Naar hoofdinhoud

RvS-16511

🏛️ Raad van State 📅 2025-11-12 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, 8 oktober 1981, Grondwet, gw

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.511 van 12 november 2025 in de zaak A. 245.960/VII-43.027 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martine De Raedemaeker kantoor houdend te 2800 Mechelen Augustijnenstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 september 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 331.562 van 25 augustus 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 oktober 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste onderdeel van het enige middel 1. Wie machtsafwending aanvoert, moet daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens aanbrengen waaruit kan worden afgeleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd. Opdat daarenboven van machtsafwending sprake kan zijn, moet het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.511 VII-43.027-1/6 bestreden beslissing zijn geweest. In de mate dat verzoekster te dezen machtsafwending aanvoert en daargelaten de vraag of machtsafwending als cassatiemiddel tegen een jurisdictionele beslissing als het bestreden arrest kan worden opgeworpen, wordt dit hier niet aangetoond. Verzoekster voert slechts feitelijke gegevens aan die zouden zijn miskend, doch het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe in de beoordeling van de feiten te treden. 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. Over de toepassing van artikel 19, § 1, van de vreemdelingenwet en artikel 39, § 3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: vreemdelingenbesluit) overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “[…] De bestreden beslissing die vaststelt dat verzoekende partij haar verblijfsrecht verloor, verwijst uitdrukkelijk naar artikel 19, §1 van de Vreemdelingenwet. Deze bepaling geeft immers onomwonden aan dat: ‘§ 1. Een vreemdeling die houder is van een geldige Belgische verblijfs- of vestigingsvergunning en het land verlaat, heeft gedurende een jaar recht op terugkeer in het Rijk. (…)’ De bestreden beslissing geeft vervolgens een beschrijving van de (verblijfs)historiek van verzoekende partij om daaruit te besluiten dat zij inderdaad onder het toepassingsgebied valt van deze bepaling. Verzoekende partij ontkent overigens nergens dat zij inderdaad langer dan één jaar afwezig was. […] Verzoekende partij geeft echter wel een aantal verduidelijkingen waarom zij langer dan één jaar afwezig was. Zij wijst hiervoor op de coronaperiode en de daarbij horende verwikkelingen qua reismogelijkheden. Daarnaast geeft zij aan dat er problemen geweest zouden zijn bij haar zwangerschap en bijhorende complicaties. […] De bestreden beslissing gaat echter reeds in op het uitzonderingsregime dat in een dergelijke situatie mogelijks soelaas kan bieden. Dit uitzonderingsregime is voorzien in artikel 39, §3 van het Vreemdelingenbesluit waarin bepaald wordt dat: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.511 VII-43.027-2/6 ‘§3 De vreemdeling die houder is van een geldige verblijfs- of vestigingsvergunning kan het recht op terugkeer uitoefenen na een afwezigheid van meer dan een jaar op voorwaarde dat hij: 1° vóór zijn vertrek bewezen heeft dat hij zijn hoofdbelangen in België behoudt en het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats kennis heeft gegeven van zijn voornemen om het land te verlaten en er terug te keren. Indien de betrokkene zijn recht op mobiliteit uitoefent naar een andere lidstaat wordt verondersteld dat hij zijn hoofdbelangen in België behoudt voor zover hij de geldigheidsduur van zijn door België afgeleverde verblijfsvergunning niet overschrijdt; 2° bij zijn terugkeer in het bezit is van een verblijfs- of vestigingsvergunning waarvan de geldigheidsduur niet verstreken is; 3° zich binnen vijftien dagen na zijn terugkeer aanmeldt bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats.’ Tegelijk besluit de bestreden beslissing echter ook dat verzoekende partij niet kan genieten van deze uitzondering vermits zij zich niet voor haar vertrek wendde tot de gemeente en dit slechts deed toen zij reeds meer dan een jaar aangekomen was in haar land van herkomst. […] Verzoekende partij volhardt in haar verzoekschrift dan wel in haar verklaringen en meent dat zij wel degelijk aan de voorwaarden voldoet om haar verblijfsrecht te behouden. Daarbij geeft zij allerlei verdere verduidelijkingen die ertoe zouden moeten leiden dat geoordeeld zou moeten worden dat zij wel degelijk voldoet aan de voorwaarden voor het behoud van haar verblijfsrecht. De persoonlijke overtuiging van verzoekende partij en het volharden hierin is echter onvoldoende om te besluiten tot een schending van de wettelijke bepalingen ter zake. Dit komt er immers op neer dat verzoekende partij de Raad tracht uit te nodigen zich in de plaats te stellen van de administratieve overheid. Nochtans is, zoals reeds aangehaald, de Raad enkel bevoegd om een wettigheidstoets uit te voeren in het kader van dergelijke beslissingen. Het is niet de bedoeling dat de Raad zich uitspreekt over de raadzaamheid van de genomen beslissing welke enkel beoordeeld kan worden in navolging van de discretionaire bevoegdheid van verwerende partij. Evenmin is het de bedoeling dat de beoordeling van de Raad in de plaats zou komen van de beoordeling van de administratieve overheid wanneer zoals in dit geval de een toelaatbare, gepaste en niet onredelijke beoordeling van de feiten gemaakt werd door verwerende partij.” Met de voorgaande motivering oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoekster geen schending aantoont van de voormelde wettelijke bepalingen. Waar verzoekster stelt dat de toepassing van artikel 19, § 1, van de vreemdelingenwet “machtsafwending en/of machtsoverschrijding uitmaakt” en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar middel “niet ernstig onderzocht en het bestreden arrest […] zodoende m.b.t. dit middel niet afdoende gemotiveerd [is]”, omdat hij oordeelt dat “[i]n casu […] geen sprake [kan] zijn van machtsmisbruik nu de verwerende partij niets anders gedaan heeft dan hetgeen waartoe de wet haar machtigt, met name het beoordelen van de verblijfssituatie van verzoekende partij”, gaat zij voorbij aan de voorgaande motivering uit het bestreden arrest. In de mate dat verzoekster het niet eens is met de gemaakte beoordeling, houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste maar vraagt ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.511 VII-43.027-3/6 zij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoekster werpt in het opschrift van het enige middel wel de schending op van artikel 19, § 1, van de vreemdelingenwet en artikel 39, § 3, van het vreemdelingenbesluit, maar laat na uiteen te zetten op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. 3. Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede onderdeel van het enige middel 4. Aangaande de voor hem opgeworpen schending van het vertrouwensbeginsel overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Het vertrouwensbeginsel houdt in dat de door het bestuur bij een rechtsonderhorige gewekte rechtmatige verwachtingen zo mogelijk dienen te worden gehonoreerd. Voor de toepassing van dit beginsel dient aan drie voorwaarden te zijn voldaan: er moet sprake zijn van een vergissing van een overheidsorgaan, er dient ten gevolge van die vergissing een voordeel te zijn verleend aan een rechtsonderhorige en er mogen geen gewichtige redenen zijn die het afnemen van dit voordeel door de overheid zouden rechtvaardigen. Verzoekende partij toont hoegenaamd niet aan dat in casu aan deze voorwaarden is voldaan. Zij maakt een schending van het vertrouwensbeginsel niet aannemelijk.” Verzoekster is van oordeel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het door haar aangevoerde middel aangaande een schending van het vertrouwensbeginsel “niet ernstig onderzocht en het bestreden arrest […] zodoende m.b.t. dit middel niet afdoende gemotiveerd [is]”. Zij toont echter geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste door “[i]n het kader van huidig cassatieberoep [op te werpen] […] dat de drie voorwaarden waarvan in het bestreden arrest sprake is in casu ingevuld zijn en dat dit ook blijkt uit wat verzoekende partij heeft laten gelden in feite en in rechte in haar verzoekschrift”, doch doet zij slechts blijken het niet eens te zijn met de gemaakte beoordeling en vraagt zij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.511 VII-43.027-4/6 In de mate dat verzoekster het vertrouwensbeginsel geschonden acht door het bestreden arrest, is dit beginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. 5. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde onderdeel van het enige middel 6. In een derde middelonderdeel verwijt verzoekster de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat hij in het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met bepaalde elementen, doch citeert zij zelf passages uit dat arrest waarin deze elementen door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen worden beoordeeld. Door verder louter haar kritiek op de aanvankelijk bestreden beslissing te herhalen en in zoverre zij meent dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op basis van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur de aanvankelijk bestreden beslissing diende te vernietigen, toont verzoekster geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste, doch vraagt zij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. 7. Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Conclusie 8. Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.511 VII-43.027-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf november tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.511 VII-43.027-6/6

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot