Naar hoofdinhoud

RvS-16506

🏛️ Raad van State 📅 2025-11-04 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, Gw

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.506 van 4 november 2025 in de zaak A. 245.293/VII-42.952 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61, bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 juli 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 328.544 van 19 juni 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 juli 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. Verzoeker richt zich tegen de overweging in het bestreden arrest “dat de bestreden beslissing geen bevel om het grondgebied te verlaten bevat, waardoor er hoe dan ook geen schending van artikel 8 van het EVRM kan plaatsvinden”. Onmiddellijk na deze overweging citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.506 VII-42.952-1/7 EVRM), schetst hij de voorwaarde van een onder deze verdragsbepaling beschermingswaardig privé- en/of familie- en gezinsleven en stelt hij vast dat verzoeker dergelijk gezinsleven niet aannemelijk maakt, waarbij hij nog aangeeft dat verzoeker er allerminst voor heeft gekozen om duidelijkheid te scheppen over (de intensiteit van) het aangevoerde gezinsleven, ook niet toen verzoeker bijkomend de mogelijkheid werd geboden te antwoorden op een aantal vragen van de verwerende partij. Verzoekers kritiek in het eerste middelonderdeel berust op een onvolledige lezing van het bestreden arrest. In het licht van de voornoemde toetsing van de aanvankelijk bestreden beslissing aan artikel 8 van het EVRM, kan een gebeurlijke schending van die verdragsbepaling of van artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) in de door verzoeker bekritiseerde zinsnede niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest. 2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “Verzoekende partij is van oordeel dat verwerende partij een verkeerde beoordeling maakte van de elementen die zij bij een dergelijke beslissing dient na te gaan. Uit de bestreden beslissing blijkt echter dat dit geenszins correct is. De bestreden beslissing stelt immers dat: ‘Wat de duur van het verblijf in België betreft, is betrokkene op de leeftijd van bijna 12 jaar aangekomen op het Grondgebied. Betrokkene is heden 29 jaar. Er kan opgemerkt worden dat ondanks zijn verblijf van 17 jaar in België niet gebleken is dat hij een dermate bijzondere binding met België zou hebben dat deze een normale binding overstijgt. Integendeel tijdens de periodes van opsluiting in de gevangenis kunnen geen banden met België worden opgebouwd. Nochtans had betrokkene het over een andere boeg kunnen gooien gezien hij reeds snel een verblijf had bekomen. Bovendien is niet gebleken dat hij geen enkele binding meer zou hebben met het land van herkomst, noch dat er omstandigheden zouden zijn op grond waarvan een terugkeer naar zijn land van herkomst niet verwacht zou mogen worden. Hij kan in alle redelijkheid worden geacht nog sociale, culturele en familiale banden met dit land te hebben. Hij heeft er een groot deel van zijn leven aldaar verbleven en hij spreekt de taal. Wat betrokkens economische situatie betreft, kan worden gesteld dat het feit dat betrokkene is tewerkgesteld geweest niets af doet aan het feit dat betrokkene een actueel en ernstig gevaar vormt voor de openbare orde. Trouwens zijn voltijdse tewerkstelling bij de firma […] waarvan sprake in het schrijven van de advocaat is reeds beëindigd sedert 22/06/2023. Hij was daar pas gestart op 03/05/2023. Ondertussen was hij tewerkgesteld bij de […] tot en met 31/08/2023. Momenteel belet zijn aanhouding in de gevangenis elke verdere tewerkstelling. Wat betreft de sociale- en culturele integratie kan worden gesteld dat deze hier niet aan de orde is gezien het niet respecteren van de strafrechtelijke bepalingen in België ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.506 VII-42.952-2/7 expliciet getuigt van het niet geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving en dit eigenlijk ook niet na te streven. Wat betreft betrokkens leeftijd is het redelijk te stellen dat hij nog jong genoeg is om zich aan te passen aan nieuwe levensomstandigheden en een nieuwe omgeving. Hij is meerderjarig, maar niet van hoge leeftijd waardoor zijn leeftijd op zich niet voldoende reden vormt om de beslissing tot weigering niet te kunnen nemen. Wat betreft de medische toestand blijkt niet uit het administratief dossier dat er medische beletsels zouden zijn waarmee rekening moet worden gehouden.’ Verzoekende partij is het hier niet mee eens, maar voert eigenlijk enkel feitelijke elementen aan waardoor zij er op deze manier voor tracht te zorgen dat de Raad een feitelijke beoordeling zou maken wat uiteraard buiten haar bevoegdheid valt.” Verzoekers kritiek in het tweede middelonderdeel als zou de motivering van het bestreden arrest beperkt zijn tot de vaststelling dat verzoeker niet aangeeft waaruit het door hem ingeroepen privéleven zou bestaan, mist feitelijke grondslag. Uit het voorgaande blijkt immers dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk de kritiek beantwoordt als zou geen rekening zijn gehouden met de door verzoeker aangevoerde persoonlijke, economische en sociaal-culturele elementen. 3. Zoals reeds blijkt uit de beoordeling van het eerste en het tweede middelonderdeel supra, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat de verwerende partij wel degelijk een onderzoek naar het door verzoeker ingeroepen privéleven heeft gedaan. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarbij vaststelt dat verzoeker slechts summiere gegevens heeft meegedeeld over zijn familie- en privéleven, doet daaraan geen afbreuk. Verzoekers kritiek in het derde middelonderdeel berust andermaal op een onvolledige lezing van het bestreden arrest, zodat de voorgehouden onwettigheid niet kan leiden tot de cassatie van dat arrest. 4. Uit het supra bij de beoordeling van het tweede middelonderdeel opgenomen citaat blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing heeft onderzocht. Door verder de door verzoeker opgeworpen schending van artikel 8 van het EVRM te onderzoeken, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet in de plaats van de verwerende partij gesteld doch de wettigheid van de aanvankelijk bestreden beslissing onderzocht. Verzoeker toont derhalve niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet bepaalde annulatiebevoegdheid heeft overschreden. Het vierde middelonderdeel is kennelijk ongegrond. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.506 VII-42.952-3/7 5. Het eerste middel is in zijn vier onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel 6. Wat de vraag betreft of een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen verzoeker en zijn minderjarig kind die zou rechtvaardigen dat een afgeleid verblijfsrecht wordt toegekend aan verzoeker, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “In dit kader voert verzoekende partij nog het zogenaamde arrest nr C-82/16 (ook gekend als het arrest K.A.) van het Hof van Justitie aan. Daarbij dient er gemotiveerd te worden omtrent de beoordeling of er conform de inhoud van dit arrest een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen verzoekende partij en haar kind die zou rechtvaardigen dat verzoeker een afgeleid verblijfsrecht wordt toegekend. De Raad merkt op dat in het arrest K. A. een aantal richtsnoeren worden gegeven voor het voeren van het afhankelijkheidsonderzoek wanneer de betrokken Unieburger minderjarig is. Uitgangpunt is dat het bestaan van een gezinsband tussen de minderjarige Unieburger en zijn ouder die derdelander is, of dit nu een biologische dan wel een juridische is, niet kan volstaan als rechtvaardiging om die ouder op grond van artikel 20 van het VWEU een afgeleid recht van verblijf op het grondgebied van de lidstaat waarvan het minderjarige kind onderdaan is, toe te kennen. Er moet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaan dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd. Bij de beoordeling of er sprake is van een dergelijke afhankelijkheidsverhouding, is het relevant wie het gezag over het kind heeft en of de wettelijke, financiële en affectieve last van het kind berust bij de ouder die een derdelander is. Daarbij moet worden bepaald welke ouder de daadwerkelijke zorg over het kind heeft en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder die derdelander is. In het kader van deze beoordeling houden de bevoegde overheden rekening met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest, samen gelezen met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2 van het Handvest erkende hogere belang van het kind. De omstandigheid dat de andere ouder, wanneer deze een Unieburger is, echt instaat en bereid is om de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind alleen te dragen, vormt een relevant gegeven maar volstaat op zich niet om te kunnen stellen dat de vereiste afhankelijkheidsverhouding tussen de ouder- derdelander en de minderjarige Unieburger niet aanwezig is. Om tot een dergelijke vaststelling te komen moet, in het hoger belang van het kind, rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, met name de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate waarin het een affectieve relatie met elk van zijn ouders heeft, en het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het werd gescheiden van de ouder die onderdaan van een derde land is. Het al dan niet samenwonen van de ouder- derdelander met de minderjarige Unieburger vormt één van de in aanmerking te nemen relevante factoren om te bepalen of er tussen hen sprake is van een afhankelijkheidsverhouding maar is geen noodzakelijke voorwaarde daarvoor. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.506 VII-42.952-4/7 In de bestreden beslissing wordt hieromtrent als volgt gemotiveerd: ‘Van een dermate afhankelijkheidsrelatie met zijn kind waardoor het inreisverbod an sich zou opgeheven worden is hier geen sprake. Het feit dat zijn partner en zijn dochter niet kunnen gedwongen worden het Belgische grondgebied te verlaten, maakt niet dat zij betrokkene niet vrijwillig zouden kunnen volgen naar zijn land van herkomst of een derde land. Het is overigens inherent aan een grensoverschrijdende relatie dat één van de partners zich buiten het oorspronkelijke land van herkomst bevindt. Er liggen thans geen stukken voor waaruit blijkt dat er in hoofde van zijn partner en kind sprake zou zijn van onoverkomelijke hinderpalen die het uitbouwen van een normaal en effectief gezinsleven in zijn land van herkomst of elders zouden verhinderen, evenmin blijkt dat hij zijn gezinsleven enkel in België zou kunnen uitbouwen. Bovendien is zijn dochter nog jong om zich aan te passen en uit zijn dossier blijkt niet dat zijn dochter, of zijn partner, medische problemen zouden hebben waardoor reizen en/of het zich vestigen in Marokko onmogelijk zou zijn. Zijn partner en dochter kunnen er uiteraard ook voor kiezen om in België te blijven en contact met hem te onderhouden via mail, telefoon en andere communicatiemiddelen en via periodieke reizen naar de plaats waar hij verblijft. Dat de contacten met zijn dochter op die manier minder frequent en/of diepgaand zouden zijn, is niet anders dan wanneer hij was opgesloten in de gevangenis en het gesloten centrum. Hoewel het belang van het kind een primordiaal karakter heeft, heeft het daarom nog geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen, neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in. Die bijzondere plaats maakt het evenwel niet onmogelijk om eveneens rekening te houden met andere belangen (EHRM, 3 oktober 2014, nr. 12738/10, Jeunesse t. Nederland, par. 101; GwH 7 maart 2013, nr. 30/2013). Het gevaar dat betrokkene vormt voor de openbare orde is superieur aan de gezinsbelangen die betrokkene kan doen gelden.’ Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat verwerende partij uitvoerig is ingegaan op de relatie tussen verzoekende partij en haar kind. Hierbij heeft de gemachtigde rekening gehouden met de kwetsbare positie van het minderjarige kind. Uit deze motieven blijkt dat de afhankelijkheidsrelatie tussen verzoekende partij en haar kind wel degelijk is onderzocht, daarin begrepen de vraag of het kind genoodzaakt zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien het verblijfsrecht verzoeker zou worden geweigerd, waarop ontkennend wordt geantwoord. Verwerende partij heeft de beoordeling gemaakt aan de hand van de gegevens die haar gekend waren op het ogenblik dat hij de beslissing nam. Uit deze beoordeling blijkt dat verwerende partij van oordeel is dat het minderjarig kind in België kan verblijven bij haar moeder zoals dit nu reeds het geval is, terwijl verzoekende partij elders verblijft. Gezien de huidige professionele ondersteuning die het kind op heden blijkbaar krijgt, kan de Raad de beoordeling van verwerende partij bijtreden dat het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan eerder beperkt is. Bovendien kunnen verzoekende partij en haar kind contact houden via allerlei communicatiemiddelen zoals de bestreden beslissing terecht opmerkt. Het kind (en desgevallend de moeder) kunnen reizen en verzoekende partij elders bezoeken. De fysieke aanwezigheid van verzoekende partij in België is daarom niet vereist. Een dergelijke fysieke scheiding doet geen afbreuk aan het gezinsleven van verzoekende partij met haar dochter. Daarenboven blijkt dat verzoekende partij gedurende een hele tijd geen contact had met haar minderjarig kind. Het komt aan verzoekende partij toe om met concrete argumenten aannemelijk te maken dat het gevoerde afhankelijkheidsonderzoek niet deugdelijk was en dat verwerende partij ten onrechte heeft geconcludeerd dat het niet toekennen van het verblijfsrecht er niet toe zal leiden dat haar dochter het grondgebied van de Europese Unie zal moeten verlaten. Verzoekende partij slaagt er niet in met concrete bewijzen aan te tonen dat verwerende partij ten onrechte heeft geconcludeerd dat het niet toekennen van het ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.506 VII-42.952-5/7 verblijfsrecht er niet toe zal leiden dat haar dochter het grondgebied van de Europese Unie zal moeten verlaten. Gelet op de overwegingen opgenomen in K.A., kan verwerende partij er terecht op wijzen dat het loutere bestaan van een gezinsband niet volstaat als rechtvaardiging om een afgeleid verblijfsrecht toe te kennen. Daarbij merkt de Raad nog op dat verzoekende partij intussen in vrijheid gesteld werd.” Uit de voorgaande motivering blijkt, anders dan verzoeker voorhoudt, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk heeft onderzocht of de verwerende partij overeenkomstig artikel 20 van het verdrag ‘betreffende de werking van de Europese Unie’ (hierna: VWEU) in haar beslissing heeft nagegaan of een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen verzoekers kind en verzoeker bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als verzoeker een verblijfsrecht wordt geweigerd. Verzoeker gaat verder voorbij aan de motivering in punt 3.12 van het bestreden arrest, waarin concreet wordt ingegaan op het voorgehouden gezinsleven met het minderjarige kind, namelijk met de vaststelling dat verzoeker “slechts summier gegevens heeft overgemaakt met betrekking tot het gezinsleven en dan meer bepaald het gezinsleven met [zijn] kind waar [hij] zich op heden wel [op] wenst te beroepen” en nog met de volgende overwegingen: “In ieder geval dient vastgesteld te worden dat de aanwezigheid van familieleden verzoekende partij er niet van weerhouden heeft ernstige feiten te plegen en te blijven plegen. Dit geldt zowel voor haar prille jeugd als later wanneer de aanwezigheid van een partner en kind er niet voor zorgen dat verzoekende partij andere prioriteiten zal leggen. Gelet op de hechtenis van verzoekende partij is er ook geen sprake van een samenwonend gezin. Uiteraard kan de loutere aanwezigheid van een kind niet aangewend worden als een troefkaart om terechte maatregelen van verwerende partij tegen te houden.” Verzoeker toont derhalve geen schending aan van artikel 20 van het VWEU iuncto artikel 40ter § 2, 2° iuncto artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4°, van de vreemdelingenwet zoals deze laatste twee bepalingen golden bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing. 7. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.506 VII-42.952-6/7 B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vier november tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.506 VII-42.952-7/7

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot