RvS-16513
🏛️ Raad van State
📅 2025-11-13
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.513 van 13 november 2025
in de zaak A. 245.746/VII-43.015
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Dirk Geens
kantoor houdend te 2018 Antwerpen
Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 5 september 2025, strekt tot de
cassatie van arrest nr. 330.716 van 6 augustus 2025 van de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 19 september 2025 aangekomen ter
griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Met betrekking tot verzoekers beschermingsstatus en verblijfsstatuut
in Griekenland overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn met toepassing
van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.513 VII-43.015-1/9
vreemdelingenwet) genomen beschikking van 6 mei 2025, die in het bestreden arrest is
opgenomen:
“De verzoekende partij is een 29-jarige man. Volgens de gegevens in het administratief
dossier diende de verzoekende partij op 19 augustus 2022 een verzoek om internationale
bescherming in Griekenland in. Op 6 september 2022 werd haar in Griekenland de
vluchtelingenstatus toegekend. De verzoekende partij ontving een Griekse
verblijfsvergunning (ADET) die geldig is van 6 september 2022 tot 5 september 2025
en een Grieks reisdocument […]. Dit stemt overeen met de algemene landeninformatie
die voorligt. Hieruit blijkt dat personen met de vluchtelingenstatus een
verblijfsvergunning ontvangen die geldig is voor drie jaar (AIDA, ‘Country Report
Greece. Update 2023’, juni 2024, p. 243).
In zoverre de verzoekende partij in het verzoekschrift aanklaagt dat de commissaris-
generaal heeft nagelaten afdoende te onderzoeken of zij actueel internationale
bescherming geniet in Griekenland, dient er nogmaals op te worden gewezen dat
volgens de gegevens in het administratief dossier […] haar op 6 september 2022
internationale bescherming, namelijk de vluchtelingenstatus, werd toegekend in
Griekenland. Waar de verblijfstitels blijkens artikel 24 van de richtlijn 2011/95/EU van
het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de
erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale
bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen
die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de
verleende bescherming (herschikking) (hierna: richtlijn 2011/95/EU) in wezen beperkt
in de tijd en verlengbaar zijn (zoals overigens ook in België), is zulks in beginsel niet
het geval wat betreft de verleende beschermingsstatus die onverkort blijft gelden zolang
er een nood is aan bescherming en die slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde
omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd (cf. de artikelen 11, 14, 16 en 19
van de richtlijn 2011/95/EU). De bewijslast met betrekking tot de eerder verleende
internationale bescherming(sstatus) in toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van
de Vreemdelingenwet berust inderdaad bij het Commissariaat-generaal, doch eens
hieraan is voldaan, komt het de verzoeker die de actualiteit of effectiviteit van deze
bescherming ter discussie stelt, persoonlijk toe om aan te tonen dat hij niet (meer) op
deze bescherming kan rekenen. Het komt aldus aan de verzoekende partij zelf en niet
aan het Commissariaat-generaal toe om het bewijs te leveren dat zij in Griekenland niet
langer internationale bescherming geniet. De verzoekende partij blijft hier echter in
gebreke. Zij brengt geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bij die wijzen op
een intrekking of opheffing van de haar verleende status, noch bevat het administratief
dossier enige concrete aanwijzing in die zin. Uit het enkele feit dat zij niet langer
woonachtig is in Griekenland, kan immers niet worden afgeleid dat zij er niet langer
over internationale bescherming beschikt. Indien zij van mening is dat er een einde zou
zijn gesteld aan haar verblijfsstatuut omwille van een afwezigheid, of dat hiertoe een
procedure is opgestart, komt het de verzoekende partij toe om dit op afdoende wijze aan
te tonen. Het louter in vraag stellen van het actueel karakter van de verleende
beschermingsstatus volstaat niet. Aangezien, gelet op het bovenstaande, met reden
aangenomen kan worden dat haar internationale beschermingsstatus in Griekenland nog
steeds geldig is, wijst niets er daarenboven op dat de verzoekende partij er niet naar zou
kunnen terugkeren.
Waar de verzoekende partij in het verzoekschrift ingaat op de obstakels en problemen
die zich kunnen voordoen bij het hernieuwen en/ of verlengen van Griekse
verblijfsvergunningen, dient erop gewezen te worden dat zij niet dienstig naar deze
informatie hieromtrent kan verwijzen aangezien haar Griekse verblijfsvergunning nog
geldig is tot 5 september 2025 en zij aldus bij terugkeer naar Griekenland nog over een
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.513 VII-43.015-2/9
geldige Griekse verblijfsvergunning zal beschikken. Het verstrijken van de geldigheid
van deze verblijfstitel blijkt nergens uit en wordt door de verzoekende partij niet
aangetoond. Het loutere feit dat zij op heden in België niet over haar (gedrukte versie
van haar) Griekse verblijfsvergunning en reisdocument beschikt omdat deze nog bij een
vriend in Duitsland liggen, overigens een loutere bewering […], doet aan bovenstaande
geen afbreuk. Er wordt namelijk nergens aangetoond dat zij in de onmogelijkheid zou
verkeren om ofwel deze documenten opnieuw te bekomen via haar vriend in Duitsland
ofwel bij een terugkeer naar Griekenland een duplicaat van deze documenten aan te
vragen. Wat het fiscaal registratienummer (AFM) betreft, dient er in navolging van de
commissaris-generaal nog op te worden gewezen dat uit de beschikbare informatie blijkt
dat personen die na 31 december 2020 een verzoek om internationale bescherming
indienen, automatisch een fiscaal registratienummer (AFM) krijgen wanneer zij hun
kaart als verzoeker om internationale bescherming ontvangen (RSA/PRO ASYL,
‘Beneficiaries of international protection in Greece. Access to documents and socio-
economic rights’, maart 2023, p. 18; Greece Refugee Info, ‘Getting a tax number
(AFM)’, 17 november 2022). Uit de beschikbare informatie blijkt dat het AFM alleen
wordt gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt (RSA/PRO ASYL,
‘Beneficiaries of international protection in Greece. Access to documents and socio-
economic rights’, maart 2024, p. 20). Gezien de verblijfsvergunning van de verzoekende
partij niet verloopt voor 5 september 2025, is het AFM ook geldig tot die datum. Zelfs
indien de verzoekende partij stappen dient te ondernemen om een duplicaat van haar
gedrukte verblijfsvergunning te krijgen, blijft zij toegang houden tot de arbeidsmarkt,
(het openen van) een bankrekening en de huur van onroerend goed. Ook met betrekking
tot het sociale zekerheidsnummer (AMKA) dient erop te worden gewezen dat uit de
beschikbare informatie blijkt dat het pas wordt gedeactiveerd wanneer de
verblijfsvergunning verloopt (AIDA, ‘Country Report Greece. Update 2023’,
juni 2024, p. 248).”
In het bestreden arrest bevestigt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen de voormelde beoordeling uit zijn beschikking van 6 mei 2025:
“De Raad beklemtoont dat verzoekende partij haar verzoek om internationale
bescherming in België door het CGVS niet-ontvankelijk werd verklaard
overeenkomstig artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet, waarbij bij
voormelde beschikking werd vastgesteld dat zij geen elementen aanbrengt waaruit blijkt
dat zij zich niet langer kan beroepen op de bescherming die de Griekse autoriteiten haar
hebben toegekend en zij dus niet aantoont dat onterecht toepassing werd gemaakt door
het CGVS van voormelde wetsbepaling (waarbij haar beschermingsverzoek niet-
ontvankelijk werd verklaard) en dat er derhalve geen reden is om het
beschermingsverzoek in België ten gronde ten aanzien van het land van herkomst/land
van gewoonlijk verblijf te beoordelen.”
Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoeker voorhoudt, zijn onderzoek niet beperkt tot
de vaststelling dat verzoeker op 6 september 2022 in Griekenland werd erkend als vluchteling.
Hij overweegt immers dat “de verleende beschermingsstatus […] onverkort blijft gelden
zolang er een nood is aan bescherming en […] slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.513 VII-43.015-3/9
omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd”, dat de Griekse autoriteiten op
26 oktober 2023 een vraag om informatie hebben beantwoord, dat verzoeker beschikt over een
verblijfsvergunning, geldig tot 5 september 2025, dat verzoeker heeft verklaard dat zijn
(gedrukte) Griekse verblijfsvergunning bij een vriend in Duitsland ligt, dat verzoeker volgens
de beschikbare informatie bijgevolg ook een fiscaal registratienummer (AFM) heeft, eveneens
geldig tot 5 september 2025, dat verzoeker toegang blijft houden tot de arbeidsmarkt, (het
openen van) een bankrekening en de huur van onroerende goederen en dat ook het sociale
zekerheidsnummer (AMKA) volgens de beschikbare informatie pas wordt gedeactiveerd
wanneer de verblijfsvergunning verloopt.
2. Op grond van de voormelde elementen acht de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen het bewezen dat verzoeker nog steeds internationale bescherming
geniet in Griekenland. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve zonder
schending van artikel 57/6, § 3, 3°, van de vreemdelingenwet oordelen dat het vervolgens aan
verzoeker toevalt het bewijs te leveren dat hij geen of geen effectieve internationale
bescherming meer geniet in Griekenland.
In de mate dat verzoeker een andere beoordeling voorstelt van de
voorhanden zijnde elementen, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf,
waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
3. Volgens verzoeker stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de
erkenning als vluchteling in Griekenland gelijk met het bestaan van “actuele en effectieve
bescherming”, om vervolgens de bewijslast van het tegendeel bij verzoeker te leggen.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 5.1. van het
bestreden arrest omstandig in op de “[a]lgemene situatie voor begunstigden van internationale
bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland”, waarbij hij met verwijzing naar het
arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 maart 2019 in de gevoegde zaken
C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland, (hierna: arrest Ibrahim)
besluit dat de beschikbare landeninformatie “op zich niet [volstaat] om zonder meer te
besluiten dat de geboden bescherming in hoofde van eenieder die er internationale
bescherming werd verleend, niet langer effectief of toereikend zou zijn en evenmin dat
statushouders in Griekenland bij terugkeer hoe dan ook zullen terechtkomen in een situatie
van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie er gekenmerkt door een
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.513 VII-43.015-4/9
grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden”, dat verzoeker
“[m]et de loutere verwijzing naar de bijgebrachte en beschikbare algemene landeninformatie
[…] dus niet aan[toont] dat iedere begunstigde van internationale bescherming in Griekenland
zich in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zoals geduid door het Hof van
Justitie bevindt of dat hij of zij er bij terugkeer automatisch in zal belanden” en dat “[e]en
individuele beoordeling […] dus aan de orde [blijft]”. In punt 5.2. van het bestreden arrest
onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens de “[p]ersoonlijke situatie
van de verzoekende partij als Grieks statushouder”. Onder meer met verwijzing naar de
volgende vaststellingen in zijn eerder genoemde beschikking van 6 mei 2025, oordeelt de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker geen enkele intentie had om een duurzaam
bestaan uit te bouwen in Griekenland en dat verzoeker niet aantoont dat hij in de
onmogelijkheid was om er huisvesting en werk te vinden:
“In haar verzoekschrift meent de verzoekende partij dat er in haar specifieke situatie
sprake was van een gebrek aan huisvesting, voldoende werkgelegenheid, onderwijs,
ondersteuning en medische bijstand in Griekenland.
Er dient benadrukt te worden dat het aan de begunstigde(n) van internationale
bescherming toekomt om de nodige inspanningen te doen om zich te integreren in de
samenleving waar hij/zij internationale bescherming heeft bekomen, door er onder meer
werk en huisvesting te zoeken en de taal te leren. Er kan van de verzoekende partij
verwacht worden dat zij de nodige procedures doorloopt en geduld uitoefent vooraleer
hieromtrent conclusies te trekken. Zulke inspanningen kunnen niet genoegzaam blijken
uit de verzoekende partij haar verklaringen en gedragingen. Uit de verklaringen van de
verzoekende partij blijkt immers dat zij klaarblijkelijk niet de intentie had om een
duurzaam leven in Griekenland op te bouwen en er haar rechten te doen gelden, nu zij
tijdens het persoonlijk onderhoud uitdrukkelijk en meermaals stelt dat het vanaf haar
vertrek uit Libanon haar bedoeling was om naar België te komen […]. Uit de gegevens
in het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij na het verkrijgen van de
vluchtelingenstatus in Griekenland op 6 september 2022 dan ook nog slechts zo’n twee
en een halve maand in dit land heeft verbleven […]. Zij verklaart te hebben gewacht tot
zij haar Grieks reisdocument verkreeg en is enkele dagen erna uit Griekenland
vertrokken […]. Het is voor de verzoekende partij niet mogelijk om op basis van dit
kortstondig verblijf na het verkrijgen van internationale bescherming en de juiste
documenten, conclusies te trekken omtrent de mogelijkheden op vlak van huisvesting,
werkgelegenheid, ondersteuning, medische zorgen of het aanbieden van taalcursussen
(en ander onderwijs) in Griekenland.
Uit de voorgaande vaststellingen en haar weinig concrete verklaringen inzake haar
pogingen om de Griekse taal te leren en werk en huisvesting te vinden […], kan niet
blijken dat zij doorgedreven stappen heeft gezet om haar leven uit te bouwen in
Griekenland. Zij laat ook na om concreet aan te tonen dat zij veelvuldige en ernstige
pogingen zou hebben ondernomen om zich te informeren en contact op te nemen met
organisaties die haar zouden kunnen helpen bij het uitoefenen van de rechten en
voordelen die aan haar internationale beschermingsstatus verbonden zijn. Uit niets blijkt
bovendien en zij maakt geenszins in concreto aannemelijk dat zij een gebrekkige
toegang tot hulp of een gebrek aan middelen ergens bij een officiële Griekse instantie
zou hebben aangekaart en aangeklaagd.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.513 VII-43.015-5/9
In dit verband dient er nog op te worden gewezen dat de verzoekende partij zelfredzaam
blijkt en gemakkelijk contacten lijkt te kunnen leggen met anderen. Zo leerde zij in
Griekenland Palestijnse jongens kennen waarbij zij kon verblijven en die haar werk in
Duitsland zouden hebben voorgesteld […]. Zij ondernam binnen en buiten Griekenland
ook een aantal reizen […]. Wat haar zelfredzaamheid tevens ondersteunt is haar
ervaring in de bouw in Libanon, wat haar kansen op de arbeidsmarkt bij terugkeer naar
Griekenland verhoogt […].
Wat betreft de medische bijstand, dient er nog op te worden gewezen dat uit de
beschikbare informatie blijkt dat personen die internationale bescherming genieten in
Griekenland gratis toegang hebben tot gezondheidszorg onder dezelfde voorwaarden
als Griekse onderdanen (AIDA, ‘Country Report Greece. Update 2023’, juni 2024,
p. 275). Zelfs indien de verzoekende partij niet de nodige stappen zou hebben
ondernomen om haar sociale zekerheidsnummer (AMKA) te verkrijgen, zou haar geen
gratis toegang tot gezondheidszorg in openbare instellingen worden geweigerd
(UNHCR, ‘Greece, Living In Greece – Access to healthcare’; Refugee.info, ‘Greece -
Health care without a social security number (PAAYPA or AMKA)’, van 29 april 2024;
AIDA, ‘Country Report Greece. Update 2022’, p. 250-251). De verzoekende partij
toont met haar algemene verklaringen niet in concreto aan dat zij als statushouder in
Griekenland veelvuldige stappen heeft gezet om medische of psychologische bijstand
te bekomen, maar dat zij hier geen of onvoldoende toegang tot had […].
Er dient bovendien te worden opgemerkt dat de verzoekende partij na haar vertrek uit
Griekenland niet onmiddellijk een verzoek om internationale bescherming heeft
ingediend. Na haar vertrek uit Griekenland verklaart zij via Frankrijk naar België te zijn
gekomen. Na twee dagen in België zou zij zijn doorgereisd naar Duitsland, waar zij
vervolgens een maand zou hebben verbleven. Daarna zou zij opnieuw naar België zijn
gekomen en diende zij hier haar verzoek in. Zij geeft aan dat zij in Duitsland geen
verzoek om internationale bescherming indiende omdat haar broers woonachtig zijn in
België. Zij reisde volgens haar verklaringen louter naar Duitsland omwille van
financiële redenen […]. De vaststelling dat zij haar beschermingsverzoek in België
laattijdig indiende, doet afbreuk aan de ernst ervan.
De verzoekende partij maakt met bovenstaande dan ook niet op concrete wijze
aannemelijk dat zij buiten haar eigen wil om in de onmogelijkheid was om haar rechten
in Griekenland te doen gelden. Het komt in dit verband de verzoekende partij toe om de
middelen die het recht en haar status in Griekenland hiertoe bieden terdege te gebruiken,
hetgeen zij evenwel niet aantoont. Zij toont niet aan deze afdoende te hebben benut, laat
staan uitgeput. Zij toont niet aan, gelet op de korte tijd die zij er nog verbleef na de
toekenning van internationale bescherming, dat zij niet in de mogelijkheid zou zijn
(geweest) om er huisvesting of tewerkstelling te vinden. Op grond hiervan kan dus niet
worden besloten dat zij door de onverschilligheid van de Griekse autoriteiten buiten
haar wil en haar persoonlijke keuzes om, terecht is gekomen in een toestand van zeer
verregaande materiële deprivatie die haar niet in staat stelde om te voorzien in haar
meest elementaire behoeften. Evenmin zijn er concrete indicaties dat dit het geval zou
zijn bij een terugkeer ernaartoe. Zij moet, gelet op de voorgaande vaststellingen, in staat
worden geacht om bij terugkeer naar Griekenland een duurzaam bestaan uit te bouwen
en er in haar levensonderhoud te voorzien. Dat het voor haar niet mogelijk was om een
menswaardig bestaan uit te bouwen in Griekenland, waardoor zij genoodzaakt was het
land te verlaten, kan dus niet worden aangenomen.”
Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen zowel met algemene landeninformatie als met verzoekers
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.513 VII-43.015-6/9
individuele situatie rekening heeft gehouden. Verzoeker wijst op de vereiste van een
individueel en actueel onderzoek, maar hij beperkt zich daarbij tot algemene opmerkingen,
zonder in het licht van de concrete motieven van het bestreden arrest aannemelijk te maken
dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalde elementen op onwettige wijze buiten
beschouwing zou hebben gelaten of bepaalde kritiek niet of onvoldoende zou hebben
beantwoord.
In de mate dat verzoeker het niet eens is met de door de eerste rechter
gemaakte feitelijke beoordeling, dient te worden herhaald dat de Raad van State als
cassatierechter niet in de beoordeling treedt van de zaak zelf.
4. Aangaande verzoekers voorgehouden bijzondere kwetsbaarheid
wordt in de beschikking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 6 mei 2025
overwogen:
“De verzoekende partij maakt vooreerst niet aannemelijk dat zij over een bijzondere
kwetsbaarheid beschikt die haar zou verhinderen om haar rechten te doen gelden,
verbonden aan haar status in Griekenland. Uit haar verklaringen kan niet blijken dat zij
kampt met enige medische of psychologische problemen of andere elementen die
belangrijke gevolgen zouden hebben voor haar zelfstandig functioneren.
De verzoekende partij verklaarde bij de Dienst Vreemdelingenzaken op
20 februari 2023 dat zij kampt met psychologische problemen, rugproblemen (hernia)
en sinusitis […]. Tijdens het persoonlijk onderhoud van 21 februari 2025 stelt zij dat zij
psychologische problemen heeft gehad, maar dat deze problemen voor het grootste deel
weg zijn. Wanneer haar aan het begin van het persoonlijk onderhoud wordt gevraagd
hoe het gaat met haar, geeft zij ook aan dat het goed gaat […]. Zij laat tevens na om
documenten voor te leggen die haar (voorgaande) medische of psychologische
problematieken staven, zodat haar verklaringen inzake haar medische en
psychologische problematieken louter berusten op blote beweringen waaruit niet kan
worden opgemaakt dat haar medische en psychologische problemen op heden dermate
ernstig zijn dat zij haar terugkeer naar Griekenland in de weg zouden staan, of dat deze
problemen belangrijke negatieve gevolgen zouden hebben op het vlak van haar
zelfredzaamheid en autonomie. Er kan ook niet blijken dat de verzoekende partij
momenteel medisch of psychologisch wordt opgevolgd. De verzoekende partij
bevestigde tijdens het persoonlijk onderhoud immers uitdrukkelijk dat zij in België niet
medisch of psychologisch wordt opgevolgd […]. Er kan bijgevolg niet blijken dat de
verzoekende partij op heden dermate zware medische of psychologische problemen
ondervindt dat deze haar zelfstandig functioneren beïnvloeden.
Gelet op het voorgaande kan niet op objectieve wijze een bijzondere kwetsbaarheid in
hoofde van de verzoekende partij worden vastgesteld die het haar dermate moeilijk
maakt om zich staande te houden en zelfstandig haar rechten uit te oefenen dat er een
ernstig risico is dat zij zou terechtkomen in leefomstandigheden die in strijd zijn met
haar grondrechten. Aldus brengt de verzoekende partij wat betreft haar persoonlijke
situatie geen specifieke elementen bij die blijk geven van een bijzondere kwetsbaarheid
die haar zou verhinderen om haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status
toegekend in Griekenland, of waardoor zij bij terugkeer naar Griekenland een risico
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.513 VII-43.015-7/9
loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het
EVRM of artikel 4 van het Handvest.”
In het bestreden arrest voegt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen nog toe:
“In de hierboven vermelde beschikking wordt vastgesteld dat de verzoekende partij
nalaat documenten neer te leggen die haar medische of psychologische problemen
kunnen staven zodat haar verklaringen hieromtrent louter berusten op blote beweringen.
Er kan hierdoor niet worden vastgesteld dat haar medische of psychologische problemen
op heden dermate ernstig zijn dat ze haar terugkeer naar Griekenland in de weg zouden
staan of dat ze belangrijke gevolgen zouden hebben voor haar zelfredzaamheid of
autonomie. Door tijdens haar vraag tot horen naar voor te brengen dat ze op heden nog
steeds in behandeling is bij een psycholoog zonder dit te staven met enig document,
maakt ze niet aannemelijk dat ze effectief mentale problemen heeft of dat ze in
behandeling is bij een psycholoog. Ze maakt tevens niet aannemelijk dat ze geen
toegang zou hebben tot medische of psychologische zorgen bij een eventuele terugkeer
naar Griekenland.
Waar de verzoekende partij stelt dat ze een kwetsbaar profiel heeft omdat ze afkomstig
is uit Gaza, dient te worden opgemerkt dat er kan aangenomen worden dat de huidige
situatie in Gaza een invloed kan hebben op de mentale gezondheid van personen die uit
deze regio afkomstig zijn. Elk verzoek om internationale bescherming dient echter
individueel te worden beoordeeld en het is de verantwoordelijkheid van de verzoeker
om internationale bescherming om een mentale of medische kwetsbaarheid aan te tonen
of aannemelijk te maken. De verzoekende partij blijft hier echter in gebreke.”
Uit het voorgaande blijkt een omstandig onderzoek van een
gebeurlijke bijzondere kwetsbaarheid van verzoeker op medisch of psychologisch gebied die
het hem dermate moeilijk zou maken om zich staande te houden en zelfstandig zijn rechten uit
te oefenen en dat hij een ernstig risico loopt terecht te komen in leefomstandigheden die in
strijd zijn met zijn grondrechten. Verzoeker gaat ook voorbij aan de beoordeling van zijn
concrete situatie in Griekenland zoals geciteerd in punt 3 supra. Hij toont niet aan welke
omstandigheden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze buiten
beschouwing zou hebben gelaten noch op welke aangevoerde elementen niet zou zijn
geantwoord in strijd met artikel 149 van de Grondwet. Verder behoort de feitelijke beoordeling
van de omstandigheden van de zaak tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen met hervormingsbevoegdheid uitspraak heeft
gedaan. Als cassatierechter vermag de Raad van State niet dergelijke beoordeling over te doen.
5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.513 VII-43.015-8/9
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien november
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.513 VII-43.015-9/9