RvS-16520
🏛️ Raad van State
📅 2025-11-19
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006, Burgerlijk Wetboek, Grondwet, gw
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.520 van 19 november 2025
in de zaak A. 245.904/VII-43.023
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Oriane Todts
kantoor houdend te 1060 Brussel
Henri Jasparlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 18 september 2025, strekt tot de
cassatie van arrest nr. 330.966 van 13 augustus 2025 van de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 30 september 2025 aangekomen ter
griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
Algemeen
1. Verzoeker werpt in het opschrift van het enige middel de schending
op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van de twee onderdelen van het enige
middel gaat hij slechts in op een aantal van deze bepalingen. Verzoekers kritiek wordt hierna
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.520 VII-43.023-1/8
in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen is op kennelijk niet
ontvankelijke wijze opgeworpen.
Eerste onderdeel van het enige middel: “schending van het artikel 149 van de Grondwet, van
de draagwijdte van de neergelegde objectieve bronnen en van het artikel 4 van het Handvest
[van de grondrechten van de Europese Unie]”
2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde
jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is
gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en
ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te
voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte
of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals
tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepaling.
Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending
van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke
motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet
antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd,
maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
bepaalt dat “[n]iemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of
vernederende behandelingen of bestraffingen”. Deze bepaling stemt letterlijk overeen met
artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de
Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM).
3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt in punt 5.1. van het
bestreden arrest een omstandige analyse van de “[a]lgemene situatie van begunstigden van
internationale bescherming in en bij teugkeer naar Griekenland”. Hierin verwijst hij punt voor
punt naar de concrete landeninformatie waarop hij zich steunt, waaronder vooral het door
verzoeker bijgebrachte rapport “Beneficiaries of international protection in Greece. Access to
documents and socio-economic rights” van RSA/PRO ASYL van maart 2025. Volgens de
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevestigt dit rapport de zeer moeilijke situatie van
Griekse statushouders waarop reeds werd gewezen in zijn met toepassing van artikel 39/73
van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf,
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.520 VII-43.023-2/8
de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ genomen beschikking. De Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen erkent dan ook “dat de huidige situatie van begunstigden van
internationale bescherming in Griekenland op dit ogenblik bijzonder problematisch is” en hij
merkt op dat de bureaucratische hindernissen, de lengte van een procedures voor de afgifte of
vernieuwing van documenten, de politieke visie van de Griekse overheid, de gebrekkige
uitvoering van integratieprogramma’s, het gebrek aan tolken en de discriminatie bij de toegang
tot socialezekerheidsuitkeringen “barrières [vormen] die ervoor zorgen dat vele begunstigden
binnen de Griekse samenleving in (zeer) precaire omstandigheden leven”. Na te hebben
verwezen naar de vereiste van het bereiken van “een bijzonder hoge drempel van
zwaarwegendheid […] wat afhangt van alle gegevens [van] de zaak”, vervolgt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen:
“Rekening houdend met de ter beschikking gestelde informatie overweegt de Raad in
de huidige stand van zaken dat er niet kan worden geconcludeerd dat (i) de
levensomstandigheden van begunstigden van een internationale beschermingsstatus in
Griekenland zodanig zijn dat deze begunstigden, als zij naar daar zouden terugkeren,
a priori allemaal automatisch geconfronteerd zouden worden met een reëel risico om
terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie
waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig (zouden) staan en dat (ii) een meer
diepgaande individuele beoordeling niet langer nodig is. De hoger vermelde informatie
over de situatie in Griekenland is op zichzelf niet voldoende om zonder meer te
concluderen dat de bescherming die wordt geboden aan iedereen die daar internationale
bescherming heeft bekomen, niet langer effectief of voldoende zou zijn, noch dat alle
statushouders bij een terugkeer naar Griekenland zullen terechtkomen in een toestand
van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie daar gekenmerkt
door grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden.
Ofschoon de door de verzoekende partij per aanvullende nota’s aangebrachte informatie
actueler is dan en recentere cijfers bevat dan de informatie die eerder voorlag bij de
kennisgeving van de beschikking, laat deze landeninformatie evenwel niet toe te
besluiten dat de levensomstandigheden in Griekenland voor statushouders van die aard
zijn dat zij bij een terugkeer naar dat land a priori een reëel risico lopen om terecht te
komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie waar de Griekse
autoriteiten onverschillig tegenover (zouden) staan en een verdere individuele
beoordeling niet meer nodig is.
De voormelde landeninformatie volstaat op zich niet om zonder meer te besluiten dat
de geboden bescherming in hoofde van eenieder die er internationale bescherming werd
verleend, niet langer effectief of toereikend zou zijn en evenmin dat statushouders in
Griekenland bij terugkeer hoe dan ook zullen terechtkomen in een situatie van zeer
verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie er gekenmerkt door een grote
onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden
(HvJ 19 maart 2019, Ibrahim, pt. 91).
Met de loutere verwijzing naar de bijgebrachte en beschikbare algemene
landeninformatie toont verzoekende partij dus niet aan dat elke begunstigde van
internationale in Griekenland zich in een situatie van zeer verregaande materiële
deprivatie zoals geduid door het Hof van Justitie bevindt of dat hij of zij er bij terugkeer
automatisch in zal belanden. Een individuele beoordeling van verzoekende partij haar
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.520 VII-43.023-3/8
concrete, persoonlijke situatie en voorliggend beschermingsverzoek blijft dus aan de
orde.”
Met het voorgaande geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
duidelijk aan dat en op grond van welke informatie hij van oordeel is:
- dat niet voor iedere begunstigde van internationale bescherming in Griekenland kan worden
besloten dat hij bij een terugkeer naar Griekenland zou dreigen terecht te komen in een
toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor zijn situatie zou kunnen worden
gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals vereist door het
Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 19 maart 2019 in de gevoegde zaken
C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland;
- dat “een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de
betrokken persoon” niet volstaat voor zover de “zeer verregaande materiële deprivatie” niet
wordt bereikt;
- dat met alle omstandigheden van de zaak rekening moet worden gehouden;
- dat een “individuele beoordeling van verzoekende partij haar concrete, persoonlijke situatie
en voorliggend beschermingsverzoek […] dus aan de orde [blijft]”.
Verzoeker, die zich beperkt tot algemene kritiek, toont hiermee niet
aan dat de gegeven motieven niet zouden volstaan in het licht van de in artikel 149 van de
Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Verzoeker geeft niet aan hoe, en toont
a fortiori niet aan dat, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de voorgaande
beoordeling een betekenis zou hebben gegeven aan bepaalde stukken die niet overeenstemt
met de bewoordingen of de inhoud ervan. Het loutere feit dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoeker verkeerde feitelijke of juridische
gevolgtrekkingen zou hebben getrokken, houdt geen verband met de bewijskracht van akten
zoals deze voortvloeit uit de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schendt niet artikel 4 van
het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie door te oordelen dat, ook al kan
sprake zijn van een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de
levensomstandigheden van de betrokken personen, niet blijkt dat de begunstigden van
internationale bescherming in Griekenland zullen terechtkomen in een situatie van zeer
verregaande materiële deprivatie waardoor hun situatie kan worden gelijkgesteld met een
onmenselijke of vernederende behandeling. In de mate dat verzoeker het niet eens is met die
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.520 VII-43.023-4/8
analyse, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van
State als cassatierechter niet bevoegd is.
Tweede onderdeel van het enige middel: “schending van het artikel 4 van het Handvest [van
de grondrechten van de Europese Unie]”
4. Volgens verzoeker is het enige feit waarop het bestreden arrest is
gesteund om te besluiten dat verzoeker niet afhankelijk is van Griekse staatsinstellingen het
feit dat verzoeker werkt in België, waarna wordt besloten dat verzoeker “grote
zelfstandigheid” zou tonen.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden
arrest echter:
“[…] In de beschikking van 22 april 2025 wordt uitgebreid ingegaan op de persoonlijke
situatie van verzoekende partij als begunstigde van internationale bescherming in
Griekenland en worden de door haar aangehaalde individuele elementen omstandig
besproken, waarbij wordt vastgesteld dat ze niet aantoont dat ze persoonlijk haar rechten
en voordelen als statushouder in Griekenland niet meer kan laten gelden en een situatie
van materiële deprivatie dreigt.
De Raad herneemt kort enkele bevindingen van de beschikking:
- Verzoekende partij is een vijfendertigjarige man zonder bijzondere kwetsbaarheid;
- Ze werd in Griekenland midden december 2022 als vluchteling erkend en verkreeg er
een Griekse verblijfsvergunning die heden nog geldig is;
- Uit haar verklaringen blijken niet de nodige inspanningen om zich als Grieks
statushouder in de Griekse samenleving te integreren door er onder meer werk en
huisvesting te zoeken en de taal te leren, doch integendeel;
- Verzoekende partij verklaarde expliciet dat België reeds haar eindbestemming was
toen ze Gaza verliet, verbleef slechts een korte periode in Griekenland en reisde vrijwel
meteen na het ophalen van haar paspoort in Griekenland door naar België:
- Uit verzoekende partij haar verklaringen kan allesbehalve blijken dat zij ernstige
pogingen heeft ondernomen om werk te zoeken of de taal te leren in Griekenland, en ze
geeft ook zelf expliciet aan niet of nauwelijks naar een woning te hebben gezocht in
Griekenland aangezien ze naar België wou komen, wat ze ook snel deed van zodra dit
mogelijk was.
[…] Verzoekende partij slaagt er niet in om aan die en de overige bevindingen van de
beschikking van 22 april 2025 afbreuk te doen, zoals waar voorts onder meer wordt
vastgesteld:
‘Uit haar verklaringen kan niet afgeleid worden dat verzoekende partij enige stappen
ondernomen heeft om haar rechten te doen gelden in Griekenland of om zich aldaar te
integreren. Zij maakt met bovenstaande dan ook niet op concrete wijze aannemelijk dat
zij buiten haar eigen wil om in de onmogelijkheid was om haar rechten in Griekenland
te doen gelden. Het komt in dit verband haar toe om de middelen die het recht en haar
status in Griekenland hiertoe bieden terdege te gebruiken, hetgeen zij evenwel niet
aantoont. Zij toont niet aan deze afdoende te hebben benut, laat staan uitgeput.
Bijkomend kan opgemerkt worden dat verzoekende partij een bepaalde mate van
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.520 VII-43.023-5/8
zelfstandigheid vertoont aangezien zij hier in België erin slaagde om via een vriend haar
huidige werk te vinden en ervoor ook nog ander werk deed […]. Daarnaast blijkt ook
dat haar vrouw vanuit Gaza steeds geld opstuurde naar haar tijdens haar verblijf in
Griekenland en dat zij ook geld opstuurde om haar reis naar Griekenland en vervolgens
naar België te bekostigen […].’
[…] Met de bij aanvullende nota van 26 juni 2025 gevoegde stukken, een medisch attest
van 19 mei 2025 van de Kliniek Sint-Jan en psychologisch attest van 26 mei 2025, wenst
verzoekende partij haar kwetsbaar profiel te bevestigen, zo luidt de aanvullende nota.
De betreffende bij die aanvullende nota gevoegde documenten zijn evenwel niet van
aard een ander licht te werpen op hetgeen hieromtrent eerder in de beschikking werd
opgemerkt, in punt 4, inzake het gebrek in hoofde van verzoekende partij van een
bijzondere kwetsbaarheid in de zin van de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie
zoals in de beschikking toegelicht.
Het medisch en psychologisch attest staven de gezondheidsproblemen, op fysiek en
psychisch vlak, waarmee verzoekende partij kampt, doch uit de attesten kan niet blijken
of worden afgeleid dat verzoekende partij ingevolge haar gezondheidssituatie over een
bijzondere kwetsbaarheid beschikt in die mate dat het haar verhindert om zelfstandig te
handelen en in haar levensonderhoud te voorzien. Dit geldt te meer aangezien
verzoekende partij, zoals ze ter zitting aangeeft en waarmee ze haar eerdere verklaringen
hierover herhaalt en bevestigt, werkzaam is in België.
Dat verzoekende partij slaapstoornissen, stress, angst en depressieve gevoelens heeft en
een aanhoudende pijn heeft die haar hindert bij haar dagelijkse activiteiten alsook
ademhalingsmoeilijkheden, zoals blijkt uit voormelde attesten, neemt aldus niet weg dat
zij, ondanks haar medische en psychologische problematiek, in staat is om op de
arbeidsmarkt actief te zijn, hetgeen niet alleen getuigt van een grote zelfstandigheid,
ondernemendheid en zelfredzaamheid, maar ook wil en kunde om zich in een voor haar
onbekend land en onbekende omgeving te integreren.
Dat de weigeringsbeslissing van het CGVS mentaal een enorme impact op haar heeft
(gehad) zoals in het psychologisch attest staat te lezen, te meer daar ook de
(oorlogs)situatie in Gaza verslechtert, wat ter zitting wordt benadrukt, is aannemelijk
doch neemt niet weg dat verzoekende partij reeds internationale bescherming heeft
verkregen in Griekenland. Ze toont niet aan dat haar situatie in Griekenland er een was
van of dat bij terugkeer naar Griekenland een situatie van zeer verregaande materiële
deprivatie dreigt.
Aldus kan op basis van voormelde attesten, waarin o.a. sprake is van een
posttraumatische stressstoornis, depressie en ernstige emotionele vermoeidheid, niet
blijken en verzoekende partij toont (hiermee) niet aan dat zij zich bij terugkeer naar
Griekenland er niet staande kan houden en niet zelfstandig haar rechten zou kunnen
uitoefenen, verbonden aan de haar er toegekende internationale beschermingsstatus.
[...] Daarnaast werd in de beschikking bovendien reeds opgemerkt dat verzoekende
partij niet aantoont dat zij als begunstigde van internationale bescherming in
Griekenland geen toegang heeft tot de gezondheidszorg daar. Verzoekende partij
betwist dit weliswaar op algemene wijze ter zitting, doch ze gaat niet concreet in op en
ontkracht noch weerlegt op generlei wijze hetgeen in dit verband eerder werd
vastgesteld in de beschikking, in punt 4.
[...] Met haar algemeen betoog als zou er geen tewerkstelling zijn in Griekenland, gaat
verzoekende partij volledig voorbij aan hetgeen concreet in de beschikking inzake haar
persoonlijke situatie als statushouder in Griekenland wordt vastgesteld, en in het
bijzonder haar eigen handelen en vooral nalaten er te handelen, gelet op haar zeer
kortstondige en zeer beperkte pogingen om zich in de Griekse samenleving te
integreren. Dienaangaande wordt herhaald dat het verzoekende partij als statushouder
toekomt om de middelen die het recht en haar status in Griekenland haar bieden terdege
te gebruiken, hetgeen zij evenwel niet aantoont. Zij toont immers niet aan deze afdoende
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.520 VII-43.023-6/8
te hebben benut, laat staan te hebben uitgeput. Verzoekende partij gaat hieraan voorbij
ter zitting, minstens laat ze na hierop een ander licht te werpen.”
Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen zich geenszins beperkt tot een verwijzing naar verzoekers
zelfredzaamheid in België, doch terdege ingaat op verzoekers situatie en gedrag in
Griekenland, alsmede op zijn voorgehouden medische en psychologische toestand.
Verzoekers kritiek mist derhalve feitelijke grondslag, zodat geen schending van artikel 4 van
het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aannemelijk wordt gemaakt.
5. De eerste door verzoeker in ondergeschikte orde voorgestelde
prejudiciële vraag strekt ertoe te horen of de levensomstandigheden van personen die
internationale bescherming genieten in Griekenland, onmenselijk en vernederend en in strijd
met artikel 4 van het Handvesten van de grondrechten van de Europese Unie zijn. Deze vraag
is niet dienend voor de oplossing van het geschil vermits ze betrekking heeft op een feitelijke
beoordeling terwijl de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak
zelf treedt.
Ook de tweede prejudiciële vraag is niet dienend voor de oplossing
van het geschil, gezien de in het bestreden arrest gemaakte beoordeling van verzoekers
houding in Griekenland en verzoekers toestand, waarbij net geen afhankelijkheid omwille van
factoren, eigen aan zijn persoonlijke situatie, wordt vastgesteld.
Bijgevolg worden de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vragen
niet gesteld.
Conclusie
6. Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk,
kennelijk ongegrond.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.520 VII-43.023-7/8
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negentien november
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.520 VII-43.023-8/8