Naar hoofdinhoud

RvS-16508

đŸ›ïž Raad van State 📅 2025-11-05 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.508 van 5 november 2025 in de zaak A. 246.226/VII-43.065 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat SĂ©bastien Delhez kantoor houdend te 5000 Namen Place LĂ©opold 7/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 oktober 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 333.179 van 24 september 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 31 oktober 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. Verzoekster laat gelden dat haar religieus huwelijk met een Afghaan in het bestreden arrest niet wordt aanvaard als een nieuw element dat de kans aanzienlijk groter maakt dat zij in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming, zodat haar (tweede) volgend verzoek om internationale bescherming onontvankelijk wordt verklaard met toepassing van artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet). Zij merkt op dat de Raad ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.508 VII-43.065-1/3 voor Vreemdelingenbetwistingen met een arrest van dezelfde zetel en op dezelfde datum als het bestreden arrest de beslissing heeft vernietigd waarmee het volgend verzoek om internationale bescherming van haar echtgenoot onontvankelijk werd verklaard, terwijl dat verzoek eveneens grotendeels op het huwelijk met verzoekster was gesteund. Verzoekster acht de twee arresten bijgevolg “tegenstrijdig” en “onvoldoende gemotiveerd”. 2. De jurisdictionele motiveringsplicht, vervat in artikel 149 van de Grondwet en specifiek voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in artikel 39/65 van de vreemdelingenwet, heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Een tegenstrijdigheid tussen enerzijds de motieven van het bestreden arrest en anderzijds de motieven in een arrest in een andere zaak, al gaat het daarin om de echtgenoot van verzoekster, vormt geen tegenstrijdigheid van motieven die tot de onwettigheid van het bestreden arrest kan leiden. Verzoekster gaat er overigens aan voorbij dat haar verzoek om internationale bescherming wordt beoordeeld in functie van haar eigen land van herkomst, GeorgiĂ«, en de vrees voor haar familie aldaar, terwijl de zaak van haar echtgenoot is beoordeeld in functie van diens land van herkomst, Afghanistan. 3. Er is de Raad van State geen “beginsel van gezinshereniging” bekend. Verzoekster voert geen enkele bepaling betreffende gezinshereniging aan die zou zijn geschonden met het bestreden arrest. 4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.508 VII-43.065-2/3 B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijf november tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.508 VII-43.065-3/3

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot