RvS-16518
🏛️ Raad van State
📅 2025-11-18
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.518 van 18 november 2025
in de zaak A. 245.049/VII-42.918
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Pauline Delgrange
kantoor houdend te 1210 Brussel
Haachtsesteenweg 55
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door
de minister van Asiel en Migratie
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 12 juni 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 326.602 van 13 mei 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 19 juni 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Eerste middel
1. De beslissing van de verwerende partij van 29 februari 2024 tot
weigering van verzoeksters visumaanvraag (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing)
wordt in het bestreden arrest geciteerd. Ze vermeldt “vooreerst dat het dossier geen bewijs van
verwantschap tussen de aanvraagster en de te vervoegen persoon bevat gelet op het feit dat de
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.518 VII-42.918-1/4
tazkira geen melding maakt van de naam van de moeder”. Daarna gaat ze in op de vraag of de
aanvraag niet te laat is ingediend en of verzoekster al dan niet overmacht heeft aangetoond.
Uit deze overweging vermocht de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze af te leiden dat het ontbreken in het dossier van
een bewijs van de verwantschapsband tussen verzoekster en de referentiepersoon een
determinerend motief van de aanvankelijk bestreden beslissing vormt, daargelaten de vraag of
dit motief al dan niet is aangetast door een onwettigheid. Verzoekster betwist niet de
vaststelling dat zij het voormelde motief niet heeft aangevochten voor de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen. Bijgevolg kan verzoekster niet voor het eerst in de graad van
administratieve cassatie alsnog de wettigheid van het kwestieuze motief betwisten door zich
te steunen op artikel 12bis, § 5 en § 6, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de
toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’
(hierna: vreemdelingenwet), gelezen in het licht van artikel 11, § 2, van richtlijn 2003/86/EG
van de Raad van 22 september 2003 ‘inzake het recht op gezinshereniging’.
2. Het eerste middel is kennelijk niet ontvankelijk.
Tweede middel
3. Verzoeksters voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
opgeworpen eerste middel tegen de aanvankelijk bestreden beslissing heeft uitsluitend
betrekking op het motief dat zij geen beroep kan doen op artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van de
vreemdelingenwet omdat haar aanvraag laattijdig zou zijn en zij geen overmacht zou hebben
aangetoond. Verzoekster heeft in het opschrift van dat eerste middel wel de schending van
artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de
Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) vermeld, evenwel zonder hierop in het minst in te
gaan in de uiteenzetting van het middel. In het tweede middel voor de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen heeft verzoekster met betrekking tot artikel 8 van het EVRM
aangevoerd “[i]n het onmogelijke geval dat Uw Raad zou oordelen dat de aanvraag
gezinshereniging laattijdig was, […] dat de bestreden beslissing haar gezinsleven schendt,
omdat er een positieve verplichting bestaat voor de Belgische Staat om haar met haar zoontje
in België erkend vluchteling te vervoegen”.
Uit het voorgaande blijkt, zoals in het bestreden arrest wordt
vastgesteld, dat verzoekster het motief dat zij de verwantschapsband tussen haarzelf en de
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.518 VII-42.918-2/4
referentiepersoon niet aannemelijk maakt, onverlet heeft gelaten. Verzoekster toont niet aan
dat zij niet in de mogelijkheid was dit motief van de aanvankelijk bestreden beslissing aan te
vechten voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Net omdat verzoekster het motief onverlet heeft gelaten dat de
verwantschapsband tussen haarzelf en de referentiepersoon niet bewezen is, kan zij niet voor
het eerst in de graad van administratieve cassatie inroepen dat het recht op gezinsleven tussen
haarzelf en de referentiepersoon zou zijn geschonden en kan zij bijgevolg niet op ontvankelijke
wijze een schending van de artikelen 8 en 13 van het EVRM, gelezen samen met artikel 12bis,
§ 5 en § 6, van de vreemdelingenwet opwerpen.
4. Het tweede middel is kennelijk niet ontvankelijk
Derde middel
5. Uit de beoordeling van het eerste middel supra blijkt reeds dat de
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uit de bewoordingen van de aanvankelijk bestreden
beslissing op wettige wijze heeft afgeleid dat het ontbreken in het dossier van een bewijs van
de verwantschapsband tussen verzoekster en de referentiepersoon volgens die beslissing een
determinerend weigeringsmotief vormt. Het recht van verdediging houdt niet in dat de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekster vooraf moest wijzen op zijn voornemen om vast
te stellen dat verzoekster had nagelaten een determinerend weigeringsmotief aan te vechten.
6. Het derde middel is kennelijk ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.518 VII-42.918-3/4
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien november
tweeduizend vijfentwintig door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.518 VII-42.918-4/4