij de DVZ kunnen evenmin (ver)taalproblemen blijken […]. Verder
doet de omstandigheid dat verzoeker bij de DVZ gevraagd werd kort op de hem gestelde
vragen te antwoorden, waarbij hem duidelijk werd gemaakt dat hij meer zou kunnen
vertellen op het CGVS, niets af aan de verplichting om correcte en coherente
verklaringen af te leggen met betrekking tot de kernaspecten van zijn relaas.
Volledigheidshalve stelt de Raad vast dat verzoeker tijdens zijn persoonlijk onderhoud
op het CGVS verklaarde dat zijn interview bij de DVZ goed verliep […]. Waar
verzoeker stelt dat een controle op de manier waarop het interview bij de DVZ is
verlopen nagenoeg onbestaande is, wijst de Raad erop dat zijn verklaringen bij de DVZ
aan hem werden voorgelezen in het Spaans en dat hij het gehoorverslag hierna
uitdrukkelijk voor akkoord ondertekende en hiermee aangaf dat de hierin opgenomen
verklaringen juist en oprecht zijn en met de werkelijkheid overeenstemmen. Waar
verzoeker stelt dat de bewijswaarde van zijn handtekening bijzonder relatief is
aangezien hij geen bijstand had van enige vertrouwenspersoon of raadsman en hij de
Nederlandse taal niet machtig is, kan worden volstaan met een verwijzing naar hetgeen
hierover hoger is uiteengezet. In dit verband dient er nog op gewezen dat de ambtenaren
van de DVZ onpartijdig zijn en er geen persoonlijk belang hebben bij hebben de
verklaringen van verzoekers om internationale bescherming onjuist weer te geven. Als
dusdanig bieden zij de nodige garanties inzake objectiviteit. Verzoekers betoog is niet
dienstig om afbreuk te doen aan de bewijswaarde van de verslagen van zijn interview
bij de DVZ in het kader van het onderzoek van zijn nood aan internationale
bescherming.”
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.503 VII-43.014-3/5
Verzoeker ontkracht niet de voormelde vaststelling dat hij het verslag
van het interview op de dienst Vreemdelingenzaken “uitdrukkelijk voor akkoord ondertekende
en hiermee aangaf dat de hierin opgenomen verklaringen juist en oprecht zijn en met de
werkelijkheid overeenstemmen”. Voor zover verzoeker de inhoud betwist van het stuk dat zijn
handtekening draagt, in de zin dat het geen getrouwe weergave zou vormen van zijn
verklaringen, berust de bewijslast bij verzoeker zelf. Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt
in het bestreden arrest geen “bijzondere bewijswaarde” toegekend aan het verslag van het
interview op de dienst Vreemdelingenzaken. Verder behoort de beoordeling van de
bewijswaarde van stukken en de opgenomen verklaringen van een verzoeker om internationale
bescherming tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de rechter ten gronde. Verzoeker,
wiens kritiek overigens beperkt is tot algemene opmerkingen, zonder enige concrete
tekortkoming in het verslag van het interview aan te geven, toont geen schending aan van
artikel 51/10 van de vreemdelingenwet.
3. Het enige middel is kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.503 VII-43.014-4/5
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie november
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.503 VII-43.014-5/5