RvS-16507
🏛️ Raad van State
📅 2025-11-05
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Burgerlijk Wetboek, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.507 van 5 november 2025
in de zaak A. 244.996/VII-42.911
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Gaëlle Jordens
kantoor houdend te 1060 Brussel
Maurice Van Meenenplein 14/6
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 4 juni 2025, strekt tot de cassatie van
arrest nr. 325.973 van 29 april 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 17 juni 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste onderdeel van het enige middel
1. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt met betrekking
tot verzoekers voorgehouden homoseksuele geaardheid eerst in het algemeen dat “seksuele
gerichtheid […] immers niet enkel seksueel gedrag [is], maar […] ook betrekking [heeft] op
emoties en affectie”, dat aldus “nader [moet] worden onderzocht of verzoekers voorgehouden
seksuele gerichtheid op personen van hetzelfde geslacht geloofwaardig is” en dat, “[h]oewel
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.507 VII-42.911-1/6
iemands seksuele geaardheid betrekking heeft op zeer intieme gevoelens en de ontdekking
ervan een persoonlijk proces is, […] het aan de verzoeker om internationale bescherming
toe[komt] om zijn beweerde homoseksualiteit aannemelijk te maken aan de hand van
geloofwaardige verklaringen, die op hun beurt (onder meer) moeten worden gezien in het licht
van het al dan niet homofoob karakter van de samenleving waaruit de verzoeker om
internationale bescherming afkomstig is”. Vervolgens oordeelt hij concreet:
“Verzoekers betoog in zijn aanvullende nota kan, gezien in het licht van het
bovenstaande, echter niet overtuigen, daar hij louter uitlegt op welke wijze hij […] heeft
leren kennen, en hierbij vrij algemeen en oppervlakkig blijft. Verzoeker geeft enkel aan
hoe hij en [...] elkaar leerden kennen, dat zij reeds lang vrienden waren, en hun relatie
een jaar heeft geduurd, doch gaat niet verder in op zijn gevoelens, zijn gewaarwording
van zijn seksuele oriëntatie of hoe hij zijn relatie met [...] beleefd heeft. Waar hij ter
staving van zijn relatie met [...] twee foto’s neerlegt van een Afghaanse jongeman die
[...] zou zijn, dient de Raad vast te stellen dat uit deze foto’s op geen enkele wijze kan
worden afgeleid dat dit effectief [...] zou zijn, noch kan hieruit worden opgemaakt welke
band deze jongeman en verzoeker zouden hebben (aanvullende nota verzoeker
neergelegd op 3 november 2024, stuk 6). Verzoeker stelt verder nog contact te hebben
met [...] in België via telefoon- en audiogesprekken, maar laat na dit te staven met enig
begin van bewijs.
Verzoeker zet hierbij nog uiteen dat hij nooit eerder over zijn relatie met [...] heeft
gesproken omdat (i) de vraag of hij een romantische relatie had hem nooit werd gesteld,
(ii) omdat dit niet de oorspronkelijke reden was waarom hij Afghanistan verlaten heeft
en (iii) omdat hij deze relatie altijd in het geheim beleefd zou hebben, waardoor hij niet
dacht dat zijn geaardheid gevolgen zou kunnen hebben voor zijn verzoek om
internationale bescherming. Zo er verzoeker inderdaad tijdens zijn persoonlijk
onderhoud op het CGVS niet werd gevraagd of hij romantische relaties had, blijft hij
evenwel zelf verantwoordelijk voor de verklaringen die hij aflegt en is het niet aan de
protection officer van het CGVS om het gehoor te sturen. Bovendien merkt de Raad op
dat, indien dit niet zijn oorspronkelijke reden geweest zou zijn voor zijn vertrek uit
Afghanistan, er verzoeker op het einde van het persoonlijk onderhoud wel werd
gevraagd of zijn verblijf in België een rol speelt bij een eventuele terugkeer naar
Afghanistan […], waardoor verzoeker dus wel in de mogelijkheid was zijn geaardheid
en seksuele relaties in België aan te halen. Verder is het niet aannemelijk dat verzoeker
niet op de hoogte geweest zou zijn dat zijn geaardheid een invloed zou kunnen hebben
op de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming, gezien de context
van de conservatieve samenleving in Afghanistan en zijn verklaringen in zijn
aanvullende nota dat hij zijn relatie met [...] geheim hield in Afghanistan en deze in
België zou willen verder zetten zonder angst.
Wat betreft de algemene informatie die verzoeker in zijn aanvullende nota aanhaalt
aangaande homoseksualiteit in Afghanistan, dient te worden opgemerkt dat niet wordt
betwist dat dit een taboe is en zelfs strafbaar is in Afghanistan en het beleven hiervan of
het uiten van iemands mening hierover aanleiding kan geven tot negatieve of
gewelddadige reacties van de taliban. Het aanhalen van algemene informatie volstaat
echter niet om aan te tonen dat verzoeker in zijn land van herkomst werkelijk wordt
bedreigd en vervolgd. Deze vrees voor vervolging dient in concreto te worden
aangetoond en verzoeker blijft daartoe in gebreke. Gelet op het voorgaande kan
verzoeker dan ook niet overtuigen aangaande zijn voorgehouden homoseksuele
geaardheid en bijgevolg evenmin aangaande de vrees die hij hierdoor zou koesteren bij
een eventuele terugkeer naar Afghanistan.”
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.507 VII-42.911-2/6
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt met het voorgaande
vast dat verzoeker zijn homoseksuele geaardheid niet aannemelijk maakt. Hij oordeelt
daarmee echter niet, zoals verzoeker nochtans voorhoudt, dat bepaalde essentiële elementen
in het dossier ontbreken. Verzoekers kritiek mist feitelijke grondslag, zodat geen schending
van artikel 39/2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang
tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna:
vreemdelingenwet) wordt aangetoond.
Verzoeker heeft zijn voorgehouden homoseksuele geaardheid kunnen
uiteenzetten in zijn aanvullende nota voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en hij
was in de mogelijkheid dit ter terechtzitting, waar hij zelf aanwezig was, desgewenst nader toe
te lichten. Zoals blijkt uit het bovenstaande citaat uit het bestreden arrest, oordeelt de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen bovendien dat verzoeker wel in de mogelijkheid was zijn
seksuele geaardheid en relaties in België aan te halen en dit reeds op het commissariaat-
generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. In het licht van dit alles toont verzoeker dan
ook niet aan dat hij niet beschikte over een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van
artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de
Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) of artikel 47 van het Handvest van de grondrechten
van de Europese Unie. Hij toont evenmin een schending aan van het recht op tegenspraak of
het recht om te worden gehoord.
Tweede onderdeel van het enige middel
2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door
artikel 39/65 van vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde
jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is
gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en
ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te
voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte
of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals
tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen.
Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending
van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke
motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.507 VII-42.911-3/6
antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd,
maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
Met de supra bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel
geciteerde overwegingen stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op concreet
gemotiveerde wijze vast dat dat verzoeker zijn homoseksuele geaardheid niet aannemelijk
maakt. Hij oordeelt echter niet, zoals verzoeker nochtans voorhoudt, dat bepaalde essentiële
elementen in het dossier ontbreken. Er is dan ook geen sprake van een tegenstrijdige
motivering.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft ook aan, anders dan
verzoeker voorhoudt, waarom verzoeker in deze zaak wel in de mogelijkheid wordt geacht
zijn homoseksuele geaardheid reeds vroeger in te roepen en ze nader toe te lichten.
In de mate dat verzoeker het niet eens is met de gemaakte beoordeling,
houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht maar vraagt hij in wezen een
nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet
bevoegd is.
Derde onderdeel van het enige middel
3. De bewijskracht van een akte, afgeleid uit de artikelen 8.17 en 8.18
van het Burgerlijk Wetboek, betreft de vereiste eerbiediging van hetgeen in die akte schriftelijk
is vastgelegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent de bewijskracht van een akte
indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die
dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in
voorkomt. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke
gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vat verzoekers
aanvullende nota van 3 november 2024 als volgt samen:
“Verzoeker licht zijn vermeende verwestering toe en voegt toe dat hij bij gelegenheid
aan zijn raadsman heeft kunnen vertellen dat hij op mannen valt, hij al vele jaren verliefd
is op een man, […] genaamd, en hij zich niet aangetrokken voelt tot vrouwen. Verzoeker
licht toe dat hij in Afghanistan gedurende iets meer dan een jaar een romantische relatie
had met […] Hij zet uiteen dat zij buren waren en zowel hij als […] al lang wisten dat
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.507 VII-42.911-4/6
zij zich tot elkaar aangetrokken voelden, maar […] tijdens het huwelijksfeest van zijn
neef het initiatief nam om zijn gevoelens aan verzoeker kenbaar te maken. Hij voegt toe
dat zij die dag in het diepste geheim een liefdesrelatie begonnen zijn en hij nog steeds
contact heeft met […] vanuit België via telefoon- en audiogesprekken. Naast deze
relatie met […] stelt verzoeker dat hij in België ook enkele seksuele relaties gehad heeft
met mannen. Verder legt hij uit dat hij nooit eerder over […] sprak omdat de vraag of
hij van iemand houdt of een romantische relatie met iemand heeft hem nooit eerder werd
gesteld. Hij voegt toe dat hij niet spontaan over zijn relatie met […] sprak toen hem
werd gevraagd of hij nog andere angsten zou hebben als hij naar Afghanistan zou
terugkeren, enerzijds omdat dit niet de oorspronkelijke reden was waarom hij
Afghanistan verliet en anderzijds omdat hij deze relatie in het geheim heeft beleefd,
zodat hij niet dacht dat zijn seksuele geaardheid gevolgen zou kunnen hebben voor zijn
verzoek om internationale bescherming. Verzoeker stelt dat dit nieuwe element van
wezenlijk belang is, aangezien homoseksualiteit en seksuele betrekkingen buiten het
huwelijk onder het talibanregime strafbaar zijn, en dat hij bij terugkeer naar Afghanistan
ongetwijfeld het risico zou lopen te worden vervolgd. Ter staving van dit risico citeert
verzoeker uit de rapporten ‘Afghanistan. Targeting of Individuals’ en ‘Afghanistan:
Country Guidance’ van EUAA van respectievelijk augustus 2022 en januari 2023,
alsook informatie over de behandeling van LGBT in Afghanistan op de website van
Human Dignity Trust.”
Verzoeker betwist deze samenvatting niet. Met de supra bij de
beoordeling van het eerste middelonderdeel geciteerde overwegingen uit het bestreden arrest
geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen inhoud aan de kwestieuze aanvullende
nota die in strijd is met de bewoordingen ervan, noch ontkent hij dat dit stuk een inhoud bevat
die er wel in voorkomt. In de mate dat verzoeker verder de in het bestreden arrest gemaakte
feitelijke gevolgtrekkingen uit zijn aanvullende nota verkeerd acht, vormt dit geen schending
van de bewijskracht van die nota.
Conclusie
4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.507 VII-42.911-5/6
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijf november
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.507 VII-42.911-6/6