Naar hoofdinhoud

RvS-16517

🏛️ Raad van State 📅 2025-11-18 🌐 FR Beschikking ongegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

15 december 1980, 30 november 2006, Grondwet

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.517 van 18 november 2025 in de zaak A. 245.101/VII-42.929 In zake : 1. XXXXX 2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hind Riad kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 Bij wie keuze van woonst wordt gedaan tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 juni 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 326.468 van 12 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 juni 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “De Raad kan enkel vaststellen dat verzoekster in haar verzoekschrift uitdrukkelijk bevestigt dat zij bij haar schoonfamilie in Afghanistan verblijft. Ze beklemtoont dat zodra haar schoonfamilie zich in België bij de referentiepersoon zal vestigen, zij in ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.517 VII-42.929-1/6 Afghanistan helemaal alleen achterblijft. Uit de stukken die verzoekster bij haar verzoekschrift heeft gevoegd, blijkt dat de gemachtigde van de staatssecretaris op 29 november 2024 een beslissing heeft genomen inzake de visumaanvraag die verzoeksters schoonvader en schoonmoeder hebben ingediend teneinde hun zoon in België, die over de vluchtelingenstatus beschikt, te vervoegen. Daaruit blijkt dat de gemachtigde de toekenning van het visum gezinshereniging aan de betrokken personen heeft geweigerd omdat er geen enkel document van de burgerlijke stand werd voorgelegd teneinde de verwantschapsband aan te tonen. Een DNA-onderzoek kan volgens de gemachtigde meer duidelijkheid bieden. Aldus dient te worden besloten dat de schoonfamilie van verzoekster, bij wie ze inwoont, op het moment van het nemen van de bestreden beslissingen niet over enig verblijfsrecht in België beschikken. Dit wordt niet betwist. Verzoekster stelt in haar pleitnota wel dat haar schoonvader, die als ‘legal guardian’ fungeert, een ‘positief antwoord op de aanvraag gezinshereniging heeft gehad, onder voorbehoud van een positieve DNA test’, doch ze kan hierin niet worden gevolgd. Uit de stukken die bij het verzoekschrift werden gevoegd, blijkt duidelijk dat de desbetreffende aanvraag voor een visum gezinshereniging door de gemachtigde werd geweigerd. Van een positief antwoord op de aanvraag gezinshereniging is vooralsnog geen sprake. Het motief dat verzoekster niet aantoont familiaal geïsoleerd te zijn in Afghanistan, houdt aldus stand.” Ingevolge het door de verzoekende partijen ingestelde beroep tot nietigverklaring heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bestreden arrest uitgesproken als annulatierechter, hetgeen inhoudt dat hij de wettigheid van de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende partij (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) ex tunc beoordeelt, dit wil zeggen op het ogenblik dat die beslissing werd genomen. De verzoekende partijen kunnen zich dan ook niet steunen op de argumentatie dat hun Afghaanse familieleden, waarvan niet wordt betwist dat zij zelfs op het ogenblik van het instellen van onderhavig cassatieberoep nog in Afghanistan verblijven, een verblijfsrecht in België “zullen” verkrijgen, om te besluiten tot de cassatie van het bestreden arrest. Verder is de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd om in de plaats van de eerste rechter te oordelen of de praktijk van de dienst Vreemdelingenzaken inzake DNA-testen te dezen al dan niet tot een verblijfsrecht van de kwestieuze familieleden zal leiden. 2. Met betrekking tot het door de verzoekende partijen ingeroepen beschermenswaardig gezinsleven overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “In zoverre verzoekster zich beroept op een beschermenswaardig gezinsleven met het gezin van haar echtgenoot, merkt de Raad op dat niet wordt betwist dat deze personen zich op het moment van het nemen van de bestreden beslissingen nog steeds in Afghanistan bevinden. Ook in het kader van de huidige procedure brengt verzoekster geen verdere informatie bij waaruit blijkt dat haar schoonouders, bij wie ze inwoont, intussen over een verblijfsrecht in België beschikken. De stukken die verzoekster bij ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.517 VII-42.929-2/6 haar verzoekschrift voegt, wijzen er daarentegen eerder op dat haar schoonouders nog steeds in Afghanistan verblijven en niet over enig verblijfsrecht in België beschikken aangezien hun aanvraag voor een visum met het oog op gezinshereniging werd geweigerd. Aldus kan niet worden ingezien op welke wijze de bestreden beslissingen het gezinsleven dat verzoekster stelt te onderhouden met haar schoonfamilie, in de weg staan. Verzoekster toont niet aan op welke wijze de weigering tot toekenning van een humanitair visum haar verhindert het voorgehouden gezinsleven met haar schoonfamilie in Afghanistan verder te zetten. Verzoekster brengt daarnaast geen concreet verweer aan ter weerlegging van het motief van de eerste bestreden beslissing dat er geen beschermenswaardig gezinsleven wordt aangetoond tussen verzoekster en haar minderjarige neef die in België over de vluchtelingenstatus beschikt. Aldus blijft dit motief overeind.” Met de overweging dat de verzoekende partijen inwonen bij hun schoonfamilie in Afghanistan en dat geen beschermenswaardig gezinsleven wordt aangetoond tussen de verzoekende partijen (in Afghanistan) en de minderjarige neef (in België), geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom volgens hem geen sprake is van een beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Verder treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en kan hij dus niet nagaan of te dezen “wel” sprake is van een beschermenswaardig gezinsleven, zoals de verzoekende partijen voorhouden. De aanvraag voor het verkrijgen van een humanitair visum die tot het bestreden arrest heeft geleid, heeft geen betrekking op gezinshereniging. De verzoekende partijen kunnen zich dan ook niet dienstig beroepen op (rechtspraak betreffende) richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 ‘inzake het recht op gezinshereniging’. 3. Het eerste middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel 4. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.517 VII-42.929-3/6 gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voormelde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 5. Bij nemen van een beslissing over een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9 van de vreemdelingenwet beschikt de verwerende partij over een ruime discretionaire bevoegdheid. Het vormt geen tegenstrijdigheid in de motieven noch een schending van artikel 9 of artikel 13 van de vreemdelingenwet door enerzijds te oordelen dat het aan de verzoekende partijen toekomt alle nuttig geachte stavingsstukken voor haar aanvraag in te dienen en er anderzijds op te wijzen dat de wet niet bepaalt welke documenten precies moeten worden voorgelegd. 6. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. Derde middel 7. In antwoord op de door de verzoekende partijen voorgehouden schending van het hoger belang van het kind (artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) in de aanvankelijk bestreden beslissing, overweegt de Raad voor Veemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Verzoekster kan niet worden gevolgd waar ze voorhoudt dat met het hoger belang van haar kind geen rekening werd gehouden. In de eerste bestreden beslissing wordt immers gemotiveerd als volgt: ‘Betrokkene beroept zich tevens op het hoger belang van de kinderen en verwijst hierbij naar artikel 3 van het VN-Kinderrechtenverdrag en artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Met betrekking tot het aangehaalde Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft de Raad van State echter gesteld dat dit verdrag in zijn geheel geen directe werking heeft (RvS, arrest nr. 100.509 van 31.10.2001; ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.517 VII-42.929-4/6 RVV nr. 107.646 van 30.07.2013; RVV nr. 107.495 van 29.07.2013; RVV nr. 107.068 van 22.07.2013; RVV nr. 106.055 van 28.06.2013). De bepalingen van dit verdrag zijn niet voldoende specifiek en juridisch volledig om zonder verdere regelgeving direct toepasbaar te zijn. Daarom kan aan deze bepalingen geen directe werking worden toegekend (cf. RvS, 28 juni 2001, nr. 97.206). In deze context kunnen verzoekers geen rechtstreekse schending van de aangehaalde artikelen van het Kinderrechtenverdrag inroepen. Daarnaast verduidelijken of bewijzen betrokkenen niet concreet dat een verblijf in het land van herkomst het belang van zowel de minderjarige referentiepersoon als het minderjarige kind van betrokkene zou schaden. Het verblijf in het land van herkomst is niet noodzakelijkerwijs in strijd met het belang van deze kinderen (RVV nr. 107.495 van 29.07.2013). Ook artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie kan niet worden ingeroepen, omdat dezelfde motivering geldt als voor artikel 3 van het IVRK. Het enkel aanhalen van diverse artikelen is onvoldoende om een humanitair visum toe te kennen’. Verweerder motiveert op goede gronden dat verzoekster niet aantoont dat een verblijf in haar land van herkomst het hoger belang van haar minderjarig kind schendt. Er dient te worden herhaald dat niet blijkt dat de schoonouders van verzoekster, de grootouders van haar kind, over een verblijfsrecht in België beschikken. Aldus kunnen verzoekster en haar kind bij haar schoonouders in Afghanistan verblijven, zoals overigens steeds het geval is geweest. Verzoekster toont niet met enig concreet bewijs aan dat het hoger belang van haar minderjarig kind wordt geschonden door aan betrokkenen geen humanitair visum toe te kennen. Een schending van artikel 24 van het Handvest blijkt dan ook niet.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen herhaalt aldus dat niet blijkt dat de familieleden van de verzoekende partijen over een verblijfsrecht in België beschikken doch dat moeder en kind (de verzoekende partijen) bij die familieleden in Afghanistan kunnen verblijven. De verzoekende partijen herhalen in wezen hun kritiek uit het eerste cassatiemiddel, zodat naar de beoordeling daarvan kan worden verwezen. 8. Het derde middel is kennelijk ongegrond. Vierde middel 9. Volgens de verzoekende partijen had de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet mogen oordelen dat hun familieleden niet beschikken over een verblijfsrecht in België op het ogenblik dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen, zonder dat de partijen hierover standpunt hebben kunnen innemen. 10. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer: “De Raad kan enkel vaststellen dat verzoekster in haar verzoekschrift uitdrukkelijk bevestigt dat zij bij haar schoonfamilie in Afghanistan verblijft. Ze beklemtoont dat ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.517 VII-42.929-5/6 zodra haar schoonfamilie zich in België bij de referentiepersoon zal vestigen, zij in Afghanistan helemaal alleen achterblijft.” Door bij de beoordeling van het beroep tot nietigverklaring van de verzoekende partijen mede in aanmerking te nemen hetgeen de verzoekende partijen aldus zelf hebben aangevoerd, schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, niet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is er niet toe gehouden de voorgenomen motieven van zijn beslissing vooraf aan de partijen mee te delen. 11. Het vierde middel is kennelijk ongegrond. B E S L U I T : 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien november tweeduizend vijfentwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.517 VII-42.929-6/6

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot