RvS-16509
🏛️ Raad van State
📅 2025-11-06
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.509 van 6 november 2025
in de zaak A. 246.037/VII-43.038
In zake : 1. XXXXX
2. XXXXX
3. XXXXX
4. XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Najate El Janati
kantoor houdend te 4800 Verviers
Rue Lucien Defays 24-26
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 1 oktober 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 331.891 van 1 september 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 17 oktober 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste middel
1. De verzoekende partijen laten gelden dat zij ter terechtzitting van de
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een aanvullende nota hebben overgelegd waarvan “de
lijst van bijlagen […] een tiental elementen vermeldt (bewijsstukken nr. 6 tot en met 9), die
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.509 VII-43.038-1/8
voornamelijk bestaan uit persartikelen of rapporten die zijn opgesteld naar aanleiding van het
beroep dat de verzoekers bij de [Raad voor Vreemdelingenbetwistingen] hebben ingesteld”,
dat het gaat om nieuwe elementen in de zin van artikel 39/76, § 1, tweede lid, van de wet van
15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en
de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) “aangezien het ging om
artikelen en rapporten die waren gepubliceerd na de indiening van het beroep van verzoekers
bij de [Raad voor Vreemdelingenbetwistingen] en die waren gevoegd bij de aanvullende nota
om het beroep te actualiseren en de kans te vergroten dat verzoekers als vluchtelingen zouden
worden erkend” en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “bijgevolg een fout heeft
gemaakt […] door de aanvullende nota ter ondersteuning van het beroep van de verzoekers
terzijde te schuiven, terwijl alles erop wijst dat het om nieuwe elementen ging in de zin van de
wet van 15 december 1980”, zodat de verzoekende partijen naast artikel 39/76 van de
vreemdelingenwet het “recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
(hierna: EVRM), alleen of in combinatie met artikel 13 van het EVRM”, artikel 47 van het
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 13 en 191 van de
Grondwet geschonden achten.
2. Na artikel 39/76, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet te hebben
geciteerd, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest met
betrekking tot de ter terechtzitting overgelegde aanvullende nota van de verzoekende partijen:
“Dient in het licht van voormeld wetsartikel te worden opgemerkt dat, in zoverre
verzoekende partijen in hun aanvullende nota ingaan op de onstabiele veiligheidssituatie
en verslechtering van de sociaaleconomische situatie in Iran en de voortzetting van
officiële discriminatie van Bahai in dit land en ondanks dat verzoekende partijen daarbij
verwijzen naar een tiental stukken die bij deze nota zouden zijn gevoegd, er
dienaangaande geen nieuwe elementen bij de door verzoekende partijen neergelegde
aanvullende nota zijn gevoegd.
Wat betreft de stukken die wel bij de aanvullende nota van verzoekende partijen zijn
gevoegd, met name de kleurenafdrukken van een foto en van een aantal screenshots,
dient dan weer te worden vastgesteld dat omtrent deze stukken in de aanvullende nota
van verzoekende partijen met geen woord wordt gerept.
Gezien hetgeen gesteld wordt in de aanvullende nota niet wordt onderbouwd met
nieuwe elementen en gezien de nieuwe elementen die bij de aanvullende nota zijn
gevoegd niet in deze aanvullende nota zijn vervat, wordt de door verzoekende partijen
neergelegde aanvullende nota ambtshalve uit de debatten geweerd.”
Het rechtsplegingsdossier van de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen bevat een ter terechtzitting van 24 juli 2025 overgelegde
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.509 VII-43.038-2/8
“aanvullende nota” van de verzoekende partijen. Hierin wordt verwezen naar acht stukken ter
staving van de voorgehouden “[o]nstabiele veiligheidssituatie en verslechtering van de
sociaaleconomische situatie in Iran”, doch geen van de door de verzoekende partijen
aangehaalde stukken is bij die nota gevoegd. De verzoekende partijen verwijzen verder naar
twee stukken ter staving van de voorgehouden “[v]oortzetting van officiële discriminatie van
Bahá’ís in IRAN”, die evenmin bij die nota zijn gevoegd. Er zijn wel acht kopieën of
schermafdrukken van foto’s van personen op één of meer manifestaties bij de nota gevoegd,
doch daarvan wordt in de aanvullende nota geen melding gemaakt.
De kritiek van de verzoekende partijen mist bijgevolg feitelijke
grondslag, zodat geen schending van de aangehaalde bepalingen, voor zover van toepassing,
wordt aangetoond.
3. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
Tweede middel
4. De verzoekende partijen verwijzen naar de “ernstige stresssituatie”
die eerste verzoeker bij zijn onderhoud op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen
en de staatlozen had aangevoerd. Zij stellen dat de eerste verzoekende partij voor de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen “overtuigende elementen heeft aangevoerd met betrekking tot
zijn medicamenteuze behandeling en zijn follow-up”, waarmee in het bestreden arrest geen
rekening zou zijn gehouden. Zij verwijzen naar de medische attesten en stellen dat de
bevindingen daarin en de onderbreking van de medicatie van de eerste verzoekende partij
voorafgaand aan het onderhoud een beslissende invloed hebben gehad op de uitleg en het
verhaal van de eerste verzoekende partij.
5. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dienaangaande
in het bestreden arrest:
“Dient verder te worden opgemerkt dat verzoekende partijen geheel ten onrechte
trachten te laten uitschijnen dat zij ten gevolge van de door hen aangehaalde stress,
psychische problemen en/of (onderbroken) medicatiegebruik niet of onvoldoende bij
machte zouden zijn geweest om hun procedure internationale bescherming te doorlopen,
om in dit kader hun verschillende gehoren te volbrengen en om hun asielrelaas daarbij
op een gedegen wijze uiteen te zetten, en dit omdat aan hen niet de nodige bijkomende
steunmaatregelen werden verleend. Uit de door verzoekende partijen neergelegde
psychologische en medische attesten kan zulks immers hoegenaamd niet worden
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.509 VII-43.038-3/8
afgeleid. Geen van deze attesten gaat namelijk uit van een psychiater. Wel gaan zij uit
van een psycholoog en een arts. Daarbij lijken deze attesten zowel voor wat betreft de
hierin opgesomde psychische klachten en symptomen van verzoekende partijen als de
feiten die hieraan ten grondslag zouden liggen louter en alleen te zijn gebaseerd op de
verklaringen van verzoekende partijen zelf. Nergens uit deze attesten blijkt dat de door
verzoekende partijen aangehaalde feiten en symptomen daarbij zouden zijn onderzocht
op hun waarachtigheid; laat staan dat hieruit zou kunnen worden afgeleid dat zij aan
enig doorgedreven psychiatrisch onderzoek zouden zijn onderworpen. Aldus blijkt uit
de betreffende attesten niet dat of op welke wijze de verklaarde psychische problemen
van verzoekende partijen en de gevolgen van het (onderbroken) medicatiegebruik van
verzoeker zouden zijn onderzocht of gediagnosticeerd. Verder wordt in de betreffende
attesten slechts op bijzonder algemene wijze ingegaan op de door verzoekende partijen
aangehaalde klachten en de beweerde invloed daarvan op het verloop van hun
persoonlijk onderhoud bij verweerder. Nergens wordt daarbij enige concretisering of
precisering geboden omtrent de ernst en de aard van de problemen en de werkelijke
invloed daarvan op hun vermogen om tijdens hun persoonlijk onderhoud de kern van
hun asielmotieven uiteen te zetten. Evenmin wordt hierin concrete uitspraak gedaan
over de daadwerkelijke invloed die de beweerde problemen in hoofde van verzoekende
partijen zouden hebben gehad op de weergave van hun gezegden en de inhoud van de
notities van hun persoonlijk onderhoud bij het CGVS. Derhalve kan uit deze attesten
niet worden afgeleid dat verzoekende partijen omwille van de hierin aangehaalde
elementen niet of onvoldoende bij machte zouden zijn (geweest) om hun procedure
internationale bescherming te doorlopen, om in dit kader de verschillende gehoren te
volbrengen en om hun asielrelaas daarbij op een gedegen wijze uiteen te zetten, en dit
omdat aan hen niet de nodige bijkomende steunmaatregelen werden verleend.
Verzoekende partijen verstrekken inzake het voorgaande in het onderhavige
verzoekschrift zelf voorts niet de minste verdere, concrete en nuttige duiding. Zij
vergenoegen zich er namelijk toe op louter algemene wijze te verwijzen naar de
voormelde elementen en op algemene, ongefundeerde en niet nader uitgewerkte wijze
aan te geven dat hieruit hun kwetsbaarheid blijkt, dat zij daardoor kampten met stress
die duidelijk een invloed zou hebben gehad op het verloop van hun persoonlijk
onderhoud, dat de geboden steunmaatregelen hierop geen passend antwoord vormden,
dat het realistisch is te denken dat dit een invloed had op hun persoonlijk onderhoud,
dat verzoeker zich niet goed kon uitdrukken, dat hun psychische toestand door
verweerder niet serieus werd beoordeeld en in rekening werd gebracht en dat hun
persoonlijke onderhouden niet op passende wijze konden worden voortgezet.
Verzoekende partijen kunnen met het uiten van dermate vage, algemene, ongefundeerde
en niet nader uitgewerkte beweringen bezwaarlijk volstaan om aan te tonen dat, waar of
op welke wijze de voormelde elementen mogelijks en in concreto van invloed zouden
zijn geweest op hun gezegden; laat staan dat zij concreet zouden aantonen of
aannemelijk maken dat, waar of hoe zulks van invloed zou zijn geweest op de
beoordeling van hun verzoek om internationale bescherming en de inhoud van de
bestreden beslissingen.
Bovendien blijkt het tegendeel duidelijk uit de stukken zoals opgenomen in het
administratief dossier. Verzoekende partijen gaven bij de aanvang van hun procedure,
in de vragenlijst 'bijzondere procedurele noden' DVZ, initieel namelijk zelf duidelijk en
eenduidig aan dat er volgens hen geen elementen of omstandigheden waren die het
vertellen van hun verhaal of hun deelname aan de procedure internationale bescherming
konden bemoeilijken. Bovendien formuleerden verzoekende partijen geen bezwaar
tegen het plaatsvinden van het gehoor en het invullen van de vragenlijst bij de DVZ,
Wanneer aan verzoeker bij de DVZ werd gevraagd hoe zijn gezondheidstoestand was,
maakte verzoeker bovendien enkel melding van het feit dat hij nog werd behandeld voor
zijn schotwond en haalde hij nergens psychische problemen aan […]. Wanneer aan
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.509 VII-43.038-4/8
verzoekster bij de DVZ werd gevraagd hoe haar gezondheidstoestand was, gaf zij
eenduidig aan: ‘Goed’ […]. Bij het CGVS maakten verzoekende partijen, wanneer zij
werden ondervraagd over het verloop van het gehoor bij de DVZ, alwaar ook hun
vragenlijsten werden ingevuld, bovendien geen melding van psychische problemen,
stress of (onderbroken) medicatie die hen bij de DVZ zou(den) hebben verhinderd om
volwaardige verklaringen af te leggen. Noch verzoekende partijen, noch hun advocaat,
formuleerden verder enig bezwaar tegen het plaatsvinden van hun persoonlijk
onderhoud bij het CGVS. Evenmin maakte één van hen er melding van dat zij, dit al
dan niet omwille van één van de voormelde factoren of elementen, niet bij machte
mochten worden geacht om hun persoonlijk onderhoud bij het CGVS te volbrengen, om
In dit kader volwaardige verklaringen af te leggen en om hun asielmotieven daarbij op
een gedegen wijze uiteen té zetten. Verzoeker gaf bij de aanvang van zijn persoonlijk
onderhoud bovendien aan dat hij zich ‘normaal’ en ‘goed’ voelde. Gevraagd of er zaken
waren waarmee de ondervrager rekening moest houden, gaf hij bovendien aan: ‘Nee, ik
voel me goed’. Bovendien werd hem regelmatig de mogelijkheid geboden om te
pauzeren […]. Verzoeker zelf formuleerde in de loop van het persoonlijk onderhoud
verder geen opmerkingen inzake zijn psychische problemen of het feit dat deze hem
hinderden bij het afleggen van zijn verklaringen. Verzoekers advocaat beweerde In de
loop van het persoonlijk onderhoud weliswaar dat verzoeker stress had […] en maakte
aan het einde van het persoonlijk onderhoud van verzoeker melding van het feit dat
verzoeker duidelijk mentale problemen zou hebben en dat zijn verklaringen daardoor
verward waren […], doch nergens verstrekte deze advocaat daarbij enige concrete
duiding of toonde deze aan dat, waar of op welke wijze dit van invloed zou zijn geweest
op of tijdens het persoonlijk onderhoud van verzoeker. Ook verzoekster gaf bij de
aanvang van haar persoonlijk onderhoud bij het CGVS aan dat het die dag goed met
haar ging. Zij vermeldde weliswaar dat zij ‘een beetje stress’ had, doch wanneer de
ondervrager vroeg of deze iets kon doen om daaraan te verhelpen, stelde verzoekster
van niet en bedankte zij de ondervrager. Even verder haalde verzoekster weliswaar aan
dat zij zich wanneer zij aan haar problemen dacht slecht voelde doch zij gaf niet aan dat
dit van invloed kon zijn op haar verklaringen. Verzoekster werd bovendien op de hoogte
gesteld van het feit dat zij pauzes mocht vragen. Aan het einde van het persoonlijk
onderhoud formuleerden verzoekster en haar advocaat verder geen opmerkingen in de
voormelde zin. Daarenboven vroegen en ontvingen verzoekende partijen een kopie van
de notities van hun persoonlijke onderhouden bij het CGVS en formuleerden zij geen
opmerkingen in voormelde zin ten overstaan van het CGVS. Dit impliceert,
overeenkomstig het bepaalde in artikel 57/5quater, § 3 van de Vreemdelingenwet, dat
zij worden geacht in te stemmen met de inhoud van de notities van hun persoonlijke
onderhouden, zodat zij heden bezwaarlijk kunnen voorhouden dat deze inhoud gekleurd
zou zijn door het voorgaande.
Dient derhalve te worden besloten dat verzoekende partijen niet concreet aantonen of
hard maken dat er bijkomende steunmaatregelen hadden moeten worden genomen.
Evenmin preciseren zij waaruit deze steunmaatregelen dan wel hadden moeten bestaan.
Voorts duiden zij niet hoe dit van invloed had kunnen zijn op de behandeling van hun
verzoek om internationale bescherming of de in de bestreden beslissingen gedane
beoordeling.”
In de mate dat de verzoekende partijen van mening zijn dat de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte het standpunt van de commissaris-generaal
voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft bevestigd, vragen zij in wezen een nieuwe
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.509 VII-43.038-5/8
beoordeling van de zaak zelf. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is hiervoor als
cassatierechter niet bevoegd.
De kritiek van de verzoekende partijen dat de stresstoestand van de
eerste verzoekende partij volgens het bestreden arrest werd vastgesteld door een psycholoog
en een maatschappelijk werker terwijl het wel degelijk ging om een psycholoog en een arts,
mist feitelijke grondslag. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt immers
uitdrukkelijk dat de medische attesten uitgaan “van een psycholoog en een arts”.
In het bestreden arrest wordt niet geëist dat de verzoekende partijen
vóór het onderhoud op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen
elementen of omstandigheden zouden aangeven die hun deelname aan de procedure van hun
verzoek om internationale bescherming zouden bemoeilijken. De Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen stelt enkel vast dat de verzoekende partijen geen bezwaar hebben
gemaakt tegen het plaatsvinden van het gehoor op de dienst Vreemdelingenzaken of tegen het
invullen van de vragenlijst aldaar en dat de verzoekende partijen op het commissariaat-
generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen melding hebben gemaakt van medische
problemen of (onderbroken) medicatie die hen op de dienst Vreemdelingenzaken zouden
hebben verhinderd om volwaardige verklaringen af te leggen. Verder gaat de Raad voor
Vreemdelingenzaken gedetailleerd in op het verloop van het gehoor op het commissariaat-
generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waar de verzoekende partijen evenmin
opmerkingen hebben gemaakt over hun medische toestand en de gevolgen daarvan voor het
afleggen van volwaardige verklaringen. De kritiek van de verzoekende partijen mist ook in dat
opzicht feitelijke grondslag.
In de mate dat de verzoekende partijen zich richten tegen de
overweging in het bestreden arrest dat zij niet aantonen dat zij in hun land van herkomst geen
of onvoldoende toegang zouden kunnen krijgen tot medische zorgen en de nodige
psychologische ondersteuning en omkadering, gaat het om een overtollig motief dat immers
slechts “volledigheidshalve” wordt vermeld en dat geen verband houdt met de vraag of de
verzoekende partijen al dan niet procedurele noden tijdens de behandeling van hun verzoek
om internationale bescherming aannemelijk maken.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.509 VII-43.038-6/8
In het licht van de supra geciteerde motivering tonen de verzoekende
partijen dan ook geen schending aan van artikel 48/9 van de vreemdelingenwet of van de in
artikel 39/65 van die wet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
6. Het tweede middel is; voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
Derde middel
7. De verzoekende partijen richten zich tegen de beoordeling in het
bestreden arrest van hun voorgehouden geloof als Bahà-í, waarbij volgens hen “een onjuiste
lezing” van hun verklaringen en van de door hen bijgebrachte stukken zou zijn gemaakt. Er
zouden met name weinig vaste riten in dat geloof zijn, waarbij iedereen bidt waar, wanneer en
hoe hij zelf wil.
8. Uit de omstandige motivering in punt 5.9. van het bestreden arrest
blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de ongeloofwaardigheid van het
voorgehouden geloof als Bahà-í steunt op een hele reeks van vaststellingen, waarvan de
gebrekkige kennis van de riten in dat geloof er slechts één is. De Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen neemt aldus in aanmerking dat de verzoekende partijen geen
informatie konden geven over de figuur Bàb, behalve waar diens graf zich bevindt, noch over
de figuur Bahà’u’llah, terwijl het nochtans over de twee voornaamste figuren uit dat geloof
gaat, dat de verzoekende partijen ook geen andere belangrijke figuren en leiders in dat geloof
noch belangrijke plaatsen bleken te kennen, dat de eerste verzoekende partij uiterst vage en
niet doorleefde verklaringen heeft afgelegd over de wijze waarop zijn geloof tot uiting zou
zijn gekomen in zijn opvoeding binnen het gezin, dat de tweede verzoekende partij manifest
tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over haar voorgehouden interesse in het geloof en
dat de eerste verzoekende partij nagenoeg niets wist te vertellen over de beweerde religieuze
interesse van de tweede verzoekende partij. De verzoekende partijen gaan voorbij aan deze
motieven zodat zij niet de onwettigheid van de desbetreffende beoordeling in het bestreden
arrest aantonen.
9. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.509 VII-43.038-7/8
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep,
begroot op een rolrecht van 800 euro, elk voor een vierde.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zes november
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.509 VII-43.038-8/8